Einde inhoudsopgave
RvdW 2025/449
Bedreiging met zware mishandeling door buitengewoon opsporingsambtenaar op korte afstand in gezicht te blazen en daarbij ‘corona’ te roepen (art. 285 lid 1 Sr). Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklacht opzet. Kan uit bewijsmiddelen volgen dat verdachte haar mond afgeschermd hield met mondkapje? 2. Vordering benadeelde partij t.z.v. immateriële schade (art. 6:106 BW) en oplegging schadevergoedingsmaatregel. Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Uit de door hof gebezigde b.m. volgt dat verdachte, nadat zij door aangever is aangehouden op verdenking van belediging, haar hoofd naar aangever toe heeft gedraaid en met enige kracht in zijn gezicht heeft geblazen, waarna aangever meerdere spetters op zijn mond, althans in zijn gezicht heeft gevoeld. Daaruit heeft hof kennelijk feitelijke conclusie getrokken dat verdachte t.t.v. blazen in gezicht van aangever niet haar mond afgeschermd hield (middels dragen van mondkapje). Die feitelijke conclusie is, gelet op inhoud van door hof gebezigde b.m., niet onbegrijpelijk. Ad 2. Hof heeft vordering tot vergoeding van immateriële schade van b.p. a.g.v. bewezenverklaarde bedreiging (en dus niet (ook) a.g.v. eveneens bewezenverklaarde belediging) toegewezen tot bedrag van € 500, vermeerderd met wettelijke rente. Dat oordeel is ontoereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat uit overwegingen van hof niet kan worden afgeleid op welke in art. 6:106 BW vermelde grond en op welke door hof vastgestelde omstandigheden hof de toewijzing van vordering b.p. heeft gebaseerd. Dat brengt mee dat ook oplegging van de in art. 36f Sr voorziene maatregel niet in stand kan blijven (vgl. HR 18 juni 2019, NJ 2019/380, m.nt. W.H. Vellinga). Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. vordering b.p. en oplegging schadevergoedingsmaatregel en terugwijzing.
HR 18-03-2025, ECLI:NL:HR:2025:400
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18 maart 2025
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, T. Kooijmans, C.N. Dalebout
- Zaaknummer
22/01965
- Conclusie
A-G mr. P.M. Frielink
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
Materieel strafrecht / Sancties
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:400, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑03‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:83, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 21‑01‑2025
Essentie
Bedreiging met zware mishandeling door buitengewoon opsporingsambtenaar op korte afstand in gezicht te blazen en daarbij ‘corona’ te roepen (art. 285 lid 1 Sr). Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklacht opzet. Kan uit bewijsmiddelen volgen dat verdachte haar mond afgeschermd hield met mondkapje? 2. Vordering benadeelde partij t.z.v. immateriële schade (art. 6:106 BW) en oplegging schadevergoedingsmaatregel. Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Uit de door hof gebezigde b.m. volgt dat verdachte, nadat zij door aangever is aangehouden op verdenking van belediging, haar hoofd naar aangever toe heeft ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.