RvdW 2025/466:Verkrachting van een aan zijn waakzaamheid toevertrouwd 17-jarig meisje door 40-jarige verdachte in woning van zijn moeder (art. 242 (oud) jo art. 249 lid 1 (oud) Sr). Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklachten. 2. Vordering benadeelde partij. Kon hof door b.p. gevorderde reiskosten voor bijwonen van tz. in hoger beroep als rechtstreekse schade toewijzen en t.a.v. die kosten een schadevergoedingsmaatregel opleggen? 3. Vordering b.p. Kunnen gevorderde reiskosten voor bijwonen van tz. in h.b. als proceskosten voor vergoeding in aanmerking komen, nu b.p. in h.b. met gemachtigde (advocaat) procedeerde? Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Uit bewijsvoering blijkt dat verdachte wil van aangeefster heeft doorbroken door toepassing van geweld of andere feitelijkheid. Hof heeft verder overwogen dat verklaring van verdachte dat hij ‘out’ was tijdens seks niet goed valt te rijmen met zijn latere verklaring waarin hij stellig aangeeft dat geen sprake is geweest van dwingen maar van vrijwillige seks, omdat deze laatste verklaring duidt op volledige bewustheid van hetgeen heeft plaatsgevonden. Alhoewel verklaring van verdachte dat hij alles wazig heeft meegekregen niet per se tegenstrijdig is met zijn verklaring dat aangeefster vrijwillig seks met hem heeft gehad, doet dit niet af aan feit dat verdachte wisselend en onduidelijk heeft verklaard. Daartegenover staat verklaring van aangeefster die hof als eenduidig en consistent heeft aangemerkt en die steun vindt in ander bewijsmateriaal. Met oog op grote mate van vrijheid die feitenrechter geniet bij selectie en waardering van bewijs, waaronder weging van getuigenverklaringen, is beslissing hof om uit te gaan van lezing van aangeefster niet onbegrijpelijk. Ad 2. Hof heeft ten onrechte bedrag van € 68,32 als schadevergoeding toegewezen aan b.p. Het gaat hier immers om reiskosten voor bijwonen van ttz. in h.b. die b.p. heeft gemaakt, die niet zijn aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door strafbaar feit, maar als proceskosten waarover rechter op grond van art. 532 Sv in daar bedoelde gevallen afzonderlijke beslissing moet geven (vgl. HR 11 april 2017, NJ 2017/366, m.nt. J.M. Reijntjes). Dit brengt mee dat deze kosten ook niet in aanmerking kunnen worden genomen bij oplegging van de in art. 36f lid 1 Sr voorziene schadevergoedingsmaatregel (vgl. HR 28 mei 2019, NJ 2019/379, m.nt. W.H. Vellinga). Ad 3. Redelijke uitleg van art. 532 Sv brengt mee dat bij begroting van daar bedoelde kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures (vgl. HR 28 mei 2019, NJ 2019/379, m.nt. W.H. Vellinga). O.g.v. art. 238 Rv komen reis- en verblijfkosten slechts voor vergoeding in aanmerking v.zv. in persoon (dat wil zeggen: zonder gemachtigde (advocaat)) wordt geprocedeerd. Procedeert b.p. met gemachtigde, dan komen slechts kosten voor salaris en noodzakelijke verschotten van gemachtigde voor vergoeding in aanmerking en dus niet ook in art. 238 lid 1 Rv bedoelde kosten van b.p. Uit p-v van tz. in h.b. blijkt dat b.p. op tz. in h.b. is verschenen en werd bijgestaan door advocaat. Door b.p. gevorderde reiskosten komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking. HR doet zaak zelf af en wijst door b.p. als reiskosten gevorderd bedrag van € 68,32 af.