RvdW 2025/187:Medeplegen hennepteelt in slaapkamer van woning van partner van verdachte, art. 3 onder B Opiumwet. Bewijsklacht medeplegen. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR 5 juli 2016, NJ 2016/411, m.nt. N. Rozemond, m.b.t. medeplegen en in het bijzonder afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid en uit HR 29 januari 2019, NJ 2019/310, m.nt. N. Rozemond, m.b.t. rol die proceshouding van verdachte kan spelen. Hof heeft aan bewezenverklaring van medeplegen opzettelijk telen van hennep i.h.b. ten grondslag gelegd dat (i) verdachte wist van hennepkwekerij, (ii) hennepkwekerij is aangetroffen in woning die geheel ten dienste stond van die kwekerij, (iii) verdachte niet in deze woning sliep, maar daar wel veelvuldig met mededader aanwezig was, (iv) mededader heeft verklaard dat hij hennepkwekerij in woning had en dat er 5 oogsten zijn geweest, (v) energiecontract voor woning sinds 2016 op naam van verdachte stond en dat zij energiekosten en in tlgd. periode ook hypotheekrente voor deze woning betaalde, in welk verband hof heeft vastgesteld dat stroom t.b.v. kwekerij ‘legaal’ werd afgenomen, en (vi) in kwekerij met hennepresten besmeurde slippers in schoenmaat van verdachte zijn aangetroffen, waarover mededader heeft verklaard dat het waarschijnlijk slippers van verdachte zijn. Kennelijk en (mede gelet op overige vaststellingen) niet onbegrijpelijk, heeft hof ook aanwezigheid van deze slippers in ruimte waarin zich hennepkwekerij bevond, beschouwd als omstandigheid die duidt op betrokkenheid van verdachte bij feitelijke handelingen ten dienste van het telen van hennepplanten. Hof heeft op die gronden en mede in aanmerking genomen omstandigheid dat aannemelijke, andersluidende verklaring van verdachte is uitgebleven, geoordeeld dat verdachte en mededader zo nauw en bewust hebben samengewerkt dat sprake is van medeplegen van bewezenverklaarde hennepteelt. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping. CAG: anders. Samenhang met RvdW 2025/188, RvdW 2025/190 en RvdW 2025/191.