RvdW 2025/199:Art. 416 lid 2 Sv na veroordeling t.z.v. ontucht met 13-jarig meisje door 22-jarige verdachte, art. 245 (oud) Sr. Aanwezigheidsrecht. Dagvaardingstermijn in hoger beroep, art. 413 lid 1 Sv. Had hof onderzoek ttz. o.g.v. art. 413 lid 1 jo. art. 265 lid 3 Sv moeten schorsen? Aan dagvaarding van verdachte om te verschijnen op tz. in h.b. van 30 januari 2024 is akte van uitreiking gehecht. Volgens deze akte is die dagvaarding op 24 januari 2024 uitgereikt op wijze zoals is voorgeschreven in art. 36e lid 2 sub b Sv. Termijn van 10 dagen die in art. 413 lid 1 (eerste volzin) Sv is voorgeschreven, is dus niet in acht genomen. Stukken houden niets in waaruit kan volgen dat op eerder moment sprake was van rechtsgeldige betekening van die dagvaarding of dat verkorting van die termijn heeft plaatsgevonden met toestemming van verdachte. Volgens p-v van tz. is verdachte daar niet verschenen. Daarom had hof het onderzoek ttz. o.g.v. art. 413 jo. art. 265 lid 3 Sv moeten schorsen. Hof heeft onderzoek ttz. echter voortgezet nadat tegen niet-verschenen verdachte verstek was verleend. Volgt vernietiging en terugwijzing.