RvdW 2025/341:Moord door in 2015 in Eindhoven met vuurwapen kogels in richting van ander te schieten, waarbij deze door kogel is getroffen (art. 289 Sr) en medeplegen poging tot doodslag door ander meermalen met ijzeren pijp/buis te slaan (art. 287 Sr). 1. Verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid OM, omdat OM het hof in strijd met beginselen van behoorlijke procesorde heeft geïnformeerd en OM het hof en verdediging heeft misleid dan wel in ernstige mate gebrekkig heeft geïnformeerd m.b.t. NIFP-rapportage m.b.t. persoon van kroongetuige. 2. Bewijsklachten moord. 3. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat zakelijke weergave van verhoor van getuige (toenmalige partner van verdachte) terzijde moet worden geschoven, art. 359 lid 2 Sv. 4. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inhoudend dat verdachte niet schutter kan zijn geweest, omdat verdachte niet past in signalement dat door ooggetuigen op plaats delict is opgegeven, art. 359 lid 2 Sv. 5. Kon hof een onherroepelijk vonnis tegen medeverdachte voor bewijs gebruiken, nu uit verhandelde ttz. niet kan volgen dat dit stuk aan verdachte is voorgehouden? Art. 301 lid 4 Sv. 6. Bewijsklacht doodslag. Bewijsminimum, art. 342 lid 2 Sv (unus testis). Vinden verklaringen van aangever voldoende steun in ander bewijsmateriaal? 7. Strafmotivering (gevangenisstraf van 20 jaren). Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat hof in strafmatigende zin rekening moet houden met nieuwe VI-regeling, nu zaak zonder inzet van kroongetuige ruim voor inwerkingtreding nieuwe VI-regeling had kunnen worden afgedaan, art. 359 lid 2 Sv. HR: art. 81 lid 1 RO.