RvdW 2025/372:OM-cassatie. Veroordeling t.z.v. gewoonte maken van anderen, die zich wederrechtelijk verblijf in Nederland hebben verschaft, arbeid doen verrichten als chauffeur in transportbedrijf, terwijl hij ernstige redenen heeft te vermoeden dat verblijf wederrechtelijk is (art. 197b Sr) en ontslag van alle rechtsvervolging t.z.v. gewoonte maken van medeplegen uit winstbejag personen behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland door hen als chauffeur arbeid te laten verrichten in transportbedrijf, terwijl hij wist of ernstige redenen had te vermoeden dat verblijf wederrechtelijk was (art. 197a lid 2 en 197a lid 4 Sr). Verhoudt art. 197b Sr zich tot art. 197a lid 2 Sr als bijzondere strafbepaling tot algemene strafbepaling a.b.i. art. 55 lid 2 Sr? Hof heeft verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging t.z.v. art. 197a Sr, omdat sprake is van geval waarin art. 197b Sr ‘geprivilegieerde systematische specialis’ vormt van art. 197a Sr. In zijn prejudiciële beslissing (HR 18 februari 2025, RvdW 2025/325) heeft de HR geoordeeld dat art. 197b Sr t.o.v. art. 197a lid 2 Sr niet kan worden beschouwd als bijzondere strafbepaling a.b.i. art. 55 lid 2 Sr. ’s Hofs oordeel dat art. 197b Sr t.o.v. art. 197a lid 2 Sr wel bijzondere strafbepaling a.b.i. art. 55 lid 2 Sr vormt, is dus onjuist. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing. CAG: anders.