Einde inhoudsopgave
RvdW 2025/310
Verbintenissenrecht. Ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW) na natrekking?; verrijking; stelplicht en bewijslast.
HR 21-02-2025, ECLI:NL:HR:2025:322
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
21 februari 2025
- Magistraten
Mrs. M.V. Polak, C.E. du Perron, F.J.P. Lock, S.J. Schaafsma, G.C. Makkink
- Zaaknummer
23/01587
- Conclusie
A-G mr. E.B. Rank-Berenschot
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:322, Uitspraak, Hoge Raad, 21‑02‑2025
ECLI:NL:PHR:2024:542, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 17‑05‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 02‑06‑2023
- Wetingang
Art. 6:212 BW; art. 150 Rv
Essentie
Verbintenissenrecht. Ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW) na natrekking?; verrijking; stelplicht en bewijslast.
Samenvatting
Natrekking is een goederenrechtelijke ordeningsmaatregel en onbillijkheden die daarmee gepaard gaan kunnen worden gecompenseerd door onder meer een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking. In de wetsgeschiedenis van art. 6:212 BW is opgemerkt dat een verrijking in geval van natrekking in beginsel ongerechtvaardigd is. Als uitgangspunt heeft echter niet ook te gelden dat in een geval van natrekking in beginsel sprake is van een verrijking. Als hoofdregel heeft dus, ook in een geval van natrekking, te gelden dat het aan de partij die ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.