RvdW 2025/332:Belediging van ambtenaar door hoofdconductrice van trein in haar gezicht te spugen (art. 266 lid 1 en art. 267 lid 1 onder 2 Sr). OM niet-ontvankelijk verklaard in eerste aanleg. Klachtvereiste a.b.i. art. 269 lid 1 Sr en bewijsklachten ‘ambtenaar’. Bewijsminimum, art. 342 lid 2 Sv (unus testis). Vindt verklaring van aangeefster voldoende steun in ander bewijsmateriaal? HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Uit ’s hofs bewijsvoering volgt dat aangeefster t.t.v. incident werkzaam was in functie van ‘hoofdconducteur(trice)’ en dat zij in die hoedanigheid en tijdens haar werkzaamheden in trein de verdachte tot de orde heeft geroepen. Uit hoofde van die functie was zij ex art. 2 Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar NS Groep N.V. 2017 tevens buitengewoon opsporingsambtenaar en daarmee ambtenaar. Nu aangeefster werkzaam was als ambtenaar a.b.i. art. 267 lid 1 onder 2 Sr geldt hier ex art. 269 lid 2 Sr geen klachtvereiste. Van schending van art. 342 lid 2 Sv (unus testis nullus testis) en denaturering van verklaring van verdachte door hof, is geen sprake. Volgt verwerping.