Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/8.11.7
8.11.7 Het voorkomen van confirmation bias
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS456640:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In de literatuur wordt wel gesuggereerd dat confirmation bias een reden kan zijn waarom rechters geschillen afdoen op basis van onvoldoende stellen/betwisten door procespartijen, lichtvaardig een bewijsaanbod passeren en minder snel geneigd zijn via de weg van artikel 22 Rv (of langs een andere weg) additionele informatie te vergaren. Zie Enneking, Giesen en Rijnhout 2013, p. 1034- 1035. Ofschoon empirisch bewijs ontbreekt dat confirmation bias hierbij een rol speelt, is het een feit dat rechters partijen aanzienlijk minder vaak tot bewijslevering toelaten dan in het verleden het geval was. Zie Ahsmann 2010.
Rachlinski 2012b, p. 101-104.
Zie § 7.6.9.
In § 8.7 heb ik uiteengezet dat beoordelaars zoals onderzoekers en rechters in eerste instantie intuïtief tot een oordeel komen, maar soms het intuïtieve oordeel terzijde stellen om tot een beredeneerd oordeel te komen. Het gevaar dat daarbij bestaat, is dat zij vooral aandacht besteden aan feiten die hun intuïtieve oordeel bevestigen, en geen oog hebben voor de feiten die een andere richting op wijzen. Deze bias wordt confirmation bias of ‘tunnelvisie’ genoemd.1
Confirmation bias is zowel een risico in een procedure als in het onderzoek, maar het risico is in het onderzoek groter. De tegenspraak die in het procesmodel besloten ligt kan er immers voor zorgen dat de verweerder de feiten aandraagt die in een andere richting wijzen dan de door de eiser aangedragen feiten. Tegenspraak helpt om het risico op confirmation bias te beperken, maar kan deze niet elimineren. Uit empirisch onderzoek blijkt immers dat rechters voor confirmation bias vatbaar zijn.2 In het onderzoek is het risico op confirmation bias groter omdat, anders dan in het procesmodel, tegenspraak in de onderzoeksfase onvoldoende is geïnstitutionaliseerd. Weliswaar heeft de wetgever sinds 2013 hoor en wederhoor verplicht gesteld, maar dat vindt doorgaans eerst plaats doordat de onderzoekers hun conceptverslag aan de rechtspersoon en bepaalde belanghebbenden voorleggen.3 Na dat moment is het heel moeilijk om de onderzoekers, die hun conclusies al hebben getrokken, nog op andere gedachten te brengen. In § 7.6.7 heb ik daarvoor aandacht gevraagd en gewezen op het belang van het in een eerder stadium van het onderzoek organiseren van tegenspraak.
Het voorkomen van confirmation bias helpt dus ook om hindsight bias te voorkomen. Om confirmation bias te voorkomen zouden de onderzoekers zich de vraag kunnen stellen: welke aanwijzingen zijn er dat mijn intuïtieve, voorlopige oordeel niet klopt? De onderzoekers zouden kunnen proberen hun intuïtieve oordeel te falsificeren, in plaats van te zoeken naar aanwijzingen die het bevestigen. Het beschrijven van de feitelijke situatie en de context en het benoemen van alternatieve scenario’s die tot dezelfde uitkomst hadden kunnen leiden, kunnen in dit verband een nuttig hulpmiddel zijn.