Het onderzoek in de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/Bijlage 1:Bijlage 1 Lijst van aanbevelingen
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/Bijlage 1
Bijlage 1 Lijst van aanbevelingen
Documentgegevens:
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS453085:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Suggesties voor wetswijziging
In artikel 2:353 lid 2 en lid 3 BW moet ‘een ieder’ op de juiste wijze worden gespeld (1.2.3; 11.1)
Bij onderzoek naar een insolvente rechtspersoon biedt de wettelijke regeling de onderzoekers geen bescherming voor de kosten van verweer tegen een aansprakelijkstelling. De Staat zou een coulanceregeling in het leven moeten roepen, waarbij de kosten voor rekening van de Staat komen. Alternatief is bepalen dat een aansprakelijkstelling van de onderzoekers alleen is toegestaan met machtiging van de raadsheer-commissaris (4.10.5)
De reikwijdte van de vergoedingsplicht van de rechtspersoon voor kosten van verweer van de onderzoekers moet worden verduidelijkt (4.10.5)
De procedure om vergoeding, of een voorschot daarop, te krijgen voor de gemaakte of te maken kosten van verweer moet worden verduidelijkt (4.10.5)
Er bestaat geen aanspraak op vergoeding van de kosten van verweer van de onderzoekers tegen een aansprakelijkstelling indien en voor zover de rechtspersoon voor een adequate verzekering heeft gezorgd (4.10.5)
De rechtspersoon moet de kosten van verweer van de onderzoekers tegen een aansprakelijkstelling niet op de voet van artikel 2:354 BW kunnen verhalen (4.10.5)
Artikel 2:352 BW moet worden aangepast aan de Wet tot wijziging van de binnentredingsbepalingen (6.5.4)
In artikel 2:351 lid 3 BW wordt opgenomen dat de wettelijke geheimhoudingsplicht ook geldt voor door de onderzoekers ingeschakelde hulppersonen (7.5.5.5)
Aan artikel 2:353 BW wordt een vijfde lid toegevoegd, inhoudende dat het bepaalde in de leden 1-4 van overeenkomstige toepassing is op een tussentijds verslag, met dien verstande dat een tussentijds verslag niet voor eenieder ter inzage mag worden gelegd (7.5.9; 11.4.6)
De onderzoekers vermelden in het verslag op welke wijze zij partijen de gelegenheid hebben geboden opmerkingen te maken over het verslag (7.6.9.6)
In artikel 16 lid 5 Rv wordt ‘rechter-commissaris’ vervangen door ‘raadsheer-commissaris’ (9.3)
De rechter-commissaris is bevoegd een onderzoeker te vervangen of een extra onderzoeker te benoemen (9.4.4.2)
De raadsheer-commissaris is bevoegd te beslissen op een verzoek om verhoging van het onderzoeksbudget (9.4.4.4)
De rechter-commissaris is bevoegd de onderzoekers op hun verzoek te machtigen tot het raadplegen van de boeken van een nauw verbonden rechtspersoon (9.4.4.9)
De rechter-commissaris is bevoegd om op verzoek van de onderzoekers een getuigenverhoor te gelasten (9.4.4.10)
De rechter-commissaris is bevoegd te bepalen voor wie het verslag ter inzage ligt. Daartoe bepaalt de wet dat de raadsheer-commissaris ook na de inlevering van het verslag ter griffie in functie blijft (9.4.4.15)
De rechter-commissaris is bevoegd de vergoeding van de onderzoekers vast te stellen. Daartoe bepaalt de wet dat de raadsheer-commissaris ook na de inlevering van het verslag ter griffie in functie blijft (9.4.4.16)
De rechter-commissaris is bevoegd om derden te machtigen tot het doen van mededelingen uit het verslag. Daartoe bepaalt de wet dat de raadsheer-commissaris ook na de inlevering van het verslag ter griffie in functie blijft (9.4.4.17)
In de wet wordt opgenomen dat het verslag door de onderzoekers wordt gedateerd en ondertekend alvorens zij het verslag ter griffie inleveren (10.3.11)
Het woord ‘nederleggen’ in artikel 2:353 lid 1 BW wordt vervangen door ‘inleveren’ (11.2.5)
Als een rechtspersoon onder toezicht staat van een andere toezichthouder dan DNB, de ECB of de AFM, zoals de NZa of de AW, wordt deze toezichthouder op dezelfde wijze bij de enquêteprocedure betrokken als DNB, de ECB en de AFM (11.2.6)
In artikel 2:353 lid 4 BW wordt opgenomen dat de Ondernemingskamer op haar website onverwijld publiceert dat en wanneer het verslag door de onderzoekers is ingeleverd en voor wie het ter inzage is gelegd (11.2.7)
Suggesties voor wijziging van de Aandachtspunten
De titel ‘Aandachtspunten, aanbevelingen en suggesties voor onderzoekers’ wordt gewijzigd in ‘Richtlijnen voor onderzoekers in enquêteprocedures’ (7.4.1)
De onderzoekers moeten op het moment dat zij zien aankomen dat zij de door de Ondernemingskamer gestelde of de door hen aangekondigde termijn voor het inleveren van het verslag ter griffie niet gaan halen, in een kort tussentijds verslag aangeven wat de oorzaak voor de vertraging is en wanneer zij verwachten het onderzoek te hebben afgerond (2.3.7)
De eisen die aan de onafhankelijkheid van onderzoekers worden gesteld, worden in de Aandachtspunten vastgelegd (3.3.4.4.2)
De onderzoekers dienen direct na hun benoeming een disclosure statement op te stellen en aan partijen te sturen, waarin zij alle feiten vermelden die voor partijen aanleiding zouden kunnen zijn om hun onafhankelijkheid ter discussie te stellen (3.3.4.4.2)
Partijen dienen bezwaren over een beweerdelijk gebrek aan onafhankelijkheid van de onderzoekers binnen 14 dagen na ontvangst van het disclosure statement aan de Ondernemingskamer te melden, bij gebreke waarvan een beroep daarop wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing kan worden gelaten (3.3.4.4.2; 7.5.2)
In een kleine enquêteprocedure houdt de Ondernemingskamer de beslissing over de vaststelling van het onderzoeksbudget aan totdat de onderzoekers een begroting van de onderzoekskosten hebben opgesteld. De onderzoekers moeten dit binnen veertien dagen na hun benoeming doen (4.3.2.4)
In een grotere enquête (en in ieder geval in alle inquisitoire enquêtes) stellen de onderzoekers binnen vier weken na hun benoeming, of als er een onderzoeksbudget in de beschikking is vastgesteld binnen zes weken nadat daarvoor zekerheid is gesteld, een plan van aanpak met kostenbegroting op (4.3.2.4)
De onderzoekers doen op het moment dat zij zien aankomen dat het budget onvoldoende is om het onderzoek uit te voeren, een conceptverslag op te stellen, hoor en wederhoor toe te passen en het aldus verkregen commentaar in het verslag te verwerken, een verzoek om verhoging van het onderzoeksbudget of melden het verwachte tekort in een tussentijds verslag. Zij monitoren gedurende het onderzoek voortdurend of het budget voor het resterende onderzoek toereikend is (4.5.3; 7.4.3.2)
De onderzoekers specifiëren de aan het onderzoek bestede tijd en de gemaakte kosten ten behoeve van een verzoek tot vaststelling of verhoging van het onderzoeksbudget en de vaststelling van de onderzoekskosten volgens een in de Aandachtspunten op te nemen model (4.5.4, 4.6.2)
De procedure voor het vaststellen van de vergoeding van de onderzoekers en het vaststellen van een tussentijdse vergoeding van de tot dat moment bestede tijd en gemaakte kosten wordt in de Aandachtspunten vastgelegd (4.6.2; 4.6.4)
De Ondernemingskamer stelt richtlijnen op voor de hoogte van de vergoeding van de onderzoekers (4.6.3.3)
Het bepaalde in Aandachtspunt 4.5, dat het de onderzoeker vrijstaat zijn opvatting weer te geven of er sprake is van wanbeleid, wordt geschrapt (5.3.4)
Het staat de onderzoekers vrij om aanbevelingen te doen over te treffen maatregelen, maar zij dienen zich niet uit te laten over de vraag of het aanbeveling verdient voorzieningen te treffen. Aandachtspunt 4.2 wordt in deze zin aangepast (5.4.2)
Tenzij de Ondernemingskamer anders heeft bepaald, laten de onderzoekers zich niet uit over de vraag wie verantwoordelijk is voor mogelijk blijkend wanbeleid en of kostenverhaal mogelijk is (5.4.4; 5.4.5)
De onderzoekers mogen alleen tussen partijen bemiddelen als zij daartoe opdracht hebben gekregen van de Ondernemingskamer of de raadsheer-commissaris. Aandachtspunt 3.11 wordt in die zin aangepast (5.4.6; 7.4.3.2)
Gedragsregels waar onderzoekers zich aan moeten houden indien zij een minnelijke regeling beproeven worden gespecificeerd (5.4.6)
De onderzoekers nemen bij de uitoefening van het inzagerecht de in § 6.3 genoemde beperkingen in acht, waaronder het evenredigheidsbeginsel en het respecteren van een (afgeleid) verschoningsrecht (6.3.9)
Onderzoekers gaan niet over tot het toepassen van forensische onderzoeksmethoden zonder een plan van aanpak op te stellen waarin het voornemen daartoe aan partijen wordt aangekondigd en de noodzaak daarvan wordt onderbouwd (6.3.9)
De onderzoekers nemen het bepaalde in de Wet bescherming persoonsgegevens respectievelijk, na 25 mei 2018, de Algemene verordening gegevensbescherming in acht. Uitgewerkt wordt wat dit concreet betekent (6.3.9)
Gespecificeerd wordt dat en onder welke voorwaarden derden gehouden zijn mee te werken aan de uitoefening van het inzagerecht (6.3.9)
De tot het verstrekken van inlichtingen verplichte personen kunnen een beroep doen op een hun eventueel toekomend verschoningsrecht. Zij kunnen zich voorzien van rechtsbijstand (6.4.9)
De onderzoekers verantwoorden in het verslag de wijze waarop zij met partijen en andere belanghebbenden hebben gecommuniceerd (7.3.5; 10.4.4.7)
De onderzoekers beoordelen of het beginsel van hoor en wederhoor meebrengt dat bepaalde informatie die zij van een of meer partijen hebben ontvangen, moet worden gedeeld met de andere partijen en wegen dit belang af tegen het belang van de rechtspersoon en andere belanghebbenden bij vertrouwelijkheid van de informatie. Zo ja, dan voegen zij deze informatie in beginsel als bijlage bij het verslag (7.3.5)
De onderzoekers werken de onderzoeksopdracht uit in concrete onderzoeksvragen. Deze onderzoeksvragen worden in het verslag beantwoord. Aandachtspunt 4.1 wordt in deze zin aangepast (7.4.2.1)
De onderzoekers melden iedere inmenging in het onderzoek in een tussentijds bericht aan de Ondernemingskamer met kopie aan de relevante partijen (7.4.3.3)
De onderzoekers nemen het fair play-beginsel in acht. Dit wordt geconcretiseerd aan de hand van een aantal voorbeelden (7.4.5)
Een onderzoeker neemt de onderzoeksopdracht niet aan als hij zichzelf onvoldoende deskundig acht om het onderzoek uit te voeren. Mocht hij dit gedurende het onderzoek bemerken, dan moet hij de Ondernemingskamer verzoeken een extra onderzoeker te benoemen of hem van zijn taak te ontheffen (7.4.6)
De onderzoekers zorgen ervoor dat het onderzoeksdossier alleen toegankelijk is voor henzelf en de door hen ingeschakelde derden. De onderzoekers staan het onderzoeksdossier niet af aan het Openbaar Ministerie of aan toezichthouders (7.4.8.3)
In de toelichting op de Aandachtspunten wordt opgenomen hoe de onderzoekers moeten omgaan met koersgevoelige informatie (7.4.8.4)
De onderzoekers nemen het beginsel van proportionaliteit en subsidiariteit in acht. Dit wordt geconcretiseerd aan de hand van een aantal voorbeelden (7.4.10)
De onderzoekers voeren het onderzoek uit binnen een redelijke termijn. De Ondernemingskamer ziet hierop toe. Aangegeven wordt hoe de onderzoekers moeten handelen als het onderzoek vertraging oploopt (7.15)
De onderzoekers leggen een onderzoeksdossier aan, waarin worden opgenomen de stukken genoemd in § 7.5.4.2 (7.5.4.4)
De onderzoekers dragen er zorg voor dat het dossier alleen toegankelijk is voor henzelf en personen die daartoe zijn gemachtigd (7.5.4.4)
De onderzoekers dragen zelf de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het onderzoek. Zij kunnen zich administratief en organisatorisch laten bijstaan. Als zij een deelvraag door een hulppersoon willen laten beantwoorden, gaan zij tot het inschakelen van hem niet over zonder dat zij hun voornemen daartoe aan partijen hebben voorgelegd en hen in de gelegenheid hebben gesteld daarover opmerkingen te maken (7.5.5.5)
De secretarissen van de Ondernemingskamer zijn beschikbaar om vragen van de onderzoekers te beantwoorden. De communicatie tussen de onderzoekers en de secretaris is vertrouwelijk. De secretarissen bespreken de inhoud van hun communicatie met de onderzoekers, en niet met de Ondernemingskamer of de raadsheer-commissaris (7.5.8.8)
De onderzoekers communiceren met de raadsheer-commissaris gedurende het onderzoek uitsluitend over het verzoek tot het geven van een aanwijzing als bedoeld in artikel 2:350 lid 4 BW en het geven van een bevel als bedoeld in artikel 2:352 BW. De raadsheer-commissaris bepaalt aan wie de onderzoekers een afschrift van hun correspondentie moeten sturen (7.5.8.8)
De correspondentie tussen de raadsheer-commissaris, de onderzoekers en partijen maakt geen deel uit van het procesdossier. De Ondernemingskamer neemt hiervan geen kennis, tenzij deze correspondentie voor alle partijen kenbaar is (7.5.8.8)
De onderzoekers sturen, tenzij de Ondernemingskamer anders bepaalt, een afschrift van alle correspondentie met de Ondernemingskamer aan degenen die zij als partij bij het onderzoek hebben aangemerkt, met uitzondering van het verslag, dat zij uitsluitend aan de Ondernemingskamer sturen (7.5.8.8)
De onderzoekers communiceren met door de Ondernemingskamer benoemde functionarissen niet over de inhoud en voortgang van het onderzoek, behalve schriftelijk en met afschrift aan degenen die zij als partij bij het onderzoek hebben aangemerkt. Het bepaalde in de vorige zin is niet van toepassing op de communicatie tussen de onderzoekers en een door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder van de rechtspersoon. Daarvoor gelden dezelfde regels als voor de communicatie van de onderzoekers met de rechtspersoon (7.5.8.8)
Indien partijen bij het onderzoek worden bijgestaan door een advocaat, communiceren de onderzoekers met de advocaat van die partij, behoudens indien de onderzoekers met die partij daarover een andere afspraak hebben gemaakt (7.5.8.8)
De inhoud van de communicatie tussen de onderzoekers en een partij is in beginsel vertrouwelijk, onverminderd de bevoegdheid van de onderzoekers deze informatie te vermelden in het onderzoeksverslag of een tussentijds verslag en toegezonden informatie als bijlage daarbij op te nemen. Uitzonderingen op deze regel zijn denkbaar (7.5.8.8)
De communicatie tussen de onderzoekers en derden is vertrouwelijk (7.5.8.8)
De onderzoekers leggen in het onderzoeksverslag op hoofdlijnen verantwoording af over de wijze waarop zij met partijen, de Ondernemingskamer en de raadsheer-commissaris hebben gecommuniceerd. Over communicatie met de secretarissen van de Ondernemingskamer zijn de onderzoekers geen verantwoording verschuldigd (7.5.8.8; 10.4.4.6)
De onderzoekers stellen in iedere grotere enquête een plan van aanpak op (7.6.3.2)
Het plan van aanpak bevat in ieder geval de elementen genoemd in § 7.6.3.4 (7.6.3.4)
De onderzoekers gebruiken informatie verkregen in informele gesprekken niet ter onderbouwing van bevindingen in het verslag (7.6.6.7)
De onderzoekers stellen in formele gesprekken geen suggestieve vragen, om de indruk te vermijden dat zij vooringenomen zijn (7.6.6.7)
Indien de onderzoekers een persoon in een formeel gesprek documenten tonen of andere informatie voorhouden die zij tijdens het onderzoek hebben verkregen, doen zij dat volledig, of op een zodanige wijze dat ook de context voor de gehoorde persoon duidelijk is (7.6.6.7)
Tijdens een formeel gesprek heeft de gehoorde persoon het recht zich door een advocaat te zijner keuze te laten bijstaan (7.6.6.7)
Indien de onderzoekers een formeel gesprek audiovisueel opnemen, bewaren zij deze opname in het onderzoeksdossier (7.6.6.7)
Indien de onderzoekers zelf geen audiovisuele opnamen maken van een formeel gesprek, geven zij de gehoorde persoon in beginsel toestemming om zelf een opname van het gesprek te maken. De onderzoekers kunnen in het belang van het onderzoek aan deze toestemming voorwaarden verbinden (7.6.6.7)
De onderzoekers stellen in beginsel een schriftelijk verslag op van elk formeel gesprek, waarin ten minste een zakelijke samenvatting van de verklaring van de gehoorde persoon is opgenomen (7.6.6.7)
De gehoorde persoon heeft het recht het schriftelijke verslag van het formele gesprek in te zien en correcties voor te stellen. De onderzoekers zijn gehouden de gehoorde persoon daartoe inzage te geven in een eventuele audiovisuele opname van het gesprek. De gehoorde persoon heeft recht op een afschrift van het gespreksverslag. In het belang van het onderzoek kunnen de onderzoekers besluiten de gehoorde persoon eerst aan het einde van het onderzoek een afschrift van zijn verklaring te geven. Indien de onderzoekers geen schriftelijk verslag van het formele gesprek hebben opgesteld, maar wel een audiovisuele opname van het gesprek hebben gemaakt, geven zij de gehoorde persoon na afronding van het onderzoek daarvan een kopie, zodat hij kan nagaan wat hij heeft verklaard (7.6.6.7)
De onderzoekers stellen de verwerende partijen in de gelegenheid om een schriftelijke zienswijze in te dienen, indien het kennelijke doel dat de verzoeker met het onderzoek beoogt het verkrijgen van schadevergoeding van de rechtspersoon of zijn (voormalige) bestuurders of commissarissen is. In andere enquêtes staat het partijen vrij om een schriftelijke zienswijze in te dienen (7.6.7.2)
Een tot het verstrekken van inlichtingen verplichte partij die geen gevolg geeft aan een herhaald verzoek van de onderzoekers om mee te werken aan een formeel gesprek, verwerkt haar recht om opmerkingen te maken op het conceptverslag. De onderzoekers wijzen de weigerachtige partij erop dat zij haar recht op wederhoor verspeelt als zij weigert zich door hen te laten interviewen (7.6.9.8)
Indien de onderzoekers kennisnemen van ex post genomen maatregelen om herhaling van de gebeurtenissen die zij onderzoeken te voorkomen, nemen zij daarover niets in het verslag op (8.12.2)
De bevoegdheden van de raadsheer-commissaris en de bij het uitoefenen daarvan in acht te nemen procedure worden uitgewerkt (9.4.2.4)
De raadsheer-commissaris kan de onderzoekers een aanwijzing geven om de omvang van het onderzoek te beperken (9.4.4.3)
De onderzoekers kunnen de raadsheer-commissaris vragen om hun een aanwijzing te geven het onderzoek op te schorten wanneer partijen daarom vragen (9.4.4.12)
De procedure om de raadsheer-commissaris te vragen om de onderzoekers een aanwijzing te geven wordt uitgewerkt (9.5)
Het verslag voldoet aan de in § 10.3 opgenomen algemene beginselen waaraan een behoorlijk verslag moet voldoen (10.3.1)
De onderzoekers betrekken bij de wijze waarop zij in het verslag omgaan met vertrouwelijke informatie de in § 10.3.4 genoemde gezichtspunten (10.3.4)
De onderzoekers betrekken bij hun beslissing al dan niet brondocumenten te hechten aan het verslag de in § 10.3.5.2 genoemde vuistregels (10.3.5.2)
Indien er meer dan één onderzoeker is benoemd, verklaren de onderzoekers in het verslag dat zij het verslag integraal onderschrijven dan wel dat zij op een of meer punten een voorbehoud maken (10.3.10)
De onderzoekers dateren en ondertekenen het verslag alvorens zij het verslag ter griffie inleveren (10.3.11)
De onderzoekers kunnen volstaan met het bijvoegen van een beschrijving van de belangrijkste documenten die zij hebben geraadpleegd, zonder naar volledigheid te streven. Aandachtspunt 4.2 wordt genuanceerd (10.4.5.5)
In Aandachtspunt 4.7 wordt ook een verwijzing naar de ECB en de AFM opgenomen (11.2.3)
De onderzoekers leveren minimaal één door hen ondertekend verslag ter griffie in. De griffier van de Ondernemingskamer kan de onderzoekers verzoeken meerdere exemplaren van het verslag in te leveren. Over het tijdstip en de wijze van inleveren overleggen de onderzoekers met de secretarissen van de Ondernemingskamer. Als de onderzoeker of een van de onderzoekers niet in staat is het verslag te ondertekenen, wordt daarvan melding gemaakt in het verslag (11.2.5; 11.2.8)
De griffier plaatst een stempel van binnenkomst op het ingeleverde exemplaar van het verslag (11.2.8)
Met het oog op de verwerking van het verslag in een eventuele tweedefasebeschikking leveren de onderzoekers ook een elektronische versie van het verslag ter griffie in (11.2.8)
De onderzoekers zenden niet zelf een afschrift van het verslag aan partijen, maar laten dit over aan de griffier (11.2.8)
De griffier zendt onverwijld een afschrift van het verslag aan de oorspronkelijke verzoeker(s), de rechtspersoon, de advocaat-generaal en, indien van toepassing, DNB, de ECB en/of de AFM. Als de Ondernemingskamer heeft bepaald dat het verslag voor specifiek genoemde belanghebbenden ter inzage ligt, stuurt de griffier ook aan deze partijen een afschrift van het verslag (11.2.8)
Bij de toezending van het verslag aan partijen vermeldt de griffier op welke datum de onderzoekers het verslag ter griffie hebben ingeleverd. Verder wijst de griffier erop dat het verslag vertrouwelijk is en anderen dan de rechtspersoon hieruit in beginsel geen mededelingen aan derden mogen doen (11.2.8)
Indien het onderzoek een effecten uitgevende onderneming betreft, zendt de griffier het verslag naar partijen na sluiting van de beurs, zodat de rechtspersoon de gelegenheid heeft voor opening van de beurs een persbericht uit te geven (11.2.8)
De griffier plaatst op de website van de Ondernemingskamer een mededeling op welke dag het verslag van het onderzoek ter griffie is ingeleverd (11.2.8)
Indien het verslag, of een deel daarvan, door de Ondernemingskamer voor eenieder ter inzage wordt gelegd, publiceert de Ondernemingskamer het verslag, of het relevante gedeelte daarvan, op haar website (11.2.8)
De Ondernemingskamer verduidelijkt in welke gevallen geen machtiging voor het doen van mededelingen uit het verslag nodig is en welke criteria de voorzitter bij zijn beslissing om machtiging te verlenen tot het doen van mededelingen uit het verslag hanteert, zodat belanghebbenden kunnen beoordelen wanneer het niet nodig is of geen zin heeft om een verzoek tot machtiging tot het doen van mededelingen uit het verslag te doen (11.4.3)
De onderzoekers bewaren het dossier ten minste tot de tweedefaseprocedure is afgerond of, mocht een dergelijk verzoek niet worden ingediend, tot zes maanden nadien (11.6.3)
Overige suggesties
De Ondernemingskamer en de Hoge Raad moeten scherper onderscheid maken tussen de diverse typen enquêteprocedures (1.3.5; 2.4.3)
De Ondernemingskamer moet beter sturing geven aan het onderzoek door, waar mogelijk, de onderzoeksopdracht specifieker te formuleren (2.3.4)
De Ondernemingskamer moet met betrekking tot alle aangevoerde bezwaren en suggesties van belanghebbenden beslissen of zij onderdeel uitmaken van de onderzoeksopdracht (2.3.4)
De Ondernemingskamer moet terughoudend zijn met het geven van een opdracht aan de onderzoekers om vast te stellen bij wie de verantwoordelijkheid voor mogelijk wanbeleid berust (2.3.5.3)
De Ondernemingskamer moet alleen de onderzoekers de opdracht geven om te bemiddelen tussen partijen als er geen alternatieven zijn om een schikking tussen partijen te bevorderen (2.3.5.4)
Om in een kleine enquête de voortgang van het onderzoek te bevorderen, moet de Ondernemingskamer de onderzoekers een termijn stellen waarbinnen het verslag ter griffie moet worden ingeleverd. In een grotere en inquisitoire enquête draagt de Ondernemingskamer de onderzoekers op binnen een door haar te stellen termijn een plan van aanpak op te stellen (2.3.7)
De Ondernemingskamer stelt een formulier op waarop partijen kenbaar kunnen maken wat hun visie is op de omvang van het te gelasten onderzoek en de te benoemen onderzoekers (2.7; 3.6)
De Stichting Rimari moet het initiatief nemen om een basisopleiding voor onderzoekers (en andere OK-functionarissen) op te zetten (3.4)
De lijst van mogelijk te benoemen onderzoekers in de enquêteprocedure moet openbaar worden gemaakt, onverminderd de bevoegdheid van de Ondernemingskamer om ook personen tot onderzoeker te benoemen die niet op de lijst staan. Als er een basisopleiding voor onderzoekers is gekomen, is het gevolgd hebben van die opleiding een voorwaarde voor opname op deze lijst (3.5)
Iedere onderzoeker wordt verplicht zijn opdracht schriftelijk te aanvaarden en daarbij te verklaren dat hij (i) onafhankelijk is en (ii) dat hij zijn opdracht onpartijdig en naar beste weten zal volbrengen (3.9)
De Ondernemingskamer gelast geen onderzoek, of beëindigt een reeds gelast onderzoek, als op voorhand vaststaat dat het onderzoek door een ontoereikend onderzoeksbudget niet evenwichtig kan zijn (4.8.2)
Als de Ondernemingskamer tracht te bevorderen dat partijen een schikking bereiken, probeert zij dit te doen zonder de onderzoekers daarbij te betrekken (5.4.6)
De Leidraad deskundigen in civiele zaken en de Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken moeten worden geïntegreerd (7.2.3)
De raadsheer-commissaris kan op verzoek van partijen of ambtshalve een comparitie van partijen gelasten waarbij een gebrek aan voortgang van het onderzoek kan worden besproken (9.4.4.6)
De raadsheer-commissaris evalueert met de onderzoekers na de beëindiging van het onderzoek hoe dit is verlopen en geeft feedback aan de onderzoekers. De raadsheer-commissaris bewaakt daarbij zijn onafhankelijkheid en onpartijdigheid (9.4.4.18)
De onderzoekers moeten heel terughoudend zijn met het ‘vaststellen’ van bepaalde feiten op basis van vermoedens (10.3.3) 17. De Ondernemingskamer dient terug te komen op haar jurisprudentie waarin zij bepaalt dat de griffier het verslag ter griffie inlevert (11.2.5) 18. De Ondernemingskamer specificeert voor welke belanghebbenden het verslag ter inzage ligt (11.3.6)