Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/8.5
8.5 Oordelen die kunnen worden beïnvloed door hindsight bias
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS450673:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Rachlinski 1998, p. 590-594.
Ik merk op dat het onderscheid tussen deze drie categorieën niet altijd even duidelijk is te maken. De subjectieve en de objectieve standaard worden vaak nevengeschikt gebruikt (“wist of behoorde te weten”). Verder converteert de rechter soms een beoordeling van objectieve wetenschap in een beoordeling van de voorzienbaarheid. Dat is wat de Hoge Raad heeft gedaan in ABN Amro/Van Dooren q.q. III: het oordeel over de objectieve wetenschap (behoorde ABN Amro te weten dat de crediteuren van Hendriks zouden worden benadeeld door de transactie) heeft hij geconverteerd in een oordeel over de voorzienbaarheid van het faillissement van Hendriks (was ten tijde van de rechtshandeling het faillissement van de schuldenaar en het tekort daarin met een redelijke mate van waarschijnlijkheid te voorzien). Zie HR 22 december 2009, NJ 2010/273, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2011/19, m.nt. N.E.D. Faber (ABN Amro/Van Dooren q.q.). Het lijkt erop dat de Hoge Raad de lessen van Köster over de ongeschiktheid van het voorzienbaarheidscriterium weer is vergeten. Ofschoon zijn betoog vooral betrekking had op het causale verband tussen onrechtmatige daad en schadevergoeding, bespreekt Köster ook de problemen die het voorzienbaarheidscriterium oproept bij de voorvraag of aansprakelijkheid bestaat. Zie Köster 1962, p. 6 en p. 9 en de 3 pagina’s tellende voetnoot 24.
Rachlinski 1998, p. 591.
Baron & Hershey 1988, p. 578.
Rachlinski 1998, p. 591.
Artikel 17 Verordening marktmisbruik (Verordening (EU) 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende machtsmisbruik en houdende intrekking van Richtlijn 2003/6/ EG (PbEU 2014, L 173/1). Ofschoon civiele en bestuursrechtelijke procedures meer aangewezen zijn om te beoordelen of de rechtspersoon effectenrechtelijke regels heeft overtreden, kan dit ook in het onderzoek aan de orde komen. Zie § 5.3.3.
Rachlinski 1998, p. 592, wijst erop dat als er schriftelijk bewijs is (notulen) van de afweging die het bestuur heeft gemaakt, de rechter daarop kan varen. Naar mijn mening is dat echter onvoldoende waarborg tegen het oordelen met hindsight bias. Als bijvoorbeeld het bestuur van de vennootschap heeft besloten om de resultaten van de volgende maand af te wachten om te bezien of er sprake is van een incident dan wel een negatieve trend, zal de rechter nog steeds moeten beoordelen of de vennootschap in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen. Merk op dat door de vraag zo te formuleren er, net als in het in voetnoot 45 besproken voorbeeld, weer conversie plaatsvindt van de beoordelingsmaatstaf, namelijk van een subjectieve standaard (wist) naar een objectieve standaard (behoorde te weten). Dat betekent dat de rechter toch de geobjectiveerde wetenschap van het bestuur moet beoordelen, met het daaraan inherente risico op oordelen met hindsight bias.
Rachlinski 1998, p. 593.
Althans in de visie van de verzoeker. De Ondernemingskamer zou ook kunnen beslissen dat zij typische ondernemingsbeslissingen niet kan toetsen. Zie hierna § 8.12.4.
Ex post oordelen die de onderzoekers (en in een tweedefaseprocedure de Ondernemingskamer) over ex ante handelingen van de rechtspersoon moeten geven, kunnen worden verdeeld in drie categorieën.1 In de eerste plaats zijn dit oordelen over de vraag of de rechtspersoon tijdens zijn handelen geobjectiveerde wetenschap had (“behoorde te weten”). In de tweede plaats zijn het oordelen over de vraag of de rechtspersoon bij zijn handelen subjectieve wetenschap had (“wist”). In de derde plaats betreft het oordelen over wat ten tijde van de handeling voor de rechtspersoon voor zienbaar was.2 Alle drie de categorieën oordelen kunnen door hindsight bias worden beïnvloed.
Wanneer een beoordelaar moet beoordelen wat de handelende partij wist of behoorde te weten, is er een aanzienlijk risico dat zijn oordeel door hindsight bias wordt beïnvloed. De reden daarvoor is de volgende. De beoordelaar moet bij deze toets het handelen van de partij beoordelen (heeft zij mogen handelen zoals zij heeft gedaan); niet de gevolgen van haar handelen. Helaas beoordelen mensen handelen altijd op basis van de gevolgen die het handelen heeft gehad:3 een toepassing van de heuristic dat een ongunstige uitkomst het gevolg is van een slechte beslissing.4 De (rechts)norm die de onderzoekers (en de Ondernemingskamer) dwingt om de geobjectiveerde wetenschap van de rechtspersoon vast te stellen (en voor het aannemen van een dergelijke rechtsgrond kunnen op zich goede gronden zijn), brengt daarom vrijwel onvermijdelijk mee dat de onderzoekers (en de Ondernemingskamer) onder invloed van hindsight bias moeten oordelen.5
Ook een oordeel of de rechtspersoon subjectieve wetenschap had, kan door hindsight bias worden beïnvloed. De onderzoekers zouden kunnen aannemen dat iets wat nu als voorspelbaar wordt beoordeeld, ook al door de rechtspersoon ten tijde van het handelen voorspeld had kunnen worden. Als voorbeeld noem ik de verplichting om koersgevoelige informatie onverwijld bekend te maken.6 Deze verplichting is aanwezig indien de effecten uitgevende instelling bekend is (niet: bekend behoort te zijn) met concrete informatie die rechtstreeks op haarzelf betrekking heeft, die niet openbaar is en waarvan openbaarmaking een significant effect op de koers van de door haar uitgegeven effecten kan hebben. Zo is bijvoorbeeld een effecten uit gevende onderneming verplicht een winstwaarschuwing te publiceren als zij verwacht dat haar (kwartaal)resultaten substantieel lager zijn dan de marktverwachting. Het is voor het bestuur van de onderneming echter niet eenvoudig om vast te stellen of een tegenvallend maandresultaat het gevolg is van toevallige omstandigheden, die eenmalig zijn, dan wel het begin is van een periode met structureel slechtere resultaten. De onderzoekers (en de Ondernemingskamer), die achteraf worden geroepen te oordelen of de onderneming te laat een winstwaarschuwing heeft gegeven, doen dat in de wetenschap dat de resultaten van de onderneming structureel zijn verslechterd (anders zou de vraag immers nooit aan hen zijn voorgelegd). Hun oordeel is daarom bij uitstek vatbaar voor hindsight bias.7
Er zijn tal van rechtsvragen die van de onderzoekers verlangen vast te stellen wat voorzienbaar was. Het onderscheid tussen “behoorde te weten” en “voorzienbaar” is gradueel. Bij voorzienbaarheid is doorgaans sprake van een reeks van mogelijke uitkomsten, en gaat het niet om de waarschijnlijkheid van één mogelijke uitkomst.8 Een voorbeeld is de vraag of een mislukte fusie of overname door een onderneming als wanbeleid valt te kwalificeren. Als die vraag door de onderzoekers als uitvloeisel van de onderzoeksopdracht moet worden beantwoord, zal de verzoeker in de enquête-procedure betogen dat de mislukking voorzienbaar was en daarom de overname als wanbeleid moet worden gekwalificeerd. De onderzoekers moeten dan dus beoordelen of de mislukking van de overname voorzienbaar was.9 Echter, als bekend is dat de fusie of overname is mislukt, lijkt de mislukking zowel onvermijdelijker als voorzienbaarder (twee van de drie componenten van hindsight bias). Het ligt daarom voor de hand dat hindsight bias de uitkomst voorzienbaarder maakt dan bij een ex ante beoordeling het geval zou zijn geweest.