Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/8.1
8.1 Inleiding
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS451834:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 2.4.2.
OK 2 november 2015, JOR 2016/61, m.nt. P. van Schilfgaarde, AA 2016, afl. 3, p. 191-200, m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers (Meavita).
OK 5 april 2012, JOR 2013/41, m.nt. C.D.J. Bulten (Ageas (voorheen Fortis)) en HR 6 december 2013, NJ 2014/167, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2014/65, m.nt. M. Holtzer (Ageas (voorheen Fortis)).
OK 6 januari 2005, JOR 2005/6, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Ahold).
Waarmee ik niet wil betogen dat er psychologisch geen verschil is tussen handelen en nalaten. De omission bias (de neiging om bij risicovolle alternatieven de voorkeur te geven aan niet-hande-len boven handelen: vgl. Teichman & Zamir 2014, p. 673-675) kan een reden zijn waarom ingrijpen achterwege blijft terwijl dat wel zou zijn geboden. In deze bijdrage ga ik echter niet in op denkfouten van ondernemingen, maar van onderzoekers en rechters.
Dit probleem speelt niet alleen in het onderzoek. Ook rechters, de Ondernemingskamer in de enquêteprocedure daaronder begrepen, oordelen vaak met kennis van de onfortuinlijke afloop van het handelen van de onderneming.
In nr. 32 van het verslag over de Van der Moolen-enquête merken de onderzoekers op dat zij “zich ervan bewust zijn dat with the benefit of hindsight signalen makkelijker geïnterpreteerd kunnen worden als duidend op onregelmatigheden of onvolkomenheden dan in een eerdere periode het geval zou zijn geweest. Onderzoekers hebben echter steeds getracht niet hinein te interpreteren.” Uit het verslag blijkt niet of onderzoekers dit op eigen initiatief hebben opgemerkt of dat dit is gebeurd naar aanleiding van opmerkingen van belanghebbenden. Deze opmerking hebben de onderzoekers in de Meavita-enquête letterlijk overgenomen: zie nr. 1.65 van het Meavita-verslag. In nr. 67 van het Fortis-verslag hebben de onderzoekers opgemerkt dat zij “zich bij het onderzoek sterk bewust zijn geweest van het risico van hindsight bias en zich hier voortdurend rekenschap van hebben gegeven. Om zich zoveel mogelijk te behoeden voor een situatie dat met de wetenschap van achteraf de vastgestelde feiten en omstandigheden zouden worden beoordeeld, hebben de onderzoekers wetenschappelijke publicaties bestudeerd en tot zich genomen waarin methoden worden beschreven om hindsight bias zo goed mogelijk te vermijden.” Uit het verslag blijkt niet welke publicaties de onder zoekers hebben bestudeerd en wat zij nu precies hebben gedaan om een oordeel met hindsight bias te vermijden.
Giard 2016, p. 84.
Merckelbach 2016, p. 1763.
Zie bijvoorbeeld Kamin & Rachlinski 1995; Rachlinski 1998, p. 580 (met verdere verwijzingen in voetnoot 30) en p. 588-590; Peters 1999, p. 1277; Teichman & Zamir 2014; Deelen 2015; Giard 2016; Deelen 2016.
Peters 1999, p. 1285 met verdere literatuurverwijzingen. Vgl. voor een neuropsychologische verklaring Van Toor, Soeharno & Smits 2013.
Jansen & Aelen 2015; Ottow 2015; Eeuwijk e.a. 2015.
Vgl. bijvoorbeeld OK 5 april 2012, JOR 2013/41, m.nt. C.D.J. Bulten (Ageas (voorheen Fortis)), r.o. 4.5; HR 6 december 2013, NJ 2014/167, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2014/65, m.nt. M. Holtzer (Ageas (voorheen Fortis)), r.o. 4.2.1-4.2.3 en OK 2 november 2015, JOR 2016/61, m.nt. P. van Schilfgaarde, AA 2016, afl. 3, p. 191-200, m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers (Meavita), r.o. 3.2.
Uitzonderingen zijn denkbaar. In antagonistische enquêtes kan ook het (voorgenomen) handelen van een aandeelhouder voorwerp van onderzoek zijn. In dat geval moet de rechter ook met wetenschap achteraf een oordeel geven over het handelen van de verzoeker.
Rachlinski 1998, p. 596; Peters 1999, p. 1277.
Rachlinski 1998, p. 573 en p. 596.
Vgl. Rachlinski 1998, p. 600-602; Peters 1999, p. 1284; Smith & Greene 2005, p. 522.
Vgl. voor een overzicht Gilovich, Griffin & Kahneman 2002; Klein & Mitchell 2010. Voor algemene beschouwingen in de Nederlandse literatuur verwijs ik naar Giard 2013a; Enneking, Giesen & Rijnhout 2013; Asser Procesrecht/Giesen 1 2015/482-495; Giard 2016.
Voor de goede orde merk ik op dat de rechter de vraag of de rechtspersoon mocht handelen zoals hij heeft gedaan soms converteert in een andere vraag, namelijk of een bepaald feit in de procedure is komen vast te staan. Zie mijn analyse van de Super de Boer-uitspraak in § 8.8.4 en toepassing van de rationele beslistheorie op deze casus in § 8.11.5 hierna.
De academische belangstelling voor de psychologie van de rechterlijke oordeelsvorming in het civiele recht neemt toe. Zie onder meer Van Boom 2003; Giard & Merckelbach 2009; Rachlinski 2012a; Enneking, Giesen & Rijnhout 2013; Van Toor, Soeharno & Smits 2013; Eeuwijk e.a. 2015; Vink 2015; Asser Procesrecht/Giesen 1 2015/482-495; Giard 2016; Deelen 2016. Ik heb echter niet de indruk dat deze literatuur tot veel praktijkjuristen is doorgedrongen, laat staan dat zij hun werkwijze aan dat inzicht hebben aangepast.
De meeste mensen denken dat zij complexe fenomenen in de wereld om zich heen in veel meer detail begrijpen dan werkelijk het geval is. Dit is de illusion of explanatory depth. Zie hierover Keil 2008.
Omdat de onderzoeksperiode in beginsel eindigt op de datum van de beschikking waarbij de Ondernemingskamer het onderzoek heeft gelast,1 beoordelen de onderzoekers het handelen of nalaten van ondernemingen altijd achteraf. Daarbij is er sprake van een ongunstige afloop: anders zijn er immers geen gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen en zou de enquête niet zijn gelast. In een curatieve of antagonistische enquête kan het onderzoek mede, of zelfs vooral, toekomstgericht zijn (hoe kan orde op zaken worden gesteld respectievelijk hoe kan het geschil tussen de bij de rechtspersoon betrokkenen worden opgelost), maar in een inquisitoire enquête is dat per definitie niet het geval. Dan gaat het uitsluitend om het beoordelen van het handelen van de rechtspersoon in het verleden. Vragen die de onderzoekers dan zoal moeten beantwoorden, zijn de volgende:
Valt het besluit van twee inmiddels gefailleerde ondernemingen die zich bezighielden met de verlening van zorg en thuiszorg om te fuseren te kwalificeren als wanbeleid?2
Heeft de rechtspersoon misleidende mededelingen gedaan omtrent zijn solvabiliteit en zijn voornemen om aandelen te emitteren?3
Had de rechtspersoon door een dochtervennootschap gepleegde fraude eerder op het spoor kunnen komen?4
Wat deze vragen met elkaar gemeen hebben, is dat de onderzoekers geroepen worden een oordeel te geven over het handelen (waaronder ik in het navolgende mede begrijp: nalaten5) van een rechtspersoon en zijn organen met kennis van de ongunstige afloop. Zij oordelen met hindsight. De zorg van de rechtspersoon en zijn (voormalige) bestuurders en commissarissen is dan ook dat het oordeel van de onderzoekers wordt beïnvloed door de onfortuinlijke gevolgen van hun handelen.6 Als de rechtspersoon of belanghebbenden hun zorg uitspreken dat de onderzoekers met kennis van de ongunstige afloop oordelen en hun oordeel daardoor wordt beïnvloed, is, enigszins geparafraseerd, het standaardantwoord van de onderzoekers: ‘Wij zijn ons bewust van het risico van hindsight bias en omdat wij ons van dat risico bewust zijn, wordt ons oordeel hierdoor niet beïnvloed.’7 Dit standaardantwoord overtuigt niet. Het is, zoals Giard het fraai formuleert, eerder een wensdroom dan dat het getuigt van werkelijkheidszin.8 Merckelbach formuleert het nog pregnanter: “Zeggen dat je als deskundige immuun bent voor cognitive biases, betekent dat je het probleem niet snapt.”9
Er is namelijk overweldigend bewijs dat personen die tot oordelen zijn geroepen, zoals onderzoekers en rechters, zich niet van hindsight bias en andere denk- en redeneerfouten (hierna kortweg ‘denkfouten’) los kunnen maken en dat die denkfouten kunnen leiden tot onjuiste beslissingen.10 De reden daarvoor is dat het biasing-proces grotendeels onbewust en automatisch plaatsvindt.11
De laatste jaren is er bij onderzoeksraden en toezichthouders een toenemende aandacht voor het risico van denkfouten bij de uitvoering van onderzoeken en het houden van toezicht.12 Die aandacht ontbreekt nog grotendeels in de literatuur over het onderzoek in de enquêteprocedure en het deskundigenonderzoek in de civiele procedure. Wel hebben in de enquêteprocedures naar Fortis en Meavita de (voormalige) bestuurders en commissarissen van deze rechtspersonen en Fortis zelf op het risico van hindsight bias gewezen en hebben de Ondernemingskamer en de Hoge Raad (in Fortis) op die zorg gerespondeerd.13 Die reactie is, zoals ik in § 8.8.2 en § 8.8.3 zal aantonen, verre van overtuigend.
De vraag laat zich stellen of het niet zorgelijk is dat onderzoekers (en rechters) denken dat hun oordeel niet door hindsight bias wordt beïnvloed, terwijl dat waar-schijnlijk wél met regelmaat gebeurt. Uiteraard is het onwenselijk dat onderzoekers onder invloed van denkfouten tot een onjuist oordeel over het handelen van de onder-neming komen. Als de verzoeker tot de enquête en de verwerende partijen (de rechtspersoon en zijn (voormalige) bestuurders en commissarissen) daarvan in gelijke mate last zouden hebben, zou daar wellicht nog overheen te stappen zijn. Onderzoekers (en raadsheren en raden in de Ondernemingskamer) zijn mensen en mensen maken nu eenmaal fouten. Verzoeker en verweerders hebben daar echter niet evenveel last van. Beslissingen die worden genomen onder invloed van hindsight bias vallen vrij wel altijd in het nadeel van de verwerende partijen uit. De reden is dat in dit soort procedures doorgaans alleen het gedrag van de rechtspersoon en de personen door wie deze handelt aan de orde is. De verzoeker tot de enquête, bijvoorbeeld een aandeelhouder of een curator, is doorgaans niet betrokken geweest bij het handelen dat door de onderzoekers en, in de tweedefaseprocedure, door de Ondernemingskamer wordt getoetst.14 Een beslissing onder invloed van hindsight bias is om die reden te beschouwen als een systematische fout.15 Ofschoon in de context van een enquêteprocedure niet direct relevant, is een van de daaraan verbonden risico’s bijvoorbeeld dat wat rechtens een schuldaansprakelijkheid is, feitelijk wordt geconverteerd in een risicoaansprakelijkheid.16
Omdat oordelen die tot stand komen onder invloed van hindsight bias systematisch in het nadeel van de verweerders uitpakken, tasten deze het rechtvaardigheidsgevoel van verweerders (en hun advocaten) aan.17 Het gevoel niet rechtvaardig te zijn behandeld, roept soms heftige emoties op.
In dit hoofdstuk vraag ik aandacht voor de psychologie van de oordeelsvorming door onderzoekers en, bij de beoordeling of er sprake is van wanbeleid, door de Ondernemingskamer.18 Bij de beoordeling van het handelen van rechtspersonen staat doorgaans vast hoe de rechtspersoon heeft gehandeld. De vraag die in eerste instantie de onderzoekers, en in de tweede fase van de enquêteprocedure de Ondernemingskamer, moeten beantwoorden is een normatieve: heeft de rechtspersoon mogen handelen zoals hij heeft gehandeld?19 Aangezien rechtspersonen door tussenkomst van natuurlijke personen aan het maatschappelijk verkeer deelnemen, wordt het antwoord op deze vraag snel verplaatst naar – en verward met – een oordeel over het gedrag van individuen. In de enquêteprocedure gaat het dan om de vraag wie voor gebleken wan beleid verantwoordelijk is en of verhaal van de kosten van het onderzoek op (voormalige) bestuurders en commissarissen mogelijk is. In eventuele vervolgprocedures kan het ook gaan om de aansprakelijkheid van deze individuen.
De vraag waar praktijkjuristen zich dan ook in zouden moeten verdiepen is deze: hoe wordt de beoordeling van het handelen van de rechtspersoon door de onderzoekers en de Ondernemingskamer door denkfouten beïnvloed en hoe kunnen die denkfouten worden voorkomen?20 Deze oproep richt zich zeker niet alleen tot de onderzoekers en de Ondernemingskamer. Advocaten van de rechtspersoon en zijn (voormalige) bestuurders en commissarissen moeten de hand ook in eigen boezem steken. Als zij al aandacht vragen voor het fenomeen hindsight bias, gaat dit zelden verder dan de opmerking dat alleen met hindsight de handelwijze van de rechtspersoon en zijn (voormalige) bestuurders en commissarissen als onjuist kan worden gekwalificeerd. Een dergelijk verweer is natuurlijk niet effectief. Als de onderzoekers – ook al is dat ten onrechte – denken dat hun oordeel niet door hindsight bias wordt beïnvloed, zullen zij dit betoog naast zich neerleggen. Willen advocaten de onderzoekers en in hun voetspoor de Ondernemingskamer daadwerkelijk behoeden voor denkfouten, dan zullen zij moeten uitleggen hoe in de desbetreffende zaak de ongunstige afloop het oordeel van de onderzoekers respectievelijk de Ondernemingskamer kan beïnvloeden en welke maatregelen zij kunnen nemen om een oordeel met hindsight bias te voorkomen.
In het navolgende bespreek ik eerst wat hindsight bias is, hoe hindsight bias ontstaat en hoe de bias het oordeel van degene die tot oordelen is geroepen, kan beïnvloeden(§ 8.2-8.7). Vervolgens ga ik in op hindsight bias in de Nederlandse rechtspraak(§ 8.8). Daarna bespreek ik de strategieën die de onderzoekers en de Ondernemingskamer kunnen hanteren om de invloed van hindsight bias op hun beoordeling van het handelen van de rechtspersoon te voorkomen, althans zoveel mogelijk te verminderen (§ 8.9-8.12). Ik eindig met enkele concluderende opmerkingen (§ 8.13).
Bij dit alles behoort de caveat dat ik geen (rechts)psycholoog ben en dat de hiernavolgende beschouwing voortbouwt op mijn interpretatie van de (rechts)psychologische literatuur die ik heb geraadpleegd. Ik kan daarbij zeer wel in de valkuil van de illusion of explanatory depth zijn getrapt.21