Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/8.8.3
8.8.3 Meavita
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS457855:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
OK 2 november 2015, JOR 2016/61, m.nt. P. van Schilfgaarde, AA 2016, afl. 3, p. 191-200, m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers (Meavita), r.o. 3.2. Zie over deze uitspraak ook kritisch Assink & Kroeze 2016, p. 75-78; Van der Zanden & Van der Sangen 2016; Deelen 2016.
De Ondernemingskamer beroept zich in haar uitspraak diverse keren op de Zorgbrede Governancecode. Zie r.o. 6.23-6.25, 6.30, 6.36 en 13.19.
Mij valt op dat de Ondernemingskamer waar de onderzoekers de door haarzelf opgestelde Aandachtspunten niet hebben gevolgd, zij het niet-bindende karakter daarvan benadrukt (r.o. 3.3 en 3.5), terwijl zij streng oordeelt over het niet-naleven van de best practices in de Zorgbrede Governancecode door Meavita. Dit heeft iets weg van het meten met twee maten.
OK 2 november 2015, AA 2016, afl. 3, p. 199-200, m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers (Meavita).
Ook in de Meavita-enquête hebben de bestuurders en commissarissen gewezen op het risico dat hindsight bias het oordeel beïnvloedt.1 De Ondernemingskamer erkende in haar uitspraak dat het risico bestaat dat een rechter zich laat beïnvloeden door de feitelijke uitkomst, maar dat het inherent is aan de taak van de rechter dat hij terugblikt: hij beoordeelt nu eenmaal handelen uit het verleden. Zij was er, naar eigen zeggen, vanzelfsprekend op attent het handelen en nalaten van verweersters, hun organen en degenen die daarvan deel uitmaakten, te beoordelen naar de maatstaven die golden ten tijde van dat handelen of nalaten en aan de hand van de kennis en ervaring die verweersters, hun organen en degenen die daarvan deel uitmaakten toen hadden of behoorden te hebben. Vervolgens merkte de Ondernemingskamer “terzijde” op dat sommige verwijten van de vakorganisaties en de curatoren betrekking hadden op procedurele aspecten, zoals het opstellen van profielen voor functies, het op gezette tijden houden van functionerings- en beoordelingsgesprekken en het informeren van commissarissen. Vervolgens overwoog de Ondernemingskamer:
“Men zou kunnen opmerken, dat het in de praktijk wel vaker voorkomt dat dergelijke procedurele normen niet worden nageleefd. Dat moge zo zijn. In die gevallen waar dat – ondanks het tekort of soms juist dóór dat tekort – tot een gunstig resultaat leidt, zal er doorgaans geen reden zijn om stil te staan bij de vraag of het desbetreffende beleid wegens dat tekort onjuist was. In zekere zin is dàt – ten voordele van de betrokkenen – een toepassing van hindsight bias: de uitkomst is gunstig en niemand klaagt. Dat geldt zelfs in het geval van een “gok”; een gok die goed uitpakt wordt vaak gewaardeerd,maar of het verantwoord beleid was, is een andere vraag. In die gevallen echter waarin de niet naleving van dergelijke normen niet succesvol is en, integendeel, (ernstig) nadeel oplevert, kan dat de verantwoordelijken wel degelijk worden voorgehouden. Dat is– natuurlijk: achteraf kijkend – geen hindsight bias, maar eenvoudig toepassing van de norm. Voor de gegrondheid van het te maken verwijt is het daarbij niet noodzakelijk dat er causaal verband bestaat tussen de niet naleving en het uitblijven van succes of het optreden van nadeel. De niet naleving op zichzelf kan – uiteraard afhankelijk van de omstandigheden – onjuist beleid opleveren, al zullen de concreet optredende gevolgen vaak wel een rol spelen bij de beoordeling van (de ernst van) het verwijt.”
Wat de Ondernemingskamer hier doet is, ietwat anders geformuleerd, de frase uit de Fortis-uitspraak dat wat voor de een hindsight is, voor de ander foresight behoort te zijn, herhalen. Het enige wat zij hieraan toevoegt, is dat als een onzorgvuldige rechtspersoon de dans ontspringt omdat het risico zich niet heeft gemanifesteerd, dat niet betekent dat zij zorgvuldig is geweest. Dat laatste is natuurlijk juist, maar heeft niets te maken met het voorkomen van hindsight bias. Hindsight bias kan immers alleen optreden als er sprake is van een ongunstige uitkomst. Daarvan was in de Meavita-zaak sprake, maar in het door de Ondernemingskamer gegeven voorbeeld ontbreekt die ongunstige uitkomst juist.
Het tweede punt dat opvalt, is dat de Ondernemingskamer alleen maar ingaat op het risico van hindsight bias bij haar oordeel over het niet-naleven van procedurele normen, zoals bijvoorbeeld vastgelegd in de Zorgbrede Governancecode en de daarop gebaseerde Governancecode van Meavita.2 Daarbij miskent de Ondernemingskamer dat het hier gaat om best practices, waarvan afwijking mogelijk is (pas toe of leg uit).3 Het feit dat er sprake is van een gefuseerde onderneming kan bijvoorbeeld een reden zijn om wat betreft de samenstelling van de organen van de gefuseerde rechtspersoon af te wijken van de best practices. Verder is het van belang om zich te realiseren dat de belangrijkste beslissingen die in de Meavita-zaak door de vakorganisaties en de curatoren aan de Ondernemingskamer ter toets werden voorgelegd, ondernemingsbeslissingen waren en geen procedurele beslissingen. Zoals Raaijmakers in zijn annotatie in Ars Aequi terecht opmerkt, mist de Ondernemingskamer met haar zienswijze over een ‘gok’ de kern van het ondernemen.4 Anders dan de Amerikaanse rechter in Joy v. North et al., geciteerd in § 8.7, overschat zij de rechterlijke competentie om een oordeel te geven over typische ondernemingsbeslissingen.