Rechtbank Noord-Nederland 8 maart 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:854.
HR, 11-07-2025, nr. 24/01341
ECLI:NL:HR:2025:1140
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
11-07-2025
- Zaaknummer
24/01341
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Arbeidsrecht (V)
Internationaal publiekrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1140, Uitspraak, Hoge Raad, 11‑07‑2025; (Cassatie, Beschikking)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2024:152
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:324
ECLI:NL:PHR:2025:324, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 14‑03‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1140
Beroepschrift, Hoge Raad, 08‑03‑2024
- Vindplaatsen
Sdu Nieuws Arbeidsrecht 2025/244
VAAN-AR-Updates.nl 2025-0886
AR-Updates.nl 2025-0886
JAR 2025/217
JIN 2025/114 met annotatie van mr. S.A. Slootweg
TRA 2025/97 met annotatie van D. Schwartz
JAR 2025/217
Uitspraak 11‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Ontslagrecht. Academische vrijheid. Vrijheid van meningsuiting (art. 10 EVRM). Werkneemster voert (ook in hoger beroep) aan dat sprake is van ongerechtvaardigde inbreuk op vrijheid van meningsuiting en academische vrijheid door samenhang met essay dat zij heeft gepubliceerd. Hof bekrachtigt ontbinding arbeidsovereenkomst door rechtbank op grond van verstoorde verhoudingen. Klachten van werkneemster dat hof art. 10 EVRM heeft miskend: ten onrechte is condicio sine qua non-verband geëist tussen uiting in essay en ontbindingsverzoek door middel van kwalificatie van essay als ‘essentiële schakel’; context academische vrijheid miskend; miskend dat reacties leidinggevenden op uiting in essay ook inbreuk vormen; chilling effect.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/01341
Datum 11 juli 2025
BESCHIKKING
In de zaak van
[de werkneemster] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: de werkneemster,
advocaat: S.F. Sagel,
tegen
RIJKSUNIVERSITEIT GRONINGEN,
gevestigd te Groningen,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de RUG,
advocaat: F.M. Dekker.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak 10244518 AR VERZ 22-92 van de rechtbank Noord-Nederland van 8 maart 2023;
b. de beschikking in de zaak 200.328.039 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 januari 2024.
De werkneemster heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De RUG heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de werkneemster mede door I.L.N. Timp.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot verwerping van het cassatieberoep.De advocaat van de werkneemster heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De werkneemster is in 2009 in dienst getreden bij de faculteit Gedragswetenschappen van de RUG en in 2013 overgestapt naar de faculteit Economie en Bedrijfskunde (hierna: FEB) van de RUG. Aldaar stroomde zij in als universitair docent 2 (UD2) en werd het zogenoemde ‘Tenure Track-beleid’ van toepassing. Dat is een loopbaanbeleid voor jonge wetenschappers waarin is opgenomen dat na ongeveer vijf jaar een benoeming tot universitair hoofddocent (hierna: UHD2) kan volgen als bepaalde doelen zijn behaald en positief advies is verkregen van de Commissie Interne Promotie (hierna: CIP), waarna het faculteitsbestuur beslist. Bij benoeming tot universitair hoofddocent 1 (hierna: UHD1) is de CIP niet betrokken, maar wel wanneer de medewerker ook een benoeming wenst tot adjunct-hoogleraar. In een aantal gevallen kan na maximaal zeven jaar in de positie van UHD een benoeming volgen tot hoogleraar. Naast de algemene kaders binnen de universiteit gelden per faculteit vastgelegde doelen, criteria en tussenstappen. Ook is er specifiek beleid voor vrouwelijk talent: het Rosalind Franklin Fellowship (hierna: RFF), dat zich met name richt op vrouwelijke buitenlandse wetenschappers.
(ii) De werkneemster is in 2013 ook aangesteld als fellow van het RFF. Afgesproken werd dat zij, na positief advies van de CIP, in 2015 kon promoveren tot universitair docent 1 (hierna: UD1) en dat per 1 december 2018, eveneens na advies van de CIP, zou worden beoordeeld of zij kon worden bevorderd tot UHD2. In juni 2015 is de werkneemster bevorderd tot UD1. In november 2015 vroeg zij, gesteund door haar leidinggevende, advies van de CIP voor bevordering tot UHD2. De CIP adviseerde positief met als aandachtspunt dat de werkneemster meer verbinding moet zoeken met het onderzoeksprogramma van FEB door een substantieel deel van haar publicaties te laten verschijnen in tijdschriften die zich richten op economie en bedrijfskunde. Het faculteitsbestuur heeft de werkneemster vervolgens bevorderd tot UHD2 per 15 december 2015, waarbij in de benoemingsbrief het aandachtspunt van de CIP is vermeld.
(iii) In een regulier resultaats- en ontwikkelingsgesprek (hierna: R&O-gesprek) tussen de werkneemster en haar leidinggevende in oktober 2017 heeft de leidinggevende opgemerkt dat de werkneemster moeilijkheden lijkt te ervaren met publicatie van haar werk in de ‘betere’ vakbladen, waarna de werkneemster heeft geantwoord dat zij, in lijn met het CIP-advies, daarvoor extra moeite zal doen door het afmaken en indienen van de acht in het gespreksverslag genoemde artikelen. De werkneemster heeft de ambitie uitgesproken om hoogleraar te worden.
(iv) De werkneemster heeft haar leidinggevende in juni 2018 om steun verzocht voor het aanvragen van promotie naar de functie UHD1. Daarop heeft de leidinggevende geantwoord dat hij overwegend positief was over de ontwikkeling van de werkneemster, maar dat zij nog niet voldeed aan de aandachtspunten in het CIP-advies uit 2015. De werkneemster erkende dat, maar gaf aan dat zij een aantal artikelen had ingediend bij gerenommeerde tijdschriften en goedkeuring verwachtte. De leidinggevende wilde die goedkeuring afwachten. De werkneemster kon zich daarin niet vinden. In het verslag van een volgend gesprek in juli 2018, waarbij ook een Human Resources-functionaris aanwezig was, staat dat de leidinggevende ziet dat de werkneemster aan de vereisten voor UHD1 voldoet, maar hij verwacht dat de CIP de werkneemster het advies geeft om nog even te wachten tot twee artikelen gepubliceerd zijn, waarmee hij wil voorkomen dat de werkneemster door een te vroege aanvraag beschadigd zou kunnen raken. Volgens de leidinggevende dacht een door hem vooraf geraadpleegde collega-hoogleraar er net zo over.
(v) De werkneemster heeft vervolgens bij Human Resources (hierna: HR) geklaagd dat de leidinggevende haar een promotie onthield en op 30 augustus 2018 een brief gezonden naar de decaan waarin zij de leidinggevende verwijt willekeurige eisen te stellen. Ook verwijt zij hem onware argumenten te gebruiken met het doel haar carrière te dwarsbomen. Het voelt voor haar als ‘scientific harassment’. Het argument dat de leidinggevende wil voorkomen dat zij ‘een bloedneus’ haalt, vindt zij buitengewoon kleinerend, seksistisch en ongepast.
(vi) De decaan heeft op 4 september 2018 met de werkneemster gesproken en besloten onderzoek naar de kwestie te doen. Drie hoogleraren zijn gehoord en hebben unaniem laten weten dat de leidinggevende de juiste lijn heeft gevolgd. Van de uitkomst is tijdens een gesprek mededeling gedaan aan de werkneemster, dat schriftelijk is bevestigd op 12 november 2018. Daarin staat dat het faculteitsbestuur op basis van het CIP-advies uit 2015 en het R&O-gesprek in 2017 heeft geconstateerd dat de leidinggevende zijn mening heeft gebaseerd op de gebruikelijke bevorderingsrichtlijn binnen FEB waarbij het CIP-advies en de R&O-beoordelingen centraal staan. Het faculteitsbestuur deelt de mening van de leidinggevende en heeft er veel vertrouwen in dat de werkneemster de stap naar UHD1 in de toekomst zal maken. De werkneemster heeft zelf de verwachting uitgesproken dat haar leidinggevende eind december 2018 een positief advies kan geven op basis van ontwikkelingen in haar publicaties. Afgesproken is dat de werkneemster contact opneemt met haar leidinggevende voor een gesprek, desgewenst met een mediator, en dat HR aanwezig zal zijn bij het volgende R&O-gesprek.
(vii) Tijdens het gesprek op 26 november 2018 tussen de werkneemster en haar leidinggevende, met daarbij aanwezig de HR-adviseur, is aan de orde gekomen dat de leidinggevende de beschuldigingen van de werkneemster over seksediscriminatie en ‘scientific harassment’ kwetsend heeft gevonden en dat het advies om te wachten met promotie ook door de twee vrouwelijke hoogleraren werd gedeeld. De werkneemster heeft haar beschuldigingen niet ingetrokken. Daarna heeft de werkneemster een andere hoogleraar benaderd voor advies over de gewenste promotie. Diens reactie was dat hij de beslissing van het faculteitsbestuur deelde.
(viii) In de periode tussen januari 2019 en mei 2019 heeft de leidinggevende driemaal vergeefs de werkneemster benaderd voor een te houden R&O-gesprek nadat eind 2018 haar verwachte publicaties waren verschenen. Daarmee kon, zoals de leidinggevende liet weten, de stap naar de volgende promotie worden gezet.
(ix) Op 5 juni 2019 is een artikel van de werkneemster verschenen in het Journal of Management Studies over regelingen voor gelijke kansen (hierna: het essay). Zij schrijft daarin dat zij een aantal mechanismes heeft ondervonden die in het nadeel werken van vrouwelijke academici die gebruikmaken van een regeling voor gelijke kansen. De regelingen werken structurele discriminatie juist in de hand en worden gezien als ondermijnend voor meritocratische principes. Wanneer diversiteit van bovenop wordt opgelegd aan organisaties is dat schadelijk voor zowel de minderheids- als de meerderheidsgroep, aldus het essay.
(x) De werkneemster ervaart, schrijft zij, met veel andere fellows van de RFF-regeling, gebrek aan ondersteuning en begeleiding door hooggeplaatste academici. Zij worden vaak buitengesloten door de mannelijke academische elite, die doorgaans andere mannen steunt. Door een mannelijke protegé nu hogerop te helpen, kan de hooggeplaatste wetenschapper later rekenen op generositeit. De werkneemster plaatst dit in het licht van beïnvloeding, wat “in de meeste andere landen wordt beschouwd als onrechtmatig en corrupt”. Het opstellen van vage prestatiecriteria bevordert beïnvloeding op universiteiten, zoals op de faculteit van de auteur waar “een cruciale stap in de promotieprocedure [wordt] gekenmerkt door (…) exclusieve afhankelijkheid van het advies van de desbetreffende hooggeplaatste leidinggevende”.
(xi) De leidinggevende heeft daarna aan de decaan laten weten dat hij betwijfelde of hij nog wel als leidinggevende van de werkneemster kon fungeren, gelet op haar herhaalde beschuldiging van vrouwendiscriminatie, het niet kunnen krijgen van contact met haar en de verstoorde persoonlijke verhoudingen. De decaan heeft, na twee gesprekken met de werkneemster in aanwezigheid van een HR-medewerker, een andere hoogleraar als leidinggevende van de werkneemster aangewezen. De decaan constateerde dat tussen de werkneemster en de overige leden van de vakgroep sprake was van een moeizame werkrelatie. De werkneemster kreeg het advies om een gesprek aan te gaan met twee vertegenwoordigers van de hoogleraren, hetgeen de werkneemster heeft geweigerd. In een schriftelijk ‘statement’ heeft de werkneemster toegelicht waarom zij niet met collega’s uit de vakgroep in gesprek wilde gaan in de vorm die de decaan voorstelde, dat het niet om een persoonlijk conflict ging en dat zij zich geïntimideerd en niet veilig voelde. Op 8 juli 2019 is een collectief gesprek gevolgd.
(xii) In een e-mail van 16 juli 2019 heeft de hoogleraar die als nieuwe leidinggevende van de werkneemster was aangewezen, ook namens andere hoogleraren, aan de leden van de vakgroep geschreven dat een deel van het essay van de werkneemster beschouwd kan worden als ‘inappropriate and damaging’ voor de RUG, de vakgroep en specifieke leden daarvan. De hoogleraar wenste de lezer te informeren dat met de werkneemster, de decaan, twee andere hoogleraren en HR gesprekken gaande zijn ‘in the hope of resolving it in the future’. Op 13 augustus 2019 heeft de desbetreffende hoogleraar een nieuwe e-mail gestuurd waarin hij schrijft dat het voorgaande bericht de indruk kan hebben gewekt dat kritiek op ‘policies or practices’ van de instelling niet gewaardeerd wordt, maar dat dát niet de bedoeling was. Hij wenste te benadrukken dat dat soort zaken besproken kunnen en moeten worden in de vakgroep waartoe hij na de zomer het initiatief zal nemen. Maar de persoonlijke toon van het essay werd ongepast en mogelijk schadelijk bevonden.
(xiii) De decaan had inmiddels in een brief van 7 augustus 2019 aan de redactie van het tijdschrift waarin het essay is gepubliceerd, laten weten dat hij niet op de inhoud van het stuk wilde ingaan, maar wel wilde wijzen op het feit dat niet om een weerwoord van de RUG is gevraagd, terwijl het stuk een negatieve invloed kan hebben op de wervingskracht van de FEB of de RUG en door de persoonlijke kritiek en verwijtende toonzetting collegiale verhoudingen heeft geschaad. Publicatie van dit soort stukken kan ook de reputatie van de auteur schaden. De redactie heeft volgens de decaan ‘the responsibility to circumvent the downsides that publishing essays like [de werkneemster’s] may have – for the targets within such essays, but also for the authors writing the essays’.
(xiv) In oktober 2019 heeft de werkneemster, vergezeld door een hoogleraar, een gesprek gehad met de decaan waarbij een medewerker van HR aanwezig was. Het verslag vermeldt dat uiteindelijk gezamenlijk wordt vastgesteld dat er een vertrouwensbreuk is tussen de werkneemster en een deel van de vakgroep, volgens de werkneemster vooral door het niet nakomen van afspraken ten aanzien van de promotie en volgens vakgroepsleden omdat zij zich beschadigd voelen door het essay. Besproken wordt dat het proces voor promotie tot UHD1 in gang wordt gezet met bevordering vóór 1 januari 2020, dat er een traject komt waarmee onder externe begeleiding wordt gewerkt aan herstel van vertrouwen tussen de werkneemster en collega’s en dat de werkneemster coaching krijgt aangeboden voor ‘soft skills’ met doelen die passen binnen de tenure track. Het verslag van dit gesprek vermeldt dat de werkneemster zich voor het eerst echt gehoord voelt.
(xv) Een door de werkneemster ingeschakelde advocaat heeft de decaan op 5 december 2019 laten weten dat de werkneemster aanspraak maakt op de bevordering tot UHD1 en het daarbij behorende salaris per 1 juli 2018 omdat zij op dat moment al voldeed aan de eisen.
(xvi) Het faculteitsbestuur heeft op 23 januari 2020 besloten dat de werkneemster wordt benoemd tot UHD1 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2019, ondanks bedenkingen van haar nieuwe leidinggevende, aan wie het faculteitsbestuur vooraf advies had gevraagd. In zijn advies merkte de nieuwe leidinggevende op dat de werkneemster al begin 2019 was uitgenodigd door haar voormalige leidinggevende voor een gesprek om de bevordering op te pakken, welk gesprek niet tot stand kwam. De nieuwe leidinggevende adviseert positief wanneer alleen wordt uitgegaan van de prestaties van de werkneemster op gebied van onderwijs en onderzoek tot begin 2019. Als ook de ‘soft skills’ en de ontwikkelingen in 2019 meegenomen worden, dan adviseert hij negatief omdat er te veel zorgen zijn over competenties als verbindend leiderschap, zelfreflectie, communicatie en omgevingsbewustzijn.
(xvii) Het faculteitsbestuur heeft op 30 januari 2020 een brief geschreven aan de werkneemster waarin een overzicht wordt gegeven van incidenten, beginnend met de hiervoor onder (v) genoemde brief van 30 augustus 2018, waarmee een vertrouwensbreuk is ontstaan tussen haar en verschillende seniorleden van de vakgroep. Zoals is besproken, wordt een mediationtraject aangevangen en een coachingstraject voor de werkneemster om de ‘soft skills’ te verbeteren, wat nodig is om goed te functioneren als UHD1 en nog meer nodig is bij verdere carrièrestappen. Ook volgt een traject voor de vakgroep, aldus het faculteitsbestuur.
(xviii) De werkneemster heeft geweigerd deel te nemen aan het ontwikkelassessment door GITP voor het coachingstraject. Mediation met de seniorleden van de vakgroep is in april 2020 wel van start gegaan.
(xix) De advocaat van de werkneemster heeft op 20 april 2020 tegen de ingangsdatum van de benoeming tot UHD1 per 1 januari 2019 geprotesteerd en geëist dat dit zo snel mogelijk na de datum van aanvraag (4 juni 2018) wordt. Verwezen wordt naar het standpunt van de voormalige leidinggevende in het hiervoor onder (iv) vermelde verslag van het gesprek in juli 2018. De advocaat heeft erop gewezen dat de CIP hoegenaamd geen rol heeft bij benoeming van UHD2 naar UHD1 en de werkneemster heeft het advies van de CIP bij benoeming tot UHD2 ter harte genomen. Het door de decaan verlangde assessment heeft de schijn van een strafmodule waarbij de uitslag waarschijnlijk bij voorbaat vaststaat en kan leiden tot het eindigen van de arbeidsovereenkomst, schrijft de advocaat.
(xx) In oktober 2020 wordt het mediationtraject afgesloten met de conclusie dat de gesprekken hebben bijgedragen aan vertrouwensherstel en dat de verwachting voor de toekomst is dat ‘de lijnen open zijn’. Ook in die maand heeft de nieuwe leidinggevende het verslag vastgesteld van een voor de zomer gehouden R&O-gesprek met de werkneemster. Over het concept-verslag ontstond eerder discussie. Het verslag vermeldt dat de werkneemster moet werken aan verbetering van haar competenties op het gebied van communicatie en samenwerking. De werkneemster is het daarmee niet eens. Haar advocaat heeft op 3 november 2020 formeel bezwaar gemaakt tegen de R&O-beoordeling en geschreven dat vooringenomenheid geen maatstaf mag zijn bij beoordeling. De werkneemster heeft verzocht om een andere leidinggevende.
(xxi) Naar aanleiding hiervan hebben de nieuwe leidinggevende en een andere hoogleraar namens de vakgroep aan het faculteitsbestuur geschreven dat zij concluderen dat van herstel van vertrouwen geen sprake is. De werkneemster heeft de uitnodigingen van de nieuwe leidinggevende om te praten over het verbetertraject niet beantwoord en ook dat draagt niet bij aan vertrouwen in vruchtbare samenwerking, aldus de schrijvers.
(xxii) Het faculteitsbestuur heeft de werkneemster hierna gevraagd om mee te werken aan een tweede mediation. Uitvoering hiervan heeft vertraging opgelopen omdat de werkneemster zich op 19 maart 2021 ziek heeft gemeld. Op 6 juli 2021 heeft de mediator laten weten dat het traject is geëindigd zonder resultaat.
(xxiii) In september 2021 is de werkneemster lid geworden van de Universiteitsraad.
(xxiv) Het faculteitsbestuur heeft op 3 september 2021 geschreven, onder verwijzing naar zijn hiervoor onder (xvii) genoemde brief van 30 januari 2020, dat na de tweede mediation de vertrouwensbreuk onherstelbaar is gebleken en dat daarom voortzetting van het werk binnen de vakgroep niet meer mogelijk is. Via een herplaatsingsonderzoek zou moeten worden onderzocht of herplaatsing mogelijk is binnen de RUG in de eigen functie of in een andere passende functie. De bedrijfsarts heeft urenopbouw geadviseerd van vier uur per dag en vervolgens uitbreiding van een uur per dag per twee tot drie weken. Hiermee moet rekening gehouden worden in het kader van re-integratie van de werkneemster. Voorgesteld wordt deze twee aspecten te combineren door zo snel mogelijk te beginnen met het herplaatsingsonderzoek en de re-integratie bij de uitkomsten aan te laten sluiten. Omdat de werkneemster ook een vertrouwensbreuk heeft met haar nieuwe leidinggevende, zal de decaan tijdelijk als direct leidinggevende optreden.
(xxv) De nieuwe advocaat van de werkneemster heeft op 8 september 2021 gereageerd: de opmerkingen over het functioneren van de werkneemster zijn niet gebaseerd op objectieve criteria, het bezwaar tegen de niet toegekende promotie en de obstructie van haar carrière kan in verband worden gebracht met discriminatie. Nergens blijkt uit dat sprake is van een onherstelbaar gebleken vertrouwensbreuk met verschillende stafleden, maar wel met de nieuwe leidinggevende, wiens plaats inmiddels door de decaan is ingenomen. De werkneemster is het ermee eens dat wordt gekeken naar een andere plek binnen de RUG, niet omdat er een vertrouwensbreuk met verschillende stafleden zou zijn maar omdat de werkomgeving voor de werkneemster niet veilig is.
(xxvi) Vier hoogleraren, onder wie twee vrouwen, hebben daarna op 29 september 2021 namens de hele vakgroep aan de decaan geschreven dat de stelling van de werkneemster onjuist is. Zij heeft met alle senior stafleden van de vakgroep een onherstelbaar verstoorde verhouding.
(xxvii) De werkneemster heeft hierna op eigen initiatief gesolliciteerd op de vacature per 1 december 2021 voor directeur academische staf bij het University College Groningen (hierna: UCG), een managementfunctie. Het UCG was bereid haar een vrijstelling te geven van 0,2 voor onderzoek en de benoemingscommissie adviseerde unaniem positief. De jurist van de RUG kwam met een voorstel voor de overgang van FEB naar UCG, waarop de advocaat van de werkneemster reageerde met de aanvullende voorwaarde van een hoger salaris, benoeming tot adjunct-hoogleraar per 1 januari 2022 en tot hoogleraar 2 per september 2022. De decaan van het UCG heeft vervolgens op 22 december 2021 meegedeeld dat zij nu een voorkeur had voor een andere kandidaat.
(xxviii) Een dag later heeft de RUG aangekondigd dat een formeel herplaatsingstraject zou worden gestart. De advocaat van de werkneemster schreef op 13 januari 2022 dat de werkneemster de vaststelling dat sprake is van een onherstelbare vertrouwensbreuk (met de vakgroep binnen FEB) niet zonder meer deelt, dat zij zich niet veilig heeft gevoeld op haar werkplek en dat zij bereid is hierover in gesprek te gaan. De RUG heeft daarop geantwoord dat het ondanks een intensief traject van twee jaar niet is gelukt het vertrouwen te herstellen en dat nu gesproken moet worden over herplaatsing. Op 18 maart 2022 reageerde de advocaat van de werkneemster dat de werkneemster tijd nodig heeft om zelf met een concreet voorstel te komen en dat de faculteit voor een veilige werkplek moet zorgen. Vervolgens stelde de werkneemster op 6 april 2022 voor dat zij een nieuw programma zou opzetten in een aparte afdeling, met een benoeming tot hoogleraar in het verschiet. Dit voorstel is afgewezen omdat het niet past binnen het strategische plan van FEB en gewezen is op de procedure voor benoeming tot hoogleraar via de CIP.
(xxix) Op 8 juni 2022 is de werkneemster verzocht een afspraak te maken met de loopbaanadviseur, van wie zij al een uitnodiging heeft ontvangen, voor de start van het herplaatsingstraject. In een rapport van 28 september 2022 is vastgesteld dat er op dat moment en in de komende maanden geen concrete mogelijkheden voor herplaatsing waren.
2.2
De RUG vordert in deze procedure de arbeidsovereenkomst met de werkneemster te ontbinden onder meer op de grond dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding (art. 7:669 lid 3, aanhef en onder g, BW). De werkneemster heeft daar onder meer tegen ingebracht dat sprake is van een onvoldragen ontslaggrond omdat het ontbindingsverzoek een reactie is op de publicatie van het essay, dat beschermd wordt door haar vrijheid van meningsuiting en de academische vrijheid.
2.3
De rechtbank1.heeft de arbeidsovereenkomst tussen de RUG en de werkneemster op grond van art. 7:669 lid 3, aanhef en onder g, BW ontbonden.
2.4
Het hof2.heeft het beroep van de werkneemster verworpen voor zover dat ziet op de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Het heeft daartoe het volgende overwogen (voetnoten van het hof zijn niet weergegeven):
“onvoldoende causaal verband tussen meningsuiting en ontbinding
3.26
Volgens [de werkneemster] heeft de kantonrechter ten onrechte het verband tussen haar essay en het ontbindingsverzoek in het midden gelaten bij het oordeel dat hoe dan ook sprake was van een ernstig verstoorde arbeidsverhouding.
3.27
Publicatie van dat essay valt onder het mede door artikel 10 EVRM beschermde recht op vrijheid van meningsuiting. Van inmenging in die vrijheid kan ook sprake zijn als aan de uiting arbeidsrechtelijke sancties worden verbonden.
Uit rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat bij de beantwoording van de vraag of causaal verband aanwezig is tussen een uiting en de gestelde sanctie, moet worden gelet op het geheel van gebeurtenissen vanaf de uiting tot aan het opleggen van de sanctie, in hun onderlinge samenhang.
Het hof geeft [de werkneemster] in die zin gelijk, dat de inhoud van haar essay een schakel is in de keten van gebeurtenissen die hebben geleid tot de uiteindelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Maar die keten is niet begonnen met de publicatie van het essay. En tussen de publicatie in juni 2019 en de datum van indiening van het ontbindingsverzoek in december 2022 zit ongeveer tweeënhalf jaar, waarin veel is gebeurd dat van invloed is geweest op de arbeidsverhouding. Dat sluit niet uit dat daaruit voldoende causaal verband kan blijken. Of dat zo is, onderzoekt het hof door hierna de schakels in de keten na te lopen.
3.28 [
De werkneemster] is aanmerkelijk sneller opgeklommen in de universitaire rangen dan is beschreven in de ‘tenure track’ en in 2013 werd voorzien. Al binnen een half jaar na haar promotie tot UD1 is zij in december 2015 benoemd tot UHD2, terwijl dat aanvankelijk eind 2018 verwacht werd.
Daarbij werd [de werkneemster] er wel op gewezen dat zij moest zorgen voor meer publicaties in tijdschriften op het facultaire vakgebied. Twee jaar later heeft [de werkneemster], zo staat in het verslag van het R&O-gesprek in 2017, artikelen aangeleverd bij dergelijke tijdschriften. “However, these submissions were rejected for now, with the consequence that the number of published and accepted first-authored papers for high-quality journals is relatively low as of the year of 2014”. Het is niet meer dan logisch dat haar leidinggevende (…) dan op dat punt vooruitgang wil zien, temeer omdat [de werkneemster] het hoogleraarschap ambieert en de CIP daarbij een rol speelt, evenals bij een eerdere stap tot adjunct hoogleraar. De CIP had immers al in het advies bij haar vorige promotie het aantal publicaties in relevante vaktijdschriften als aandachtspunt genoemd (…). In de zomer van 2018 wenst [de werkneemster] een promotie tot UHD1, waaraan [de leidinggevende] wil meewerken als [de werkneemster] twee publicaties zoals bedoeld kan laten zien. En die zijn er dan nog niet.
Het mag zo zijn dat de CIP niet betrokken wordt bij een promotie tot UHD1, dat neemt niet weg dat [de werkneemster] vanaf 2015 wist dat haar publicatielijst op een voor de faculteit belangrijk punt nog tekort schoot. Daaraan zou zij werken, zoals zij [de leidinggevende] in 2017 toezegde. Uit het verslag van het R&O-gesprek blijkt dat zij zich daaraan op dat moment ook heeft gecommitteerd.
3.29
Tegen die achtergrond kan het hof de beschuldiging van [de werkneemster] in haar brief van 30 augustus 2018 (…) dat [de leidinggevende] haar carrière met onware en willekeurige argumenten dwarsboomt, niet plaatsen. Het ging om een rationeel argument, een terecht en eerder herhaald uitgesproken punt van zorg, dat [de werkneemster] in oktober 2017 nog leek te onderschrijven. [De werkneemster] heeft het hof niet duidelijk kunnen maken dat aan haar additionele eisen werden gesteld of dat de criteria onvoldoende duidelijk waren.
Door in de brief van augustus 2018 ook woorden te gebruiken als ‘scientific harassment’ en, gissend naar motieven voor de opstelling van [de leidinggevende], ‘seksistisch’, blaast [de werkneemster] de zaak niet alleen op tot buitengewone proporties, maar schoffeert zij ook haar leidinggevende. In haar verweerschrift tegen het incidentele hoger beroep stelt [de werkneemster] dat haar brief ten onrechte niet is aangemerkt en behandeld als een melding over ongelijke behandeling. Dat dit niet is gebeurd kan het hof begrijpen, want dat [de werkneemster] zo’n melding heeft willen doen blijkt niet uit een voldoende onderbouwde stelling in de brief en die bedoeling heeft zij ook niet kenbaar gemaakt in daarop gevolgde gesprekken, terwijl van [de werkneemster], gelet op haar expertise, op dat punt voldoende duidelijkheid had mogen worden verwacht.
Ook nadat andere hoogleraren (onder wie twee vrouwen) en het faculteitsbestuur de lijn van [de leidinggevende] als juist beoordeelden (…) en [de leidinggevende] zelf in een gesprek met [de werkneemster] aangaf hoe kwetsend hij het vond, heeft [de werkneemster] haar beschuldigende woorden niet ingetrokken. Vervolgens heeft [de werkneemster] er zelf voor gezorgd dat de gewenste promotie niet al begin 2019 gerealiseerd werd, hoewel zij toen aan de publicatie-eis voldeed, doordat zij uitnodigingen van haar leidinggevende voor een gesprek daarover tot driemaal toe negeerde.
Het hof constateert dat, gelet op deze gebeurtenissen, de verstoring van de arbeidsverhouding al in augustus 2018 is begonnen, toen [de werkneemster] met haar brief vooral de verhouding met haar leidinggevende op scherp stelde.
3.30
In juni 2019 verscheen het (…) essay. Het is een bijdrage in een wetenschappelijk tijdschrift waarmee de academische discussie wordt aangejaagd over de schaduwkanten van beleid dat gericht is op het dichten van de genderkloof door de doorstroom van vrouwen naar hogere functies te bevorderen.
De inhoud van het artikel heeft niet bijgedragen aan herstel van al verstoorde verhoudingen. De RUG heeft aangevoerd dat senior collega’s zich geschaad hebben gevoeld in hun reputatie door gebruik van woorden als ‘illegaal en corrupt’ gedrag en het creëren van ‘mannelijke protegés’ en dat zij ook persoonlijk zijn benaderd met vragen uit het land. [De leidinggevende] is teruggetreden als leidinggevende van [de werkneemster].
Volgens [de werkneemster] zijn de (…) brief van 16 juli 2019 en de brief van de decaan aan de redactie van het tijdschrift waarin haar essay is gepubliceerd te kwalificeren als sancties ten opzichte van haar. Zij stelt dat er vanuit het faculteitsbestuur en de vakgroep op is ingezet om haar aan te pakken.
Het hof oordeelt dat [de werkneemster] in hoger beroep onvoldoende heeft uitgewerkt dat de mail van 16 juli en de brief van 7 augustus 2019 een sanctie zijn op haar artikel. Dat haar artikel niet uitsluitend tot een wetenschappelijke discussie, maar ook tot interne onrust zou leiden was naar het oordeel van het hof te voorzien. Ook voor [de werkneemster].
In die situatie is het begrijpelijk dat de RUG op die onrust moest reageren en de commotie bespreekbaar wilde maken (wat overigens volgens [de werkneemster] ook een van de doelen van het essay was), wat is geprobeerd met de mail van 16 juli 2019. De toonzetting van die mail was voor verbetering vatbaar, maar de mededeling dat gesprekken gaande zijn die gericht zijn op een oplossing voor de toekomst is kalmerend en duidt niet op een persoonlijke afstraffing van [de werkneemster].
Bij de keuze van de decaan om een brief aan de redactie van het tijdschrift te sturen, die eindigt met het uitspreken van de hoop dat het publicatiebeleid met betrekking tot de essayrubriek zorgvuldig wordt heroverwogen, kunnen vraagtekens worden geplaatst. Maar daarmee is die brief nog geen (zelfstandige) sanctie op het essay, met de (voorzienbare) mogelijkheid van een ‘chilling effect’ op het gebruik van de vrijheid van meningsuiting. Daarbij zijn ook van belang de context van de arbeidsovereenkomst en de omstandigheid dat vakgroepleden zich door het essay persoonlijk aangevallen voelden.
3.31
In haar verweerschrift tegen het hoger beroep van de RUG heeft [de werkneemster] betoogd dat ook de van haar verlangde medewerking aan gesprekken moet worden aangemerkt als een sanctie op haar artikel. Dat ziet het hof anders. De RUG mocht als werkgever van [de werkneemster] verlangen dat zij meewerkte aan het bespreken van wat zij in haar essay had gesignaleerd en de daardoor ontstane commotie binnen haar vakgroep. Gepoogd is om de verhoudingen te normaliseren. In het (…) gesprek in oktober 2019 hebben beide partijen geconstateerd dat de verhoudingen verstoord zijn. Anders dan de RUG wijt [de werkneemster] dat zelf aan het nog niet verkrijgen van de door haar gewenste promotie, en dus niet aan het essay. [De werkneemster] vond dit een goed gesprek, zo blijkt uit het verslag. Dit betekent dat nà het essay de onderlinge verhoudingen door inspanningen van beide partijen verbeterden. Uitkomst van dat gesprek was ook dat de RUG besloot om [de werkneemster] alsnog de promotie te geven. Niets duidt erop dat de RUG, als sanctie op het essay, in die fase streefde naar een einde van de arbeidsovereenkomst.
3.32
Het hof beschouwt de benoeming tot UHD1 begin 2020, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2019, als een belangrijke contra-indicatie voor de stelling van [de werkneemster] dat het eind 2022 ingediende ontbindingsverzoek een reactie is op haar essay.
[De werkneemster] zelf was over de gang van zaken niet tevreden. Zij heeft via haar advocaat aanspraak gemaakt op die benoeming per 1 juli 2018 omdat zij toen al aan de eisen daarvoor zou voldoen. Dat is echter feitelijk onjuist, gelet op wat het hof heeft overwogen aan het slot van overweging 3.27 en het begin van overweging 3.28. Door dit (naar het oordeel van het hof dus onjuiste) standpunt in te nemen zette [de werkneemster] de arbeidsverhoudingen opnieuw op scherp, dit ondanks de rust die na het gesprek van oktober 2019 was ontstaan.
3.33
Ook hierna heeft de RUG zich ingespannen voor verbetering van de onderlinge verhouding tussen [de werkneemster] enerzijds en haar nieuwe leidinggevende (…), andere hoogleraren en leden van de vakgroep anderzijds. Eerder al was [de werkneemster] aangespoord om in gesprek te gaan, wat zij aanvankelijk weigerde (…). Daarna is externe begeleiding bij die gesprekken aangeboden (…). Mediation met de seniorleden van de vakgroep werd in oktober 2020 (voorzichtig) positief afgesloten (…).
Hierover verklaart [de werkneemster] achteraf dat zij dit traject als onveilig en opnieuw als ‘harassment’ heeft ervaren. Dat daarvoor objectief reden was, heeft [de werkneemster] niet onderbouwd. De RUG heeft een geregistreerde mediator ingeschakeld. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de inzet van de RUG om de werkverhoudingen te verbeteren met het oog op voortzetting van de wetenschappelijke carrière van [de werkneemster].
3.34
De RUG heeft, zoals op 8 oktober 2019 is besproken tussen de decaan en [de werkneemster], daarnaast individuele coaching van [de werkneemster] aangeboden (…). [De werkneemster] vond dat de noodzaak daarvan niet was onderbouwd en weigerde deelname aan het ontwikkelassessment dat vooraf gaat aan de coaching (…). Vrij snel na de afsluiting van het eerste mediationtraject ontstond opnieuw wrijving omdat [de werkneemster] niet accepteerde dat haar nieuwe leidinggevende verlangde dat zij zou werken aan competenties op het gebied van communicatie en samenwerking (…).
[De werkneemster] vindt dat ten onrechte van haar werd gevraagd te werken aan ‘soft skills’, want dat is naar haar mening geen onderdeel van de ‘tenure track’. Het hof verwerpt die opvatting. Het getuigt van goed werkgeverschap dat coaching wordt aangeboden op het gebied van onder meer communicatie, wanneer op dat gebied problemen ontstaan tussen werknemers onderling of in de relatie met leidinggevenden. Ook het verslag van het gesprek op 8 oktober 2019 geeft daarvoor aanleiding, want daarin is vermeld dat [de werkneemster] niet ziet dat haar essay beschadigend is voor haar directe collega’s, en volgens haar staat dat er ook niet. Blijkens het verslag wordt vervolgens geconstateerd dat er sprake lijkt van een duidelijk verschil tussen intentie en effect. Maar daarmee is, gelet op wat hiervoor is overwogen, (…) niet gezegd dat de publicatie redengevend was voor het coachingstraject.
[De werkneemster] miskent bovendien dat haar werkgeefster een instructierecht heeft en dat deze bevoegdheid niet is beperkt tot de (momenten van) stappen in de tenure track. Het was overigens wel nuttig geweest als in verslagen van R&O-gesprekken kenbaar aandacht was besteed aan ontwikkelpunten op het gebied van sociale vaardigheden, die in samenwerkingsverband van groot belang zijn.
3.35 [
De werkneemster] wilde na het conflict met haar tweede leidinggevende opnieuw een andere leidinggevende. Ook dan probeert de RUG de situatie nog vlot te trekken, maar het tweede mediationtraject bood geen oplossing (…). Daarna is vanaf september 2021 onderzocht of herplaatsing mogelijk was (…) en toen dat niet tot resultaat leidde, is in december 2022 het ontbindingsverzoek ingediend.
[De werkneemster] meent dat de RUG in het kader van herplaatsing meer had moeten doen en zo nodig een speciale plaats voor haar had moeten creëren. Daarvoor geeft zij als reden dat de RUG verplicht is haar een veilige werkplek te bieden. De Ontslagregeling geeft in de artikelen 9 en 10 nadere voorschriften voor de invulling van de herplaatsingsverplichting. Die gaan echter niet zo ver dat een plaats gecreëerd moet worden. Na september 2021 is er beduidend meer tijd dan gebruikelijk gestoken in het vinden van een andere passende functie voor [de werkneemster], waarbij zij ook gelegenheid heeft gekregen om zelf voorstellen te doen. Bij het onderhandelen over voorwaarden waaronder [de werkneemster] in dienst wilde treden bij het UCG heeft zij zelf een inschattingsfout gemaakt (…). De RUG treft daarvan geen verwijt.
3.36 [
De werkneemster] maakt de RUG wel twee andere verwijten. Haar eind 2020 ingediende bezwaar tegen het R&O verslag van 11 september 2020 is niet in behandeling genomen en tijdens haar ziekte in 2021 is geen plan van aanpak opgemaakt. Wat ook zij van de gegrondheid van die verwijten, niet duidelijk is gemaakt welk verband die verwijten hebben met de publicatie en het uiteindelijke ontbindingsverzoek of met het petitum in hoger beroep. Het hof gaat er daarom aan voorbij.
3.37
Het hof kan uit de gebeurtenissen na publicatie van het essay, hiervoor besproken vanaf overweging 3.30, niet afleiden dat zonder de publicatie het ontbindingsverzoek niet zou zijn ingediend. Voorafgaand aan die publicatie was al sprake van verstoorde verhoudingen omdat [de werkneemster] meende dat aan haar onterechte eisen werden gesteld, en dat conflict is (na de publicatie) op precies datzelfde punt voortgezet, zoals is beschreven onder 3.32. De publicatie is wel een schakel geweest in de gebeurtenissen, maar geen essentiële schakel in de keten die leidde tot het ontbindingsverzoek. Het hof verwijst naar wat het hiervoor heeft overwogen over de houding van [de werkneemster] voorafgaand en na het verschijnen van haar essay. Daarmee is er, ook gelet op het geheel van de gebeurtenissen in onderling verband, onvoldoende causaal verband tussen de uiting en de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Het beroep van [de werkneemster] op schending van haar recht op vrije meningsuiting is dan ook ongegrond.”
3. Beoordeling van het middel
3.1
Onderdeel 1a van het middel klaagt dat het hof van een te strenge maatstaf voor de beoordeling van het causaal verband tussen de publicatie van het essay en het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst is uitgegaan, door te beoordelen of de publicatie een essentiële schakel was in de keten van gebeurtenissen die leidde tot de ontbinding. Aangezien het essay onder de vrijheid van meningsuiting van de werkneemster valt, volstond voor het vaststaan van (voldoende) causaal verband dat publicatie van het essay mede heeft bijgedragen aan de ontbinding, aldus het onderdeel.
Ook onderdeel 1b komt op tegen de door het hof gehanteerde maatstaf voor de beoordeling van het causaal verband. Het houdt in dat, aangezien het essay ook onder de academische vrijheid van de werkneemster valt, voor het aannemen van (voldoende) causaal verband volstaat dat de publicatie van het essay enige bijdrage heeft geleverd aan het initiëren van het ontslagtraject. Het onderdeel klaagt bovendien dat het hof het beroep op academische vrijheid ten onrechte niet in zijn beoordeling heeft betrokken.
Deze klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
3.2
Zoals het hof met juistheid tot uitgangspunt neemt, valt de publicatie van het essay onder het mede door art. 10 EVRM beschermde recht van de werkneemster op vrijheid van meningsuiting, en haar academische vrijheid. Volgens vaste rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM), genoemd in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.7, is van een inmenging in de vrijheid van meningsuiting sprake indien aan een uiting sancties van strafrechtelijke, arbeidsrechtelijke, privaatrechtelijke of tuchtrechtelijke aard worden verbonden. Een verzoek in rechte tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan als een zodanige sanctie van arbeidsrechtelijke aard worden aangemerkt, mits die sanctie uitsluitend of hoofdzakelijk het gevolg is van de uiting en niet hoofdzakelijk verband houdt met het vermogen van de werknemer om zijn of haar functie uit te oefenen.3.
3.3
Uit de rechtspraak van het EHRM kan verder worden afgeleid dat bij de beantwoording van de vraag of causaal verband aanwezig is tussen een uiting en een sanctie, moet worden gelet op het geheel van relevante gebeurtenissen in hun onderlinge samenhang.4.
Voor de beoordeling of causaal verband in deze zin aanwezig is tussen de uiting en een sanctie, geldt geen andere norm indien de uiting valt onder de, eveneens door de vrijheid van meningsuiting gewaarborgde, academische vrijheid.
3.4
Het oordeel van het hof in rov. 3.37 (zie hiervoor in 2.4) dat de publicatie van het essay geen essentiële schakel was in de keten van gebeurtenissen die leidde tot de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, berust erop dat de oorzaak van de verstoorde arbeidsrelatie lag in het reeds voor de publicatie van het essay ontstane conflict waarin de werkneemster meende dat aan haar onterechte eisen werden gesteld, welk conflict zich na publicatie van het essay heeft voortgezet. Daarom kan naar het oordeel van het hof niet worden gezegd dat zonder publicatie van het essay het ontbindingsverzoek niet zou zijn ingediend. Dat oordeel, dat erop neerkomt dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet uitsluitend of hoofdzakelijk het gevolg was van de publicatie van het essay, getuigt in het licht van het voorgaande niet van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de bij de beoordeling van dat causaal verband te hanteren norm. Voorts geldt voor het beroep op academische vrijheid geen andere norm (zie hiervoor in 3.3), zodat dit geen afzonderlijke beoordeling behoefde. Op deze gronden falen de klachten.
3.5
Volgens onderdeel 1c is onder meer onjuist, dan wel onbegrijpelijk, het oordeel in rov. 3.30 dat de e-mail van de nieuwe leidinggevende van 16 juli 2019 aan de vakgroep (zie hiervoor in 2.1 onder (xii)), en de brief van de decaan van 7 augustus 2019 aan de redactie van het tijdschrift (zie hiervoor in 2.1 onder (xiii)), niet zijn aan te merken als sancties tegen de werkneemster, aangezien zij de uitingsvrijheid en academische vrijheid beperken en daarop een “chilling effect” kunnen hebben.
3.6
Het met de onderdelen 1a en 1b tevergeefs bestreden oordeel van het hof dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet uitsluitend of hoofdzakelijk het gevolg was van de publicatie van het essay berust, zoals hiervoor in 3.4 is overwogen, erop dat de oorzaak van de verstoorde arbeidsrelatie het gevolg was van een conflict dat al voor de publicatie van het essay was ontstaan, en dat zich na de publicatie heeft voortgezet. Het hof heeft daarbij ook de reacties van de nieuwe leidinggevende en de decaan op de publicatie van het essay betrokken. Uit de beschikking van het hof blijkt aldus dat zijn oordeel is gebaseerd op een waardering van het geheel van relevante gebeurtenissen in hun onderlinge samenhang. Uit de beschikking volgt niet dat dit oordeel over het causaal verband mede erop berust dat die reacties niet kunnen worden gezien als arbeidsrechtelijke sancties jegens de werkneemster. Dit betekent dat het hof niet tot een ander oordeel zou zijn gekomen als het de reacties als arbeidsrechtelijke sancties jegens de werkneemster zou hebben beschouwd. Onderdeel 1c kan daarom wegens gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.
3.7
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [de werkneemster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de RUG begroot op € 873,-- aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [de werkneemster] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron, A.E.B. ter Heide en S.J. Schaafsma, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 11 juli 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 11‑07‑2025
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 8 januari 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:152.
EHRM 16 juni 2022, nr. 39650/18 (Żurek/Polen), punt 201-202.
EHRM 16 juni 2022, nr. 39650/18 (Żurek/Polen), punt 203. Vgl. HR 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1402, rov. 3.1.2.
Conclusie 14‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Arbeidsrecht. Verzoek tot ontbinding arbeidsovereenkomst op de g-grond (art. 7:669 lid 3 sub g BW). Is sprake van inmenging in het recht op vrijheid van meningsuiting (art. 10 EVRM) en de academische vrijheid? Begrip ‘inmenging’, chilling effect. Maatstaf causaal verband tussen essay van werkneemster en ontbindingsverzoek. Herplaatsingsplicht (art. 7:669 lid 1 BW).
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01341
Zitting 14 maart 2025
CONCLUSIE
G.R.B. van Peursem
In de zaak
[Werkneemster] ,
verzoekster tot cassatie
tegen
Rijksuniversiteit Groningen,
verweerster in cassatie
Partijen worden hierna verkort aangeduid als [Werkneemster] respectievelijk RUG, de universiteit of Werkgever.
1. Inleiding
1.1
Deze zaak gaat over een verzoek tot ontbinding van een arbeidsovereenkomst van een wetenschapper bij de RUG op grond van een verstoorde arbeidsverhouding (art. 7:669 lid 3 sub g BW, de ‘g-grond’). Volgens Werkneemster houdt het ontbindingsverzoek verband met een essay dat zij in 2019 heeft gepubliceerd in een wetenschappelijk tijdschrift waarin zij kritiek heeft geuit op een deel van het genderbeleid van de universiteit (bevordering doorstroming vrouwelijke wetenschappers naar hogere functies), zodat met de ontbinding inbreuk wordt gemaakt op haar recht op vrijheid van meningsuiting en de academische vrijheid. Daarnaast houdt partijen in cassatie verdeeld of de RUG heeft voldaan aan haar herplaatsingsverplichting (art. 7:669 lid 1 BW).
1.2
Volgens de kantonrechter was sprake van een voldragen g-grond en werd irrelevant geacht of er sprake is van inbreuk op Werkneemsters hiervoor bedoelde (sociale) grondrecht(en), terwijl de RUG voldoende herplaatsingsinspanningen had verricht, zodat de arbeidsovereenkomst kon worden ontbonden. Weliswaar rekende de kantonrechter de verstoorde arbeidsverhouding in belangrijke mate de RUG aan, maar dat zou zich hooguit kunnen vertalen in toekenning van een billijke vergoeding, maar daar maakte Werkneemster in eerste aanleg nog geen aanspraak op. Het hof komt ook tot een ontbindingsoordeel, maar langs een andere route. Volgens het hof is geen sprake van inbreuk op haar grondrechten, omdat er geen voldoende causaal verband bestaat tussen de publicatie van het essay en het ontbindingsverzoek. Die publicatie is wel een schakel geweest in de gebeurtenissen die hebben geleid tot het ontbindingsverzoek, maar geen essentiële schakel volgens het hof. Daarnaast komt het hof net als de kantonrechter tot het oordeel dat herplaatsing niet mogelijk is.
1.3
In cassatie bestrijdt Werkneemster dat het hof, gelet op haar beroep op haar recht op vrijheid van meningsuiting, een juiste maatstaf heeft aangelegd ten aanzien van bedoeld causaal verband, waarbij het hof bovendien niet voorbij kon gaan aan haar beroep op de academische vrijheid. Naast deze rechtsklachten richt zij ook motiveringsklachten tegen het causaal verbands-oordeel.
1.4
Ik zie deze klachten geen doel treffen.
2.Feiten1.
2.1
Werkneemster is in 2009 in dienst getreden bij de Faculteit Gedragswetenschappen van de RUG en in 2013 overgestapt naar de Faculteit Economie en Bedrijfskunde (hierna: FEB) van de RUG. Aldaar stroomde zij in als universitair docent 2 (UD2) en werd het ‘Tenure Track-beleid’ van toepassing. Dat is een loopbaanbeleid voor jonge wetenschappers waarin is opgenomen dat na ongeveer vijf jaar een benoeming tot universitair hoofddocent (UHD2) kan volgen als bepaalde doelen zijn behaald en positief advies is verkregen van de Commissie Interne Promotie (CIP), waarna het faculteitsbestuur beslist. Bij benoeming tot UHD1 is de CIP niet betrokken, maar wel wanneer de medewerker ook een benoeming wenst tot adjunct hoogleraar. In een aantal gevallen kan na maximaal zeven jaar in de positie van UHD een benoeming volgen tot hoogleraar. Naast de algemene kaders binnen de universiteit gelden per faculteit vastgelegde doelen, criteria en tussenstappen. Ook is er specifiek beleid voor vrouwelijk talent: het Rosalind Franklin Fellowship (hierna: RFF), dat zich met name richt op vrouwelijke buitenlandse wetenschappers.
2.2
Werkneemster werd in 2013 ook aangesteld als fellow van het RFF. Afgesproken werd dat zij, na positief advies van de CIP, in 2015 kon promoveren tot UD1 en dat per 1 december 2018, eveneens na advies van de CIP, zou worden beoordeeld of zij kon worden bevorderd tot UHD2. In juni 2015 is Werkneemster bevorderd tot UD1. In november 2015 vroeg zij, gesteund door haar [leidinggevende] , advies van de CIP voor bevordering tot UHD2. De CIP adviseerde positief met als aandachtspunt dat Werkneemster haar onderzoeksprogramma meer moet koppelen aan de FEB door verschijning van een substantieel deel van haar publicaties in tijdschriften op dat vakgebied. Het faculteitsbestuur heeft Werkneemster vervolgens bevorderd tot UHD2 per 15 december 2015 waarbij in de benoemingsbrief het aandachtspunt van de CIP is vermeld.
2.3
In een regulier resultaats- en ontwikkelingsgesprek (hierna: R&O-gesprek) tussen [leidinggevende] en Werkneemster in oktober 2017 heeft [leidinggevende] opgemerkt dat Werkneemster moeilijkheden lijkt te ervaren met publicatie van haar werk in de ‘betere’ vakbladen, waarna Werkneemster heeft geantwoord dat zij, in lijn met het CIP-advies, daarvoor extra moeite zal doen door het afmaken en indienen van de acht in het gespreksverslag genoemde artikelen. Werkneemster heeft de ambitie uitgesproken om hoogleraar te worden.
2.4
Werkneemster heeft [leidinggevende] in juni 2018 om steun verzocht voor het aanvragen van promotie naar de functie UHD1. Daarop heeft [leidinggevende] geantwoord dat hij overwegend positief was over de ontwikkeling van Werkneemster, maar dat zij nog niet voldeed aan de aandachtspunten in het CIP-advies uit 2015. Werkneemster erkende dat, maar gaf aan dat zij een aantal artikelen had ingediend bij gerenommeerde tijdschriften en goedkeuring verwachtte. [leidinggevende] wilde die goedkeuring afwachten. Werkneemster kon zich daarin niet vinden. In het verslag van een volgend gesprek in juli 2018, waarbij ook een HR-functionaris aanwezig was, staat dat de [leidinggevende] ziet dat Werkneemster “aan UHD1 voldoet, maar hij verwacht dat de CIP Werkneemster het advies geeft om nog even te wachten” tot twee artikelen gepubliceerd zijn, waarmee hij wil voorkomen dat Werkneemster door een te vroege aanvraag beschadigd zou kunnen raken.
2.5
Volgens [leidinggevende] dacht de door hem vooraf geraadpleegde prof. [betrokkene 1] er net zo over. Werkneemster heeft vervolgens bij HR geklaagd dat [leidinggevende] haar een promotie onthield en op 30 augustus 2018 een brief gezonden naar [decaan] waarin zij [leidinggevende] verwijt willekeurige eisen te stellen (waarbij zij ter vergelijking wijst op de publicaties van [collega] die in 2016 is benoemd als UHD1). Ook verwijt zij [leidinggevende] onware argumenten te gebruiken met het doel haar carrière te dwarsbomen. Het voelt voor haar als ‘scientific harassment’. Het argument dat [leidinggevende] wil voorkomen dat zij ‘een bloedneus’ haalt vindt zij buitengewoon kleinerend, seksistisch en ongepast.
2.6
[decaan] heeft op 4 september 2018 met Werkneemster gesproken en besloten onderzoek naar de kwestie te doen. De hoogleraren [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] zijn gehoord en hebben unaniem laten weten dat [leidinggevende] de juiste lijn heeft gevolgd. Van de uitkomst is mededeling gedaan aan Werkneemster in een gesprek, dat schriftelijk is bevestigd op 12 november 2018. Daarin staat dat het faculteitsbestuur op basis van het CIP-advies uit 2015 en het R&O-gesprek in 2017 heeft geconstateerd dat [leidinggevende] zijn mening heeft gebaseerd op de gebruikelijke bevorderingsrichtlijn binnen FEB waarbij het CIP-advies en de R&O-beoordelingen centraal staan. Het faculteitsbestuur deelt de mening van [leidinggevende] en heeft er veel vertrouwen in dat Werkneemster de stap naar UHD1 in de toekomst zal maken. Zij heeft zelf de verwachting uitgesproken dat [leidinggevende] eind december 2018 een positief advies kan geven op basis van ontwikkelingen in haar publicaties. Afgesproken is dat Werkneemster contact opneemt met [leidinggevende] voor een gesprek, desgewenst met een mediator, en dat HR aanwezig zal zijn bij het volgende R&O-gesprek.
2.7
Tijdens het gesprek op 26 november 2018 tussen [leidinggevende] en Werkneemster, met daarbij aanwezig de HR-adviseur, is aan de orde gekomen dat [leidinggevende] de beschuldigingen van Werkneemster over seksediscriminatie en ‘scientific harassment’ kwetsend heeft gevonden en dat het advies om te wachten met promotie ook door de twee vrouwelijke hoogleraren werd gedeeld. Werkneemster heeft haar beschuldigingen niet ingetrokken. Daarna heeft Werkneemster prof. [betrokkene 4] benaderd voor advies over de gewenste promotie. Diens reactie was dat hij de beslissing van het faculteitsbestuur deelde.
2.8
In de periode tussen januari 2019 en mei 2019 heeft [leidinggevende] driemaal vergeefs Werkneemster benaderd voor een te houden R&O-gesprek nadat eind 2018 haar verwachte publicaties waren verschenen. Daarmee kon, zoals [leidinggevende] aangaf, de stap naar de volgende promotie worden gezet.
2.9
Op 5 juni 2019 verscheen een artikel van Werkneemster in het Journal of Management Studies met de titel ‘Undoing Gender’ in de academische wereld: persoonlijke beschouwingen over regelingen voor gelijke kansen. Zij schrijft daarin dat zij een aantal mechanismes heeft ondervonden die in het nadeel werken van vrouwelijke academici die gebruik maken van een regeling voor gelijke kansen. De regelingen werken structurele discriminatie juist in de hand en worden gezien als ondermijnend voor meritocratische principes. Wanneer diversiteit van bovenop wordt opgelegd aan organisaties is dat schadelijk voor zowel de minderheids- als de meerderheidsgroep, aldus het artikel.
2.10
Werkneemster ervaart, schrijft zij, met veel andere fellows van de RFF-regeling, gebrek aan ondersteuning en begeleiding door hooggeplaatste academici. Zij worden vaak buitengesloten door de mannelijke academische elite, die doorgaans andere mannen steunt. Door een mannelijke protegé nu hogerop te helpen, kan de hooggeplaatste wetenschapper later rekenen op generositeit. Werkneemster plaatst dit in het licht van beïnvloeding, wat “in de meeste andere landen wordt beschouwd als onrechtmatig en corrupt”. Het opstellen van vage prestatiecriteria bevordert beïnvloeding op universiteiten, zoals op de faculteit van de auteur waar “een cruciale stap in de promotieprocedure [wordt] gekenmerkt door (…) exclusieve afhankelijkheid van het advies van de desbetreffende hooggeplaatste leidinggevende.”
2.11
[leidinggevende] heeft daarna aan prof. [betrokkene 5] , opvolger van [decaan] als decaan, laten weten dat hij betwijfelde of hij nog wel als leidinggevende van Werkneemster kon fungeren, gelet op haar herhaalde beschuldiging van vrouwendiscriminatie, het niet kunnen krijgen van contact met haar en de verstoorde persoonlijke verhoudingen. [betrokkene 5] heeft, na twee gesprekken met Werkneemster in aanwezigheid van een HR-medewerker, besloten dat [betrokkene 4] leidinggevende van Werkneemster werd. [betrokkene 5] constateerde dat tussen Werkneemster en de overige leden van de vakgroep sprake was van een moeizame werkrelatie. Werkneemster kreeg het advies om een gesprek aan te gaan met [betrokkene 4] en [betrokkene 1] als vertegenwoordigers van de hoogleraren, hetgeen Werkneemster heeft geweigerd. In een schriftelijk ‘statement’ lichtte Werkneemster toe waarom zij niet met collega’s uit de vakgroep in gesprek wilde in de door [betrokkene 5] voorgestelde vorm, dat het niet om een persoonlijk conflict ging en dat zij zich geïntimideerd en niet veilig voelde. Op 8 juli 2019 volgt een collectief gesprek.
2.12
In een e-mail van 16 juli 2019 schrijft [betrokkene 4] , ook namens andere hoogleraren, aan de leden van de vakgroep dat een deel van het artikel van Werkneemster beschouwd kan worden als ‘inappropriate and damaging’ voor RUG, de vakgroep en specifieke leden daarvan. [betrokkene 4] wenst de lezer te informeren dat met Werkneemster, de decaan, twee hoogleraren en HR gesprekken gaande zijn ‘in the hope of resolving it in the future.’
2.13
Op 13 augustus 2019 stuurt [betrokkene 4] een nieuwe e-mail waarin hij schrijft dat het voorgaande bericht de indruk kan hebben gewekt dat kritiek op ‘policies or practices’ van de instelling niet gewaardeerd wordt, maar dat dát niet de bedoeling was. [betrokkene 4] wenst te benadrukken dat dat soort zaken besproken kunnen en moeten worden in de vakgroep waartoe hij na de zomer het initiatief zal nemen. Maar de persoonlijke toon van het artikel werd ongepast en mogelijk schadelijk bevonden.
2.14
Decaan [betrokkene 5] had inmiddels in een brief van 7 augustus 2019 aan de redactie van het tijdschrift, waarin Werkneemsters essay was gepubliceerd, laten weten dat hij niet op de inhoud van het stuk wilde ingaan, maar wel wilde wijzen op het feit dat niet om een weerwoord van de RUG is gevraagd, terwijl het stuk een negatieve invloed kan hebben op de wervingskracht van de faculteit of de RUG en door de persoonlijke kritiek en verwijtende toonzetting collegiale verhoudingen heeft geschaad. Publicatie van dit soort stukken kan ook de reputatie van de auteur schaden. De redactie heeft volgens de decaan ‘the responsibility to circumvent the downsides that publishing essays like […] [Werkneemster’s] may have – for the targets within such essays, but also for the authors writing the essays.’
2.15
In oktober 2019 heeft Werkneemster, vergezeld door prof. [betrokkene 6], een gesprek met de decaan waarbij een medewerker van HR aanwezig is. Het verslag vermeldt dat uiteindelijk gezamenlijk wordt vastgesteld dat er een vertrouwensbreuk is tussen Werkneemster en een deel van de vakgroep, volgens Werkneemster vooral door het niet nakomen van afspraken ten aanzien van de promotie en volgens vakgroepsleden omdat zij zich beschadigd voelen in een publiek artikel. Besproken wordt dat het proces voor promotie tot UHD1 in gang wordt gezet met bevordering vóór 1 januari 2020, dat er een traject komt waarmee onder externe begeleiding wordt gewerkt aan herstel van vertrouwen tussen Werkneemster en collega’s en dat Werkneemster coaching krijgt aangeboden voor soft skills met doelen die passen binnen de tenure track. Het verslag van dit gesprek vermeldt dat Werkneemster zich voor het eerst echt gehoord voelt.
2.16
De door Werkneemster ingeschakelde advocaat laat de decaan op 5 december 2019 weten dat Werkneemster aanspraak maakt op de bevordering tot UHD1 en het daarbij behorende salaris per 1 juli 2018 omdat zij op dat moment al voldeed aan de eisen.
2.17
Het faculteitsbestuur besluit op 23 januari 2020 dat Werkneemster wordt benoemd tot UHD1 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2019, ondanks bedenkingen van [betrokkene 4] aan wie het faculteitsbestuur vooraf advies had gevraagd. In zijn advies merkte [betrokkene 4] op dat Werkneemster al begin 2019 was uitgenodigd door [leidinggevende] voor een gesprek om de bevordering op te pakken, welk gesprek niet tot stand kwam. [betrokkene 4] adviseert positief wanneer alleen wordt uitgegaan van Werkneemsters prestaties op gebied van onderwijs en onderzoek tot begin 2019. Als echter ook de ‘soft skills’ en de ontwikkelingen in 2019 meegenomen worden, dan adviseert hij negatief omdat er teveel zorgen zijn over competenties als verbindend leiderschap, zelfreflectie, communicatie en omgevingsbewustzijn.
2.18
Het faculteitsbestuur schrijft op 30 januari 2020 een brief aan Werkneemster waarin een overzicht wordt gegeven van incidenten, beginnend met de onder 2.5 genoemde brief van 30 augustus 2018, waarmee een vertrouwensbreuk is ontstaan tussen haar en meerdere seniorleden van de vakgroep. Zoals is besproken, wordt een mediationtraject gestart en een coachingstraject voor Werkneemster om de ‘soft skills’ te verbeteren, wat nodig is om goed te functioneren als UHD1 en nog meer nodig is bij verdere carrièrestappen. Ook volgt een traject voor de vakgroep, aldus het faculteitsbestuur.
2.19
Werkneemster weigert deel te nemen aan het ontwikkelassessment door GITP voor het coachingstraject. Mediation met de seniorleden van de vakgroep gaat in april 2020 wel van start.
2.20
De advocaat van Werkneemster protesteert op 20 april 2020 tegen de ingangsdatum van de benoeming tot UHD1 per 1 januari 2019 en eist dat dit zo snel mogelijk na de datum van aanvraag (4 juni 2018) wordt. Verwezen wordt naar het standpunt van [leidinggevende] in het onder 2.4 vermelde verslag van het gesprek in juli 2018. Maar de CIP heeft hoegenaamd geen rol bij benoeming van UHD2 naar UHD1 en Werkneemster heeft het advies van de CIP bij benoeming tot UHD2 ter harte genomen. Het door de decaan verlangde assessment heeft de schijn van een strafmodule waarbij de uitslag waarschijnlijk bij voorbaat vaststaat en kan leiden tot het eindigen van de arbeidsovereenkomst, schrijft de advocaat.
2.21
In oktober 2020 wordt het mediationtraject afgesloten met de conclusie dat de gesprekken hebben bijgedragen aan vertrouwensherstel en dat de verwachting voor de toekomst is dat ‘de lijnen open zijn’. Ook in die maand stelt [betrokkene 4] het verslag vast van een voor de zomer gehouden R&O-gesprek met Werkneemster. Over het concept-verslag ontstond eerder discussie. Het verslag vermeldt dat Werkneemster moet werken aan verbetering van haar competenties op het gebied van communicatie en samenwerking. Werkneemster is het daarmee niet eens. Haar advocaat maakt op 3 november 2020 formeel bezwaar tegen de R&O-beoordeling en schrijft dat vooringenomenheid geen maatstaf mag zijn bij beoordeling. Werkneemster verzoekt om een andere leidinggevende.
2.22
Naar aanleiding hiervan schrijven [betrokkene 4] en prof. [betrokkene 2] namens de vakgroep aan het faculteitsbestuur dat zij concluderen dat van herstel van vertrouwen geen sprake is. Werkneemster heeft de uitnodigingen van [betrokkene 4] om te praten over het verbetertraject niet beantwoord en ook dat draagt niet bij aan vertrouwen in vruchtbare samenwerking, aldus de schrijvers.
2.23
Het faculteitsbestuur vraagt Werkneemster hierna om mee te werken aan een tweede mediation. Uitvoering hiervan loopt vertraging op omdat Werkneemster zich op 19 maart 2021 ziek heeft gemeld. Op 6 juli 2021 laat de mediator weten dat het traject is geëindigd zonder resultaat.
2.24
In september 2021 wordt Werkneemster lid van de Universiteitsraad.
2.25
Het faculteitsbestuur schrijft op 3 september 2021, onder verwijzing naar zijn hiervoor onder 2.18 genoemde brief van 30 januari 2021, dat na de tweede mediation de vertrouwensbreuk onherstelbaar is gebleken en dat daarom voortzetting van het werk binnen de vakgroep niet meer mogelijk is. Via een herplaatsingsonderzoek moet worden onderzocht of herplaatsing mogelijk is binnen de RUG in de eigen functie of in een andere passende functie. De bedrijfsarts heeft urenopbouw geadviseerd van 4 uur per dag en vervolgens uitbreiding van een uur per dag per twee a drie weken. Hiermee moet rekening gehouden worden in het kader van re-integratie van Werkneemster. Voorgesteld wordt deze twee aspecten te combineren door zo snel mogelijk te starten met het herplaatsingsonderzoek en de re-integratie bij de uitkomsten aan te sluiten. Omdat Werkneemster ook een vertrouwensbreuk heeft met haar leidinggevende, zal de decaan tijdelijk als direct leidinggevende optreden.
2.26
De nieuwe advocaat van Werkneemster reageert op 8 september 2021: de opmerkingen over het functioneren van Werkneemster zijn niet gebaseerd op objectieve criteria, het bezwaar tegen de niet toegekende promotie en de obstructie van haar carrière kan in verband worden gebracht met discriminatie. Nergens blijkt uit dat sprake is van een onherstelbaar gebleken vertrouwensbreuk met meerdere stafleden, maar wel met [betrokkene 4] . Werkneemster is het ermee eens dat wordt gekeken naar een andere plek binnen de RUG, niet omdat er een vertrouwensbreuk met meerdere stafleden zou zijn maar omdat de werkomgeving voor Werkneemster niet veilig is.
2.27
Vier hoogleraren, onder wie twee vrouwen, schrijven daarna op 29 september 2021 namens de hele vakgroep aan de decaan dat de stelling van Werkneemster onjuist is. Zij heeft met alle senior stafleden van de vakgroep een onherstelbaar verstoorde verhouding.
2.28
Werkneemster solliciteerde hierna op eigen initiatief op de vacature per 1 december 2021 voor directeur academische staf bij het University College Groningen (UCG), een managementfunctie. Het UCG was bereid haar een vrijstelling te geven van 0,2 voor onderzoek en de benoemingscommissie adviseerde unaniem positief. De jurist van de RUG kwam met een voorstel voor de overgang van FEB naar UCG, waarop de advocaat van Werkneemster reageerde met de aanvullende voorwaarde van een hoger salaris, benoeming tot adjunct hoogleraar per 1 januari 2022 en tot hoogleraar 2 per september 2022. De decaan van het UCG heeft vervolgens op 22 december 2021 meegedeeld dat zij nu een voorkeur had voor een andere kandidaat.
2.29
Een dag later heeft de RUG aangekondigd dat een formeel herplaatsingstraject zou worden gestart. De advocaat van Werkneemster schreef op 13 januari 2022 dat Werkneemster de vaststelling dat sprake is van een onherstelbare vertrouwensbreuk (met de vakgroep binnen FEB) niet zonder meer deelt, dat zij zich niet veilig heeft gevoeld op haar werkplek en dat zij bereid is hierover in gesprek te gaan. De RUG heeft daarop geantwoord dat het ondanks een intensief traject van twee jaar niet is gelukt het vertrouwen te herstellen en dat nu gesproken moet worden over herplaatsing. Op 18 maart 2022 reageerde de advocaat van Werkneemster dat Werkneemster tijd nodig heeft om zelf met een concreet voorstel te komen en dat de faculteit voor een veilige werkplek moet zorgen. Vervolgens stelde Werkneemster op 6 april 2022 voor dat zij een nieuw programma zou opzetten in een aparte afdeling, met een benoeming tot hoogleraar in het verschiet. Dit voorstel is afgewezen omdat het niet past binnen het strategische plan van FEB en gewezen is op de procedure voor benoeming tot hoogleraar via de CIP.
2.30
Op 8 juni 2022 is Werkneemster verzocht een afspraak te maken met de loopbaanadviseur, van wie zij al een uitnodiging heeft ontvangen, voor de start van het herplaatsingstraject. In een rapport van 28 september 2022 is vastgesteld dat er op dat moment en in de komende maanden geen concrete mogelijkheden voor herplaatsing zijn.
2.31
Op 16 december 2022 heeft RUG het ontbindingsverzoek ingediend.
3. Procesverloop
3.1
De RUG heeft de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst met Werkneemster te ontbinden op grond van art. 7:671b lid 1 sub a jo. art. 7:669 lid 3 sub g, dan wel h, dan wel i BW. Volgens de RUG is sprake van een volledig verstoorde arbeidsverhouding, dan wel van een onverenigbaar verschil van inzicht, dan wel een combinatie van omstandigheden die zodanig zijn dat van de RUG redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
3.2
Bij beschikking van 8 maart 2023 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 mei 2023 ontbonden op de g-grond. Zij heeft geoordeeld dat het ontbindingsverzoek geen verband houdt met het lidmaatschap van de Universiteitsraad. Ook als sprake zou zijn van inbreuk op het recht van vrije meningsuiting, is de arbeidsverhouding volgens beide partijen onwerkbaar geworden. Een andere passende functie was niet beschikbaar. Bij het ontstaan daarvan speelde de RUG volgens de kantonrechter een doorslaggevende rol. De kantonrechter heeft Werkneemster veroordeeld in de proceskosten.
3.3
In hoger beroep heeft Werkneemster primair verzocht om herstel van de dienstbetrekking per 1 mei 2023, met aanspraak op loondoorbetaling, op werkhervatting en veroordeling van de RUG in de proceskosten in beide instanties. Het subsidiaire verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding is ter zitting in appel ingetrokken. De RUG heeft in het door haar ingestelde incidentele hoger beroep om bekrachtiging verzocht van de uitspraak in eerste aanleg, met verbetering van gronden.
3.4
Bij beschikking van 8 januari 2024 (de bestreden uitspraak) heeft het hof beoordeeld of de arbeidsovereenkomst mocht worden ontbonden ondanks het beroep van Werkneemster op bescherming van de vrijheid van meningsuiting en het opzegverbod gedurende haar lidmaatschap van de Universiteitsraad. Het dienstverband is volgens het hof terecht is ontbonden, maar de grief tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg slaagt wel. De RUG is niet-ontvankelijk verklaard in haar incidenteel appel nu zij geen andere beslissing wil dan die door de kantonrechter is gegeven, zodat het beroep van de RUG kan worden aangemerkt als nodeloos ingesteld. Voor zover relevant in cassatie heeft het hof het volgende overwogen (zonder verwijzingen):
‘onvoldoende causaal verband tussen meningsuiting en ontbinding
3.26
Volgens [Werkneemster] heeft de kantonrechter ten onrechte het verband tussen haar essay en het ontbindingsverzoek in het midden gelaten bij het oordeel dat hoe dan ook sprake was van een ernstig verstoorde arbeidsverhouding.
3.27
Publicatie van dat essay valt onder het mede door artikel 10 EVRM beschermde recht op vrijheid van meningsuiting. Van inmenging in die vrijheid kan ook sprake zijn als aan de uiting arbeidsrechtelijke sancties worden verbonden.
Uit rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat bij de beantwoording van de vraag of causaal verband aanwezig is tussen een uiting en de gestelde sanctie, moet worden gelet op het geheel van gebeurtenissen vanaf de uiting tot aan het opleggen van de sanctie, in hun onderlinge samenhang.
Het hof geeft [Werkneemster] in die zin gelijk, dat de inhoud van haar essay een schakel is in de keten van gebeurtenissen die hebben geleid tot de uiteindelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Maar die keten is niet begonnen met de publicatie van het essay. En tussen de publicatie in juni 2019 en de datum van indiening van het ontbindingsverzoek in december 2022 zit ongeveer tweeënhalf jaar, waarin veel is gebeurd dat van invloed is geweest op de arbeidsverhouding. Dat sluit niet uit dat daaruit voldoende causaal verband kan blijken. Of dat zo is, onderzoekt het hof door hierna de schakels in de keten na te lopen.
3.28
[Werkneemster] is aanmerkelijk sneller opgeklommen in de universitaire rangen dan is beschreven in de ‘tenure track’ en in 2013 werd voorzien. Al binnen een half jaar na haar promotie tot UD1 is zij in december 2015 benoemd tot UHD2, terwijl dat aanvankelijk eind 2018 verwacht werd.
Daarbij werd [Werkneemster] er wel op gewezen dat zij moest zorgen voor meer publicaties in tijdschriften op het facultaire vakgebied. Twee jaar later heeft [Werkneemster] , zo staat in het verslag van het R&O-gesprek in 2017, artikelen aangeleverd bij dergelijke tijdschriften. “However, these submissions were rejected for now, with the consequence that the number of published and accepted first-authored papers for high-quality journals is relatively low as of the year of 2014”. Het is niet meer dan logisch dat haar leidinggevende [leidinggevende] dan op dat punt vooruitgang wil zien, temeer omdat [Werkneemster] het hoogleraarschap ambieert en de CIP daarbij een rol speelt, evenals bij een eerdere stap tot adjunct hoogleraar. De CIP had immers al in het advies bij haar vorige promotie het aantal publicaties in relevante vaktijdschriften als aandachtspunt genoemd (zie 3.4). In de zomer van 2018 wenst [Werkneemster] een promotie tot UHD1, waaraan [leidinggevende] wil meewerken als [Werkneemster] twee publicaties zoals bedoeld kan laten zien. En die zijn er dan nog niet.
Het mag zo zijn dat de CIP niet betrokken wordt bij een promotie tot UHD1, dat neemt niet weg dat [Werkneemster] vanaf 2015 wist dat haar publicatielijst op een voor de faculteit belangrijk punt nog tekort schoot. Daaraan zou zij werken, zoals zij [leidinggevende] in 2017 toezegde. Uit het verslag van het R&O-gesprek blijkt dat zij zich daaraan op dat moment ook heeft gecommitteerd.
3.29
Tegen die achtergrond kan het hof de beschuldiging van [Werkneemster] in haar brief van 30 augustus 2018 (zie 3.6) dat [leidinggevende] haar carrière met onware en willekeurige argumenten dwarsboomt, niet plaatsen. Het ging om een rationeel argument, een terecht en eerder herhaald uitgesproken punt van zorg, dat [Werkneemster] in oktober 2017 nog leek te onderschrijven. [Werkneemster] heeft het hof niet duidelijk kunnen maken dat aan haar additionele eisen werden gesteld of dat de criteria onvoldoende duidelijk waren.
Door in de brief van augustus 2018 ook woorden te gebruiken als ‘scientific harassment’ en, gissend naar motieven voor de opstelling van [leidinggevende] , ‘seksistisch’, blaast [Werkneemster] de zaak niet alleen op tot buitengewone proporties, maar schoffeert zij ook haar leidinggevende. In haar verweerschrift tegen het incidentele hoger beroep stelt [Werkneemster] dat haar brief ten onrechte niet is aangemerkt en behandeld als een melding over ongelijke behandeling. Dat dit niet is gebeurd kan het hof begrijpen, want dat [Werkneemster] zo’n melding heeft willen doen blijkt niet uit een voldoende onderbouwde stelling in de brief en die bedoeling heeft zij ook niet kenbaar gemaakt in daarop gevolgde gesprekken, terwijl van [Werkneemster] , gelet op haar expertise, op dat punt voldoende duidelijkheid had mogen worden verwacht.
Ook nadat andere hoogleraren (onder wie twee vrouwen) en het faculteitsbestuur de lijn van [leidinggevende] als juist beoordeelden (zie 3.7 en 3.8) en [leidinggevende] zelf in een gesprek met [Werkneemster] aangaf hoe kwetsend hij het vond, heeft [Werkneemster] haar beschuldigende woorden niet ingetrokken. Vervolgens heeft [Werkneemster] er zelf voor gezorgd dat de gewenste promotie niet al begin 2019 gerealiseerd werd, hoewel zij toen aan de publicatie-eis voldeed, doordat zij uitnodigingen van haar leidinggevende voor een gesprek daarover tot driemaal toe negeerde.
Het hof constateert dat, gelet op deze gebeurtenissen, de verstoring van de arbeidsverhouding al in augustus 2018 is begonnen, toen [Werkneemster] met haar brief vooral de verhouding met haar leidinggevende op scherp stelde.
3.30
In juni 2019 verscheen het onder 3.10 vermelde essay. Het is een bijdrage in een wetenschappelijk tijdschrift waarmee de academische discussie wordt aangejaagd over de schaduwkanten van beleid dat gericht is op het dichten van de genderkloof door de doorstroom van vrouwen naar hogere functies te bevorderen.
De inhoud van het artikel heeft niet bijgedragen aan herstel van al verstoorde verhoudingen. De RUG heeft aangevoerd dat senior collega’s zich geschaad hebben gevoeld in hun reputatie door gebruik van woorden als ‘illegaal en corrupt’ gedrag en het creëren van ‘mannelijke protegés’ en dat zij ook persoonlijk zijn benaderd met vragen uit het land. [leidinggevende] is teruggetreden als leidinggevende van [Werkneemster] .
Volgens [Werkneemster] zijn de onder 3.12 vermelde brief van 16 juli 2019 en de brief van de decaan aan de redactie van het tijdschrift waarin haar essay is gepubliceerd te kwalificeren als sancties ten opzichte van haar. Zij stelt dat er vanuit het faculteitsbestuur en de vakgroep op is ingezet om haar aan te pakken.
Het hof oordeelt dat [Werkneemster] in hoger beroep onvoldoende heeft uitgewerkt dat de mail van 16 juli en de brief van 7 augustus 2019 een sanctie zijn op haar artikel. Dat haar artikel niet uitsluitend tot een wetenschappelijke discussie, maar ook tot interne onrust zou leiden was naar het oordeel van het hof te voorzien. Ook voor [Werkneemster] .
In die situatie is het begrijpelijk dat de RUG op die onrust moest reageren en de commotie bespreekbaar wilde maken (wat overigens volgens [Werkneemster] ook een van de doelen van het essay was), wat is geprobeerd met de mail van 16 juli 2019. De toonzetting van die mail was voor verbetering vatbaar, maar de mededeling dat gesprekken gaande zijn die gericht zijn op een oplossing voor de toekomst is kalmerend en duidt niet op een persoonlijke afstraffing van [Werkneemster] .
Bij de keuze van de decaan om een brief aan de redactie van het tijdschrift te sturen, die eindigt met het uitspreken van de hoop dat het publicatiebeleid met betrekking tot de essayrubriek zorgvuldig wordt heroverwogen, kunnen vraagtekens worden geplaatst. Maar daarmee is die brief nog geen (zelfstandige) sanctie op het essay, met de (voorzienbare) mogelijkheid van een ‘chilling effect’ op het gebruik van de vrijheid van meningsuiting. Daarbij zijn ook van belang de context van de arbeidsovereenkomst en de omstandigheid dat vakgroepleden zich door het essay persoonlijk aangevallen voelden.
3.31
In haar verweerschrift tegen het hoger beroep van de RUG heeft [Werkneemster] betoogd dat ook de van haar verlangde medewerking aan gesprekken moet worden aangemerkt als een sanctie op haar artikel. Dat ziet het hof anders. De RUG mocht als werkgever van [Werkneemster] verlangen dat zij meewerkte aan het bespreken van wat zij in haar essay had gesignaleerd en de daardoor ontstane commotie binnen haar vakgroep. Gepoogd is om de verhoudingen te normaliseren. In het onder 3.13 bedoelde gesprek in oktober 2019 hebben beide partijen geconstateerd dat de verhoudingen verstoord zijn. Anders dan de RUG wijt [Werkneemster] dat zelf aan het nog niet verkrijgen van de door haar gewenste promotie, en dus niet aan het essay. [Werkneemster] vond dit een goed gesprek, zo blijkt uit het verslag. Dit betekent dat nà het essay de onderlinge verhoudingen door inspanningen van beide partijen verbeterden. Uitkomst van dat gesprek was ook dat de RUG besloot om [Werkneemster] alsnog de promotie te geven. Niets duidt erop dat de RUG, als sanctie op het essay, in die fase streefde naar een einde van de arbeidsovereenkomst.
3.32
Het hof beschouwt de benoeming tot UHD1 begin 2020, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2019, als een belangrijke contra-indicatie voor de stelling van [Werkneemster] dat het eind 2022 ingediende ontbindingsverzoek een reactie is op haar essay.
[Werkneemster] zelf was over de gang van zaken niet tevreden. Zij heeft via haar advocaat aanspraak gemaakt op die benoeming per 1 juli 2018 omdat zij toen al aan de eisen daarvoor zou voldoen. Dat is echter feitelijk onjuist, gelet op wat het hof heeft overwogen aan het slot van overweging 3.27 en het begin van overweging 3.28. Door dit (naar het oordeel van het hof dus onjuiste) standpunt in te nemen zette [Werkneemster] de arbeidsverhoudingen opnieuw op scherp, dit ondanks de rust die na het gesprek van oktober 2019 was ontstaan.
3.33
Ook hierna heeft de RUG zich ingespannen voor verbetering van de onderlinge verhouding tussen [Werkneemster] enerzijds en haar nieuwe leidinggevende [betrokkene 4] , andere hoogleraren en leden van de vakgroep anderzijds. Eerder al was [Werkneemster] aangespoord om in gesprek te gaan, wat zij aanvankelijk weigerde (zie 3.11). Daarna is externe begeleiding bij die gesprekken aangeboden (zie 3.13). Mediation met de seniorleden van de vakgroep werd in oktober 2020 (voorzichtig) positief afgesloten (zie 3.17).
Hierover verklaart [Werkneemster] achteraf dat zij dit traject als onveilig en opnieuw als ‘harassment’ heeft ervaren. Dat daarvoor objectief reden was, heeft [Werkneemster] niet onderbouwd. De RUG heeft een geregistreerde mediator ingeschakeld. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de inzet van de RUG om de werkverhoudingen te verbeteren met het oog op voortzetting van de wetenschappelijke carrière van [Werkneemster] .
3.34
De RUG heeft, zoals op 8 oktober 2019 is besproken tussen de decaan en [Werkneemster] , daarnaast individuele coaching van [Werkneemster] aangeboden (zie 3.13). [Werkneemster] vond dat de noodzaak daarvan niet was onderbouwd en weigerde deelname aan het ontwikkelassessment dat vooraf gaat aan de coaching (zie 3.15). Vrij snel na de afsluiting van het eerste mediationtraject ontstond opnieuw wrijving omdat [Werkneemster] niet accepteerde dat haar nieuwe leidinggevende verlangde dat zij zou werken aan competenties op het gebied van communicatie en samenwerking (3.17).
[Werkneemster] vindt dat ten onrechte van haar werd gevraagd te werken aan ‘soft skills’, want dat is naar haar mening geen onderdeel van de ‘tenure track’. Het hof verwerpt die opvatting. Het getuigt van goed werkgeverschap dat coaching wordt aangeboden op het gebied van onder meer communicatie, wanneer op dat gebied problemen ontstaan tussen werknemers onderling of in de relatie met leidinggevenden. Ook het verslag van het gesprek op 8 oktober 2019 geeft daarvoor aanleiding, want daarin is vermeld dat [Werkneemster] niet ziet dat haar essay beschadigend is voor haar directe collega’s, en volgens haar staat dat er ook niet. Blijkens het verslag wordt vervolgens geconstateerd dat er sprake lijkt van een duidelijk verschil tussen intentie en effect. Maar daarmee is, gelet op wat hiervoor is overwogen, en anders dan de kantonrechter overweegt onder 5.12 van de beschikking [Werkneemster] opmerkt in haar verweerschrift in het incidenteel hoger beroep, niet gezegd dat de publicatie redengevend was voor het coachingstraject.
[Werkneemster] miskent bovendien dat haar werkgeefster een instructierecht heeft en dat deze bevoegdheid niet is beperkt tot de (momenten van) stappen in de tenure track. Het was overigens wel nuttig geweest als in verslagen van R&O-gesprekken kenbaar aandacht was besteed aan ontwikkelpunten op het gebied van sociale vaardigheden, die in samenwerkingsverband van groot belang zijn.
3.35
[Werkneemster] wilde na het conflict met haar tweede leidinggevende opnieuw een andere leidinggevende. Ook dan probeert de RUG de situatie nog vlot te trekken, maar het tweede mediationtraject bood geen oplossing (zie 3.18). Daarna is vanaf september 2021 onderzocht of herplaatsing mogelijk was (3.20 - 3.22) en toen dat niet tot resultaat leidde, is in december 2022 het ontbindingsverzoek ingediend.
[Werkneemster] meent dat de RUG in het kader van herplaatsing meer had moeten doen en zo nodig een speciale plaats voor haar had moeten creëren. Daarvoor geeft zij als reden dat de RUG verplicht is haar een veilige werkplek te bieden. De Ontslagregeling geeft in de artikelen 9 en 10 nadere voorschriften voor de invulling van de herplaatsingsverplichting. Die gaan echter niet zo ver dat een plaats gecreëerd moet worden. Na september 2021 is er beduidend meer tijd dan gebruikelijk gestoken in het vinden van een andere passende functie voor [Werkneemster] , waarbij zij ook gelegenheid heeft gekregen om zelf voorstellen te doen. Bij het onderhandelen over voorwaarden waaronder [Werkneemster] in dienst wilde treden bij het UCG heeft zij zelf een inschattingsfout gemaakt (zie 3.21). De RUG treft daarvan geen verwijt.
3.36
[Werkneemster] maakt de RUG wel twee andere verwijten. Haar eind 2020 ingediende bezwaar tegen het R&O verslag van 11 september 2020 is niet in behandeling genomen en tijdens haar ziekte in 2021 is geen plan van aanpak opgemaakt. Wat ook zij van de gegrondheid van die verwijten, niet duidelijk is gemaakt welk verband die verwijten hebben met de publicatie en het uiteindelijke ontbindingsverzoek of met het petitum in hoger beroep. Het hof gaat er daarom aan voorbij.
3.37
Het hof kan uit de gebeurtenissen na publicatie van het essay, hiervoor besproken vanaf overweging 3.30, niet afleiden dat zonder de publicatie het ontbindingsverzoek niet zou zijn ingediend. Voorafgaand aan die publicatie was al sprake van verstoorde verhoudingen omdat [Werkneemster] meende dat aan haar onterechte eisen werden gesteld, en dat conflict is (na de publicatie) op precies datzelfde punt voortgezet, zoals is beschreven onder 3.32. De publicatie is wel een schakel geweest in de gebeurtenissen, maar geen essentiële schakel in de keten die leidde tot het ontbindingsverzoek. Het hof verwijst naar wat het hiervoor heeft overwogen over de houding van [Werkneemster] voorafgaand en na het verschijnen van haar essay. Daarmee is er, ook gelet op het geheel van de gebeurtenissen in onderling verband, onvoldoende causaal verband tussen de uiting en de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Het beroep van [Werkneemster] op schending van haar recht op vrije meningsuiting is dan ook ongegrond.
(…)
de herplaatsingsplicht is niet geschonden
3.41
Volgens [Werkneemster] moet een werkgever die doelbewust een verstoorde arbeidsverhouding creëert, de arbeidsovereenkomst voortzetten. Het hof kan aan die stelling voorbijgaan, omdat die situatie zich niet voordoet. De slechte verhoudingen vinden hun oorsprong in de (onjuiste) opvatting van [Werkneemster] dat niet van haar kon worden geëist dat zij aan eerder verlangde publicatie-eisen voldeed voordat zij een volgende promotiestap kon maken, waarna zij haar leidinggevende ernstige verwijten ging maken. En deze slechte verhoudingen zijn voortgezet door haar weinig coöperatieve houding, ook na het essay, om tot werkbare verhoudingen te komen.
3.42
Ook voert [Werkneemster] aan dat zij bij de Letterenfaculteit welkom is, zij het dat daar geen passende vacature is, en dat wel bestaande vacatures hoger ingeschaald kunnen worden zodat zij daarmee passend zouden zijn.
Dit betoog gaat niet op, gelet op artikel 9 van de hiervoor al genoemde Ontslagregeling. Dat artikel gaat uit van herplaatsing op vacatures voor passende functies waarbij van een passende functie sprake is wanneer deze aansluit bij de opleiding, ervaring en capaciteiten van de werknemer. Die functie hoeft dus niet gecreëerd te worden, ook niet door opwaardering van vacatures waardoor die wel geschikt zouden worden voor [Werkneemster] . [Werkneemster] heeft nog gewezen op de interne regeling bij vacaturevervulling, maar niet gesteld en onderbouwd dat de RUG zich daaraan niet zou hebben gehouden.
3.43
Het hof is dan ook van oordeel dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met [Werkneemster] terecht heeft ontbonden, zodat het in hoger beroep verzochte herstel van die overeenkomst niet toewijsbaar is.’
3.5
Werkneemster heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. De RUG heeft geconcludeerd tot verwerping. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten, waarna is gerepliceerd en gedupliceerd.
4. Juridisch kader
Vrijheid van meningsuiting
4.1
Een hoofdvraag in cassatie is of het hof voldoende rekenschap heeft gegeven van Werkneemsters beroep op het recht van vrijheid van meningsuiting en de academische vrijheid. Daartoe schets ik eerst het bredere veld van deze (grond)rechten.
4.2
Het recht op vrijheid van meningsuiting is neergelegd in art. 10 EVRM en ook in art. 7 Grondwet2.. Art. 10 EVRM luidt als volgt:
“Artikel 10. Vrijheid van meningsuiting
1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio- omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.
2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.”
4.3
Omdat art. 10 EVRM een ruimer toepassingsgebied heeft3., kan art. 7 Grondwet hier verder buiten bespreking blijven.
Toepasselijkheid van art. 10 EVRM
Doorwerking in privaatrechtelijke verhoudingen
4.4
Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) ‘verticaliseert’ horizontale conflicten over vrijheid van meningsuiting door de nationale rechter verantwoordelijk te houden voor een juiste afweging van het recht op vrijheid van meningsuiting en andere belangen4.. Daardoor is het vereiste van staatsaansprakelijkheid uit art. 1 EVRM zelden problematisch in dit verband5.. Het geschil dat nu in cassatie voorligt draait om een civielrechtelijke arbeidsovereenkomst tussen de RUG als publiekrechtelijk rechtspersoon6.en Werkneemster (in ieder geval sinds de inwerkingtreding van de Wnra7.). Het is bestendige rechtspraak van het EHRM dat art. 10 EVRM ook van toepassing is in arbeidsverhoudingen, ook als deze van privaatrechtelijke aard zijn8.. Art. 10 EVRM speelt in die verhouding een rol, omdat er een positieve verplichting op de verdragsstaten rust om het recht op vrijheid van meningsuiting te beschermen en van de rechter wordt in dat verband verlangd te waarborgen dat in de horizontale relatie tussen private partijen geen sprake is van een inbreuk op art. 10 EVRM9.. Daarnaast heeft het EHRM uitgemaakt dat ook wanneer een overheidsorgaan privaatrechtelijk handelt, het gehouden is om de vrijheid van meningsuiting te respecteren10..
Meningsuiting
4.5
Voor de toepasselijkheid van art. 10 EVRM is vereist dat er sprake is van een ‘meningsuiting’. Het EHRM geeft een ruime uitleg aan dit begrip. Art. 10 EVRM beschermt niet alleen de inhoud van de geuite informatie en ideeën, maar ook de manier waarop deze zijn geuit11.. Het toepassingsbereik is niet beperkt tot bepaalde soorten informatie of ideeën of uitdrukkingsvormen12., met name van politieke aard, maar ook culturele uitingen, zoals een schilderij13., of commerciële uitingen worden beschermd14.. Art. 10 is van toepassing op een grote verscheidenheid aan uitdrukkingsvormen15., van het publiceren van foto’s16.tot het klikken op een ‘like-button’ op sociale netwerken17.. Het EHRM sluit echter niet uit dat bepaalde soorten uitingen niet onder de bescherming van art. 10 EVRM vallen. In het bijzonder kan een beledigende uiting daarbuiten vallen als het enige doel daarvan is om te beledigen18.. Dat laat onverlet dat schokkende of beledigende uitingen ook onder de bescherming kunnen vallen19.. In Gaspari/Armenië nr. 2 heeft het EHRM daarover als volgt geoordeeld:
‘It reiterates that a clear distinction must be made between criticism and insult. If the sole intent of any form of expression is to insult, an appropriate punishment would not, in principle constitute a violation of Article 10 of the Convention […]. However, not every remark which may be perceived as offensive or insulting by particular individuals or groups justifies a criminal conviction. While such sentiments are understandable, they alone cannot set the limits of freedom of expression. It is only by a careful examination of the context in which the offending, insulting or aggressive words appear that one can draw a meaningful distinction between shocking and offensive language which is protected by Article 10 of the Convention and language which amounts to wanton denigration – for example, where the sole intent of the offensive statement is to insult – thereby falling outside the protection of freedom of expression […].’
4.6
Gelet op dit ruime toepassingsbereik moet het essay van Werkneemster als een meningsuiting worden beschouwd waarop art. 10 EVRM van toepassing is20.. Het ging immers om een wetenschappelijke bijdrage in een tijdschrift en dat daarin woorden zijn gebruikt waaraan collega’s/leidinggevenden aanstoot hebben genomen, maakt niet dat de uiting niet als een meningsuiting volgens art. 10 EVRM wordt beschermd21..
Inmenging
4.7
Van ‘inmenging’ in de vrijheid van meningsuiting is niet alleen sprake bij een publicatieverbod22., maar ook wanneer aan een uiting sancties van strafrechtelijke23., privaatrechtelijke24., tuchtrechtelijke25.of arbeidsrechtelijke aard worden verbonden26.(hierna ook aangeduid met de verzamelterm ‘sancties’ of ‘maatregelen’). Een verzoek in rechte tot ontbinding van een arbeidsovereenkomst kan als zo’n sanctie van arbeidsrechtelijke aard worden aangemerkt27.. Ook minder vergaande restricties en maatregelen met geringe materiële consequenties kunnen kwalificeren als inmenging. Zo heeft het EHRM geoordeeld dat het bevel van de overheid aan een krantenredactie om de oplage van die krant in te trekken vanwege de inhoud van een artikel als een inmenging moet worden gezien28.. Ook feitelijke handelingen zoals mishandeling van journalisten kunnen daaronder vallen29.. Ook een berisping – een administratieve sanctie – die een wetenschapper had gekregen wegens deelname aan een televisieprogramma buiten zijn woonplaats zonder toestemming van zijn leidinggevende, had te gelden als een inmenging in de vrijheid van meningsuiting, omdat dat mogelijk impact had op uitoefening van de vrijheid van meningsuiting van de werknemer en daar een zogenoemd chilling effect op kan hebben30.:
‘39. The Court thus considers that, however minimal the sanction (a reprimand) imposed on the applicant for taking part in a television programme outside his city of residence without the authorisation of his supervisors, it was liable to have an impact on the exercise of his freedom of expression and even to have a chilling effect in that regard.
40. Consequently, it considers that the impugned measure amounted to interference with the applicant’s right to freedom of expression.’
4.8
Uit deze rechtspraak volgt dat de drempel voor het inroepen van art. 10 EVRM in privaatrechtelijke arbeidsverhoudingen niet erg hoog is. Elke als inmenging op de vrijheid van meningsuiting aan te nemen maatregel, of het nu een sanctie, of feitelijke maatregel of handeling is, moet vervolgens zorgvuldig worden getoetst op toelaatbaarheid volgens de criteria van art. 10 lid 2 EVRM31..
4.9
Het inmengingsbegrip kent wel grenzen. Zo heeft het EHRM geoordeeld dat geen sprake was van inmenging toen een klager, een Rus die politiek actief was in Letland, naturalisatie tot Let werd geweigerd, maar er overigens geen maatregelen werden getroffen tegen hem. Volgens het Hof bleek uit niets dat het beleid van de Letse regering met betrekking tot naturalisatie een chilling effect had op de aanvrager of personen die soortgelijke standpunten naar voren brengen32.. Gerards is hier kritisch over omdat zij meent dat er wel degelijk een chilling effect kan uitgaan van het niet kunnen verkrijgen van de nationaliteit van een land vanwege het doen van kritische uitlatingen, in ieder geval voor anderen dan klager33.. Het Hof verwoordde dit zo:
‘77. The applicant alleged that the refusal to grant him Latvian citizenship through naturalisation was a punitive measure in response to the views he had expressed during the various demonstrations against the education reform. The Court observes, however, that the applicant had been able freely to express his views, which had been widely reported in the mass media at the time (…). Besides, he continued to express his views on the education reform without any hindrance after his application for naturalisation was refused (…). Furthermore, the applicant remained politically active and continued to express his views also on other matters of public interest (…). The Court notes that the availability or absence of a given civil status does not appear to have interfered with the applicant’s civic activities. Even though the applicant maintained that the decision regarding his naturalisation application had affected his courage to speak up and had, therefore, impeded his participation in debates on matters of public interest, the Government submitted ample evidence to the contrary (…) and the applicant did not further substantiate his allegation or submit any proof in this connection. Nor is there any other information in the Court’s possession suggesting that the Government’s policy relating to citizenship may have generated a chilling effect for the applicant or those expressing similar views.’
4.10
Maar waar die grenzen precies liggen, is een behoorlijk casuïstisch verhaal. Een indicatie in andere richting volgde in een zaak van zeven jaar later (2022), waarin werd geoordeeld dat zelfs een overweging ten overvloede van een tuchtrechter in een zaak die niet op een tuchtrechtelijke veroordeling uitliep wegens verjaring een inmenging kan zijn. Het ging om een wetenschappelijke medewerker van defensie, tevens hoogleraar constitutioneel recht aan een Spaanse universiteit, die in een op televisie uitgezonden wetenschappelijk debat kritiek had geleverd op de Spaanse grondwet. In een obiter dictum gaf de tuchtrechter ondanks dat het feit verjaard was echter wel aan dat de medewerker hier wel de wet had overtreden met zijn uitlatingen. Dat beschouwde het Hof als een feitelijke waarschuwing of vermaning aan zijn adres, die een chilling effect op hem kan hebben en hem ervan kan weerhouden in de toekomst soortgelijke meningen te uiten, aangezien er mogelijk nieuwe procedures kunnen worden gestart34..
4.11
Eerder was in Steur/Nederland door het EHRM al iets vergelijkbaars geoordeeld in een advocatentuchtrechtzaak. De advocaat in kwestie – die kritiek had op de werkwijze van een opsporingsambtenaar tijdens een verhoor – was berispt, omdat hij professionele normen had geschonden. Dat kan een negatief effect hebben op de advocaat, in die zin dat hij zich beperkt zou kunnen voelen in zijn keuze van feitelijke of juridische argumenten bij de verdediging van zijn cliënten in toekomstige zaken. De advocaat is daarmee onderworpen aan een ‘formality’ of ‘restriction’ van zijn vrijheid van meningsuiting, zodat gesproken kan worden van inmenging35..
4.12
Uit deze rechtspraak volgt dat de vraag of de aard van een bepaalde maatregel meebrengt dat sprake is van een inmenging in de zin van art. 10 EVRM, er sterk mee samenhangt of de maatregel de mogelijkheid schept van een chilling effect in de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting.
Causaal verband tussen uiting en sanctie
4.13
Pas als er sprake is van een causaal verband tussen een meningsuiting en een sanctie, kan die sanctie kwalificeren als een ‘inmenging’ in de zin van art. 10 EVRM36.. Bij de vaststelling van dat causaal verband moet worden gelet op het geheel van gebeurtenissen vanaf de uiting tot aan het opleggen van de sanctie, in hun onderlinge samenhang bezien37.. Bij dergelijke causaliteitsvraagstukken is sprake van een sterk feitelijke beoordelingscomponent38..
4.14
In Żurek/Polen, ook uit 2022, was dit causaal verband tussen uiting en sanctie aan de orde39.. Het ging hier om uitingen van een rechter, die tevens lid en woordvoerder was van de Poolse Raad voor de Rechtspraak (NCJ), in de periode 2015-2018 die vooraf ging aan de controversiële wetswijziging waarmee de NCJ onder de controle van het parlement werd geplaatst door de toenmalige PIS-regering. Żurek wees in die periode in zijn hoedanigheid van woordvoerder veelvuldig in de media op de bedreigingen voor de rechtsstaat en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht die voortvloeiden uit de betreffende wetswijziging. Vervolgens werd hij ontslagen als woordvoerder van de regionale rechtbank van Krakau en werd zijn positie als woordvoerder van de NCJ ook beëindigd. Verder werd hij geconfronteerd met disciplinaire procedures en onderzoeken door justitiële en fiscale autoriteiten die zich uitstrekten tot zijn familie.
4.15
Het EHRM stelt voorop dat om te bepalen of er sprake is van een inmenging eerst moet worden nagegaan of er een causaal verband is tussen uiting en sanctie. Het Hof memoreert eerdere rechtspraak40.waarin inmenging werd aangenomen bij maatregelen die uitsluitend of hoofdzakelijk (exclusively or principally) het gevolg waren van de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting41.. In gevallen daarentegen waarin de maatregelen voornamelijk (mainly) verband hielden met het vermogen van de verzoeker om zijn of haar taken uit te voeren, was geen sprake van inmenging42.. Dit vat het Hof als volgt samen in Żurek/Polen:
‘202. Where the Court has found that the measures complained of were exclusively or principally the result of the exercise by an applicant of his or her freedom of expression, it has taken the view that there was an interference with the right under Article 10 of the Convention […]. In cases where it has, by contrast, considered that the measures were mainly related to the applicant’s capacity to perform his or her duties, it found that there had been no interference under Article 10 […].’ (Onderstrepingen A-G)
4.16
Het EHRM houdt rekening met de redenen die de autoriteiten aanvoeren en met argumenten in eventuele latere procedures. Desalniettemin voert het EHRM ook zelf een onafhankelijke beoordeling uit om te bepalen of dit causaal verband aanwezig is tussen uiting en maatregelen. Daarbij is oog voor de opeenvolging van relevante gebeurtenissen in hun geheel beschouwd, in plaats van een beschouwing van die gebeurtenissen als afzonderlijke incidenten. Bovendien, indien er enig prima facie bewijs is dat er sprake is van bedoeld causaal verband, dan zal de regering moeten bewijzen dat de betrokken maatregelen om andere redenen zijn genomen, zo volgt ook uit Żurek/Polen43..
4.17
Het EHRM heeft in die Poolse zaak geoordeeld dat de meeste maatregelen verband hielden met de door Żurek geuite kritiek en dat er dus wat betreft die maatregelen sprake was van inmenging. Maar voor de voortijdige beëindiging van zijn ambtstermijn als rechterlijk lid van de NCJ lag dat volgens het Hof anders. Die beëindiging, wat het verlies van zijn woordvoerderschap van dat orgaan betekende, hield volgens het Hof alleen in zekere mate verband met de uitoefening van zijn vrijheid van meningsuiting, maar werd niet primair door die factor gemotiveerd. Er was wat die maatregel betreft dus geen sprake van inmenging:
“209. (…) In the light of the objective pursued by the authorities in the 2017 Amending Act, the Court considers that the termination of the applicant’s term of office as a judicial member of the NCJ entailing the loss of his position as the spokesperson of that body was to some extent connected with the exercise of his freedom of expression, but it was not primarily motivated by that factor. (…).” (Onderstrepingen A-G)
4.18
Dit is een voor onze zaak in mijn optiek ook wezenlijk onderscheid, zo zullen we bij de bespreking van de klachten van subonderdeel 1c hierna zien. Het gaat er volgens het EHRM dus om wat de primaire reden is voor de sanctie. Alleen als de sanctie uitsluitend of hoofdzakelijk (‘exclusively or principally’) het gevolg is van de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting, dan is er sprake van een inmenging en moet als volgende stap worden nagegaan of de inmenging toelaatbaar is onder art. 10 lid 2 EVRM. Als het hoofdmotief voor de genomen maatregel daarentegen hoofdzakelijk (‘primarily’) verband houdt met het vermogen van de werknemer om zijn of haar functie uit te oefenen, dan kan niet gesproken worden van een inmenging en komt de bescherming van art. 10 EVRM niet in beeld. En zoals de zaak Żurek/Polen laat zien, is het ook mogelijk dat er bij sommige in een opvolgende reeks getroffen maatregelen sprake is van een hoofdzakelijkheids-causaal-verbands-relatie met de uiting die een inmenging oplevert, die vervolgens op geoorloofdheid onder art. 10 lid 2 EVRM moet worden getoetst, terwijl er bij andere getroffen maatregelen uit die reeks geen sprake is van zo’n causaal verband, omdat die maatregelen niet primair door de uiting zijn gemotiveerd en voor die maatregelen ontbreekt dan een voldoende causaal verband om van een inmenging te kunnen spreken en blijft de bescherming van art. 10 EVRM helemaal buiten beeld.
4.19
Toetsing op bedoeld causaal verband tussen meningsuiting en sanctie was ook aan de orde in de ROC Nijmegen zaak waarover de Hoge Raad in 2022 heeft geoordeeld (toen hij al kennis had kunnen nemen van Żurek/Polen, welk EHRM-arrest werd gewezen ruim 3 maanden ná de conclusie van A-G De Bock in ROC/Nijmegen)44.. Een werkneemster van ROC had een boek gepubliceerd waarin zij de gang van zaken heeft beschreven bij de invoering van onderwijsvernieuwingen. Na publicatie daarvan is zij geschorst en enige tijd later doet ROC een ontbindingsverzoek bij de kantonrechter. In appel wordt de ontbinding op de g-grond wegens een verstoorde arbeidsverhouding in stand gelaten en is een billijke vergoeding toegekend. De Hoge Raad casseerde omdat het hof ten onrechte buiten beschouwing had gelaten dat er sprake was van een beperking van de vrijheid van meningsuiting.
4.20
In cassatie werd het noodzakelijke causaal verband tussen meningsuiting en sanctie aangenomen, omdat het hof in hoger beroep had vastgesteld dat het ontbindingsverzoek een reactie vormt op de gevolgen die de inhoud van het boek had voor de interne verhoudingen en werkrelaties. Daarmee was het ontbindingsverzoek een inmenging in de vrijheid van meningsuiting, zo oordeelde de Hoge Raad45.:
‘3.1.3 Het hof heeft vastgesteld dat het ontbindingsverzoek een reactie vormt op de gevolgen die de inhoud van het boek heeft voor de interne verhoudingen en werkrelaties. Deze vaststelling laat geen andere conclusie toe — mede in het licht van het geheel van gebeurtenissen vanaf de publicatie van het boek tot aan (eerst) de schorsing van de werkneemster en (vervolgens) de indiening van het ontbindingsverzoek (zie hiervoor in 2.1 onder (vii)-(x)) — dan dat causaal verband bestaat tussen de publicatie van het boek en het ontbindingsverzoek, en daarmee dat het ontbindingsverzoek een inmenging in de vrijheid van meningsuiting oplevert in de hiervoor in 3.1.2 bedoelde zin. Het onderdeel slaagt.’
4.21
In haar conclusie vóór deze beschikking heeft A-G De Bock aangegeven dat het criterium voor het causaal verband tussen uiting en sanctie hier is of de publicatie een essentiële schakel is geweest in de causale keten van gebeurtenissen die hebben geleid tot het ontbindingsverzoek en dat om die reden het ontbindingsverzoek niet los kan worden gezien van de meningsuiting46.:
‘4.33 Naar mijn mening heeft het hof in de bestreden beschikking miskend dat het ontbindingsverzoek van ROC wegens een verstoorde arbeidsverhouding met werkneemster niet los is te zien van de publicatie van haar boek. Dat verband blijkt in feite ook uit wat het hof overweegt in rov. 4.9, namelijk dat het ontbindingsverzoek een reactie vormt ‘op de gevolgen die de inhoud van het boek heeft op de interne verhoudingen en werkrelaties’. De publicatie is dus een essentiële schakel in de causale keten van gebeurtenissen, die geleid hebben tot het ontbindingsverzoek.
4.34
Anders gezegd: zonder de publicatie was dit ontbindingsverzoek niet ingediend. Daarmee is ook direct de vrijheid van meningsuiting in beeld en kan niet worden ontkomen aan een beoordeling van de vraag of het ontslag, als inmenging in die uitingsvrijheid van werkneemster, een gepaste sanctie is. De hierop gerichte klachten slagen dan ook.’ (Onderstrepingen van mij)
4.22
Vervolgens moet dan nog bezien worden of er sprake is van een toelaatbare inmenging is in de zin van art. 10 lid 2 EVRM. De rechter kan dan dus niet volstaan met de constatering dat er sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond), zo vervolgt deze conclusie onder 4.35-4.36.
Toelaatbaarheid beperkingen op de vrijheid van meningsuiting – art. 10 lid 2 EVRM
4.23
Als de rechter heeft vastgesteld dat er sprake is van een meningsuiting die beschermd wordt door art. 10 EVRM en dat er een inmenging in de vrijheid van meningsuiting heeft plaatsgevonden, dan zal de rechter moeten nagaan of die inmenging toelaatbaar is. Het hof is daar in de bestreden beschikking niet aan toegekomen, omdat het heeft geoordeeld dat er geen causaal verband is tussen uiting en sanctie en zodoende de bescherming van art. 10 EVRM niet in beeld komt.
4.24
De vrijheid van meningsuiting wordt beschouwd als essentieel en onmisbaar in een democratische samenleving47.. Dat brengt mee dat groot gewicht wordt toegekend aan de mogelijkheid om ruim gebruik te maken van het recht om in het publieke debat meningen te uiten. Beperkingen op de vrijheid van meningsuiting, algemeen of bijzonder, zijn alleen toelaatbaar als zij voldoen aan de eisen uit lid 2 van art. 10 EVRM. Deze moeten (i) zijn voorzien bij wet en (ii) nodig zijn in een democratische samenleving (iii) ter bescherming van een van de in het tweede lid genoemde belangen:
- de nationale veiligheid;
- territoriale integriteit of openbare veiligheid;
- voorkoming van wanordelijkheden of strafbare feiten;
- bescherming van de gezondheid of de goede zeden;
- bescherming van de goede naam of de rechten van anderen;
- voorkoming van verspreiding van vertrouwelijke mededelingen;
- waarborging van het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht.
4.25
Als de beperking is voorzien bij wet en dient ter bescherming van een van deze belangen, dan moet worden beoordeeld of de beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving. In het nog steeds leidende Handyside-arrest is daartoe als volgt geoordeeld door het EHRM48.:
‘Freedom of expression constitutes one of the essential foundations of a democratic society and one of the basic conditions for its progress and for each individual’s self-fulfillment. It is applicable not only to ‘information’ or ‘ideas’ that are favourably received or regarded as inoffensive or as a matter of indifference, but also to those that offend, shock or disturb. Such are the demands of that pluralism, tolerance and broadmindedness without there is no democratic society.’
4.26
Een beperking van een uiting moet daadwerkelijk nodig zijn om bepaalde legitieme doelstellingen te verwezenlijken. Deze noodzakelijkheidstoets wordt ook wel vormgegeven in een proportionaliteits- en subsidiariteitstoets, inhoudend dat van belang is of de beperking van de uitingsvrijheid in verhouding staat tot het te bereiken doel en of er geen andere, minder ingrijpende maatregel was om het gestelde doel te bereiken49.. Bij de belangafweging die de nationale rechter moet maken, dienen alle omstandigheden van het geval in de beoordeling te worden betrokken. Daarbij spelen de volgende factoren een rol:
- context van de beperking;
- belang van de uiting;
- aard en ernst van de inbreuk;
- aard en ernst van de belangenaantasting die het gevolg is van de uiting;
- belang van de uiting voor de betrokkene;
- hoogte en aard van eventuele sancties50..
4.27
Bij de beoordeling van de redelijkheid van een opgelegde sanctie speelt ook de klassieke hoofdvraag of de sanctie een chilling effect kan hebben op het uitoefenen van de vrijheid van meningsuiting. Nagegaan moet worden of mensen ontmoedigd worden om gebruik te maken van dit recht51..
4.28
Lidstaten hebben een bepaalde mate van beoordelingsvrijheid (margin of appreciation) of en in welke mate een inmenging in de vrijheid van meningsuiting noodzakelijk is. Ik laat enkele van de genoemde factoren die in de onderhavige zaak van belang kunnen zijn de revue passeren.
Context van de beperking
4.29
De werkgever komt in arbeidsrechtelijke verhoudingen een ruime discretie toe bij het opleggen van disciplinaire en sanctie-maatregelen. Arbeidsverhoudingen berusten op wederzijds vertrouwen, hetgeen meebrengt dat een goed werknemer tegenover zijn of haar werkgever gehouden is tot een zekere mate van discretie en loyaliteit52.. Uitingen die in een niet-arbeidsverhouding toelaatbaar worden geacht, kunnen dat in de context van een arbeidsverhouding onder omstandigheden niet zijn. Het kan zijn dat deze arbeidsrechtelijke loyaliteitsverplichting moet wijken om een ‘very sensitive and important matter of public interest’ aan de kaak te kunnen stelen, aldus bijvoorbeeld Aghajanyan/Armenië53.:
‘41. The Court reiterates the importance of the duty of loyalty and discretion of employees to their employers, which requires that the dissemination of even accurate information be carried out with moderation and propriety. However, this duty may be overridden by the interest which the public may have in particular information […]. In his interview the applicant raised a very sensitive and important matter of public interest […] concerning, as submitted in the impugned proceedings, the protection of the environment, damage to human health and workplace safety […]. However, the relationship between the applicant’s duty of loyalty and the public interest in being informed about environmental issues and perceived wrongdoing in Armenia’s vast chemicals factory was not examined by the domestic courts at all.’
4.30
In de zaak Herbai/Hongarije ging het om een werknemer die op een website had gepubliceerd over HRM-kwesties. Zijn (bank)werkgever ontsloeg hem omdat zijn publicaties naar het oordeel van de bank in strijd waren met de gedragscode. In de procedure bij het EHRM stelde de Hongaarse regering zich op het standpunt dat het recht op vrijheid van meningsuiting niet in het geding was omdat de publicaties niet bijdroegen aan een kwestie van algemeen belang. Maar volgens het Hof moeten bij de belangenafweging die een rechter moet uitvoeren in het kader van uitingen van een werknemer die gevolgd zijn door een sanctie zijdens de werkgever in ieder geval de volgende omstandigheden worden afgewogen:
- de aard van de meningsuiting;
- de motieven van de werknemer voor de uiting;
- de schade die de werkgever door de uiting van de werknemer heeft geleden;
- de zwaarte van de door de werkgever opgelegde sanctie.
De nationale rechter kon volgens het Hof in deze zaak niet tot het oordeel komen dat de publicaties niet beschermd werden omdat het algemeen belang niet in het geding zou zijn. Nu geen sprake leek te zijn van persoonlijke grieven van de werknemer noch van aantoonbare negatieve gevolgen voor de werkgever, was ontslag in dit geval een te zware sanctie54..
4.31
Ontslag als sanctie wordt als een van de zwaarste inmengingen beschouwd, omdat het ook een chilling effect kan hebben op andere werknemers55..
4.32
Het is in het algemeen wel geoorloofd om gematigde, opiniërende en/of informatieve uitlatingen gericht op kennisdeling of uitwisseling van standpunten te doen56.. Kritiek op een werkgever is in beginsel ook toegelaten, tenzij de uitingen van de werknemer onnodig grievend voor (andere werknemers van) de werkgever zijn57.. Daarnaast is het schenden van een eventuele geheimhoudingsplicht die op de werknemer rust, op zichzelf niet doorslaggevend voor de vraag of dat gegeven alleen al een gerechtvaardigde inmenging oplevert jegens de werknemer. Ook bij schending van zo’n geheimhoudingsplicht kan dus sprake zijn van een onaanvaardbare inmenging van de vrijheid van meningsuiting door de werkgever58..
4.33
Naarmate de gevolgen van een arbeidsrechtelijke sanctie verstrekkender zijn, zoals bij ontslag, worden hogere eisen gesteld aan de grond voor de beperking van de vrijheid van meningsuiting. Het EHRM heeft geoordeeld dat een werkgever de bevoegdheid heeft om een persoon die de belangen van het bedrijf ernstig in gevaar heeft gebracht te ontslaan59.:
‘75. (…) an examination of the comparative-law material available to the Court reveals that employers generally enjoy broad discretion in determining the sanction that is best adapted to accusations against an employee; the scale of possible sanctions encompasses the power to dismiss a person who has seriously compromised the interests of the company. In the countries examined, the domestic legislation seeks to reconcile the employee’s right to freedom of expression with the employer’s rights and prerogatives, requiring in particular that a dismissal measure be proportionate to the conduct of the employee against whom it is taken (…). The homogeneity of European legal systems in this area is a relevant factor in balancing the various rights and interests at stake in the present case.’
4.34
In een recente EHRM-zaak uit 2024 stond ook een arbeidsrechtelijke verhouding centraal. Het ging over het ontslag van een senior onderzoeker van een fabriek die chemische producten maakt. De medewerker werd op staande voet ontslagen nadat hij in een interview in een lokale krant had gesproken over bepaalde tekortkomingen in de bedrijfsvoering van de fabriek. Het Hof stelt het belang voorop van de plicht tot loyaliteit en discretie van werknemers jegens hun werkgevers, en dat die plicht vereist dat de verspreiding van informatie, zelfs als die nauwkeurig is, met mate en fatsoen gebeurt. Dit belang van de werkgever kan echter moeten wijken voor het belang dat het publiek kan hebben bij bepaalde informatie, zoals in dat geval bescherming van het milieu, schade aan de menselijke gezondheid en veiligheid op de werkplek. Het is dan aan de nationale rechter om de relatie tussen de plicht tot loyaliteit van de werknemer en het openbaar belang om geïnformeerd te worden te onderzoeken, hetgeen de nationale rechter hier niet had gedaan60..
Belang van de uiting
4.35
Er is een sterkere bescherming onder art. 10 EVRM als in het kader van ‘het belang van de uiting’ wordt beoogd om een bijdrage te leveren aan het publieke debat, of wanneer een uiting moet worden gezien als een uitoefening van de academische vrijheid. Zo wordt een wetenschappelijk boek sterker beschermd61.. Daar staat tegenover dat de bescherming zwakker en dus de margin of appreciation voor de staten om grenzen te stellen ruimer is, bij commerciële uitingen62.of publicaties van sensationele aard in de roddelpers, die in mindere mate het publieke belang dienen63..
4.36
Daarnaast kan ook meespelen of de uiting onnodig grievend is geweest. Als een uiting de grenzen van het ontoelaatbare heeft overschreden, of de klager minder grievende bewoordingen had kunnen kiezen of de boodschap op een andere, minder aanstootgevende, manier had kunnen brengen, dan kan dit meewegen ten nadele van de uiter in de belangenafweging. Ook als een publieke kwestie aan de orde is, zijn er grenzen aan de vrijheid van meningsuiting omtrent die kwestie. Zo bijvoorbeeld in Constantinescu/Roemenië in geval van een vakbondsvertegenwoordiger die grievende bewoordingen had gebruikt64.:
‘72. Even if the context in which the applicant's comments were made was within a debate on the independence of the unions and the functioning of the courts, and was thus of public interest, there are limits to the right to freedom of expression. Notwithstanding the particular role played by the applicant in his capacity as union representative, he had a duty to react within limits fixed, inter alia, in the interest of “protecting the reputation or rights of others”, including the presumption of innocence. It therefore needs to be determined whether he overstepped the limits of permissible criticism.
73. In the Court's opinion, the term “delapidatori”, which refers to persons found guilty of the offence of fraudulent conversion, was of a kind to offend the three teachers because they had not been convicted by a court.
74. The Court considers that the applicant could perfectly well have expressed his criticism – and thus contributed to free public debate of union affairs – without using the word “delapidatori”.’
Het Hof geeft hiermee aan dat het tot de verantwoordelijkheden behoort van eenieder die gebruikmaakt van het recht op vrijheid van meningsuiting, om rekening te houden met de rechten en gevoelens van derden. De uiting kan om die reden onredelijk worden geacht, zodat er ruimte bestaat voor sanctionering65..
4.37
Ook in de zaak Palomo Sanchez/Spanje ging het Hof in op uitingen van een werknemer die een beledigend karakter hadden voor functionarissen of leidinggevenden van de werkgever. Het Hof maakte hier onderscheid tussen kritiek en beledigende uitingen, waarbij de laatste categorie een sanctie kan rechtvaardigen66.. Hieruit volgt ook dat kritiek uiten op de werkgever in beginsel aan de werknemer is toegestaan, als dat binnen de fatsoensnormen blijft67..
Academische vrijheid68.
4.38
Het sociale grondrecht academische vrijheid is in Nederland niet separaat geregeld in de Grondwet en is evenmin als zodanig neergelegd in het EVRM. In het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest)69., dat in 2009 juridisch bindend is geworden in de lidstaten van de EU, komt academische vrijheid wel voor. In art. 13 met als opschrift ‘De vrijheid van kunsten en wetenschappen’, staat: ‘De kunsten en het wetenschappelijk onderzoek zijn vrij. De academische vrijheid wordt geëerbiedigd.’ De Toelichting op dit artikel geeft aan dat de academische vrijheid voortvloeit uit de vrijheid van meningsuiting70.. Daarnaast is de academische vrijheid beschermd onder art. 15 IVESCR71.(een bepaling zonder rechtstreekse werking in de Nederlandse rechtssfeer, zo ook s.t. Werkneemster onder 5) en bepaalt art. 1.6 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek72.dat aan de instellingen voor hoger onderwijs de academische vrijheid in acht wordt genomen. In de Toelichting op de voorganger van die wet, de Wet op het wetenschappelijk onderwijs uit 1981, merkt de regering het volgende op over de academische vrijheid (ook geciteerd bij s.t. Werkneemster onder 34):
‘(…) academische vrijheid. Deze is nergens in de wetgeving verwoord. Niettemin wordt algemeen aangenomen dat zij in onze rechtsorde een ongeschreven en door traditie bepaald beginsel vormt dat aan de universitaire bestuursorganisatie mede ten grondslag ligt. Over de vraag, wat de inhoud van dit beginsel is en waar de grenzen ervan liggen, bestaat minder duidelijkheid.
De academische vrijheid zien wij als een recht dat ten nauwste samenhangt met de vrijheid van meningsvorming en meningsuiting en dat specifiek gericht is op de positie van de individuele docenten en onderzoekers maar ook op die van studenten. In wezen gaat het erom dat zij in vrijheid onderwijs geven, onderzoek verrichten, respectievelijk onderwijs ontvangen. (…) De academische vrijheid kent dus drie aspecten: de vrijheid in het geven van onderwijs, de vrijheid in het ontvangen van onderwijs en de vrijheid in het beoefenen van de wetenschap.’73.
4.39
Bij academische vrijheid gaat het in de kern om het beschermen van het wetenschappelijk debat. Om te kunnen spreken van wetenschappelijk onderzoek dient de uitvoering hiervan vrij van externe invloed te gebeuren. De wetenschapper dient vrij te zijn bij het verzamelen en selecteren van bronnen, het kiezen van methodes, het maken van analyses en het formuleren van conclusies, alsook in het delen van dit onderzoek binnen en buiten de academie74.. Academische vrijheid ziet daarmee op meer dan het alleen openbaren van gedachten en meningen en valt daarmee niet volledig samen met het klassieke grondrecht van de vrijheid van meningsuiting; feitelijke handelingen in een laboratorium zullen meestal niet kunnen worden gezien als meningsuitingen75.. Een belangrijk deel van het academische werk bestaat uit publicatie van resultaten van wetenschappelijk onderzoek of het overbrengen daarvan in het onderwijs aan studenten, hetgeen wel valt onder vrijheid van meningsuiting76.. Onlangs is door het ERHM bevestigd dat het toegang krijgen tot archieven voor de selectie van bronnen en informatie als relevante voorbereidende stap voor onderzoek en publicatie ook wordt beschermd door art. 10 EVRM77..
4.40
Het ERHM omschrijft academische vrijheid zo:
‘In the Court’s view, this issue unquestionably concerns his academic freedom, which should guarantee freedom of expression and of action, freedom to disseminate information and freedom to “conduct research and distribute knowledge and truth without restriction”’.78.
4.41
De in de PI 16 (herhaald bij s.t. Werkneemster onder 6) gegeven omschrijving van academische vrijheid is ontleend aan die van de Verenigde Naties (UNESCO) en luidt in de authentieke Engelse tekst als volgt79.:
‘(…) the right, without constriction by prescribed doctrine, to freedom of teaching and discussion, freedom in carrying out research and disseminating and publishing the results thereof, freedom to express freely their opinion about the institution or system in which they work, freedom from institutional censorship and freedom to participate in professional or representative academic bodies.’
4.42
Onder academische vrijheid en vrijheid van meningsuiting valt ook de vrijheid van universiteiten om vrijelijk hun standpunten kenbaar te maken80.en de vrijheid van wetenschappers om meningen te uiten over de instellingen of het systeem waarin zij werkzaam zijn81.. Het gaat dan niet alleen om wetenschappelijk onderzoek in eigenlijke zin, maar ook om hun standpunten en meningen vrijelijk te uiten op het gebied van hun onderzoek, professionele expertise en competentie, zelfs als die controversieel of impopulair zijn. Dit kan zich ook uitstrekken tot een onderzoek naar het functioneren van publieke instellingen in een bepaald politiek systeem en kritiek daarop82.. Het Hof heeft geoordeeld dat vrijheid van meningsuiting niet is beperkt tot algemeen aanvaarde ideeën83.. Wel kunnen professionele verplichtingen ook meebrengen dat er grenzen worden gesteld aan de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting. Zo heeft het EHRM in een recente zaak in 2024 geoordeeld dat het gerechtvaardigd kan zijn om de vrijheid van meningsuiting te beperken van een praktiserend arts die wetenschappelijk onhoudbare informatie over medische kwesties verspreidde in een blogpost84..
4.43
Academische vrijheid wordt zodoende ook gewaarborgd door art. 10 EVRM85.en is aan dezelfde beperkingen onderhevig die onder art. 10 EVRM zijn toegestaan, zoals ook volgt uit de al gememoreerde Toelichting op art. 13 van het Handvest: :
‘Dit recht vloeit op de eerste plaats voort uit de vrijheid van gedachte en de vrijheid van meningsuiting. Het wordt uitgeoefend met inachtneming van artikel 1 en kan worden onderworpen aan de beperkingen die krachtens art. 10 van het EVRM zijn toegestaan.’86.
4.44
Bij de belangenafweging die moet plaatsvinden bij de toets of een beperking op de vrijheid van meningsuiting toelaatbaar is onder lid 2 van art. 10 EVRM, wordt gewicht toegekend aan de omstandigheid dat de uiting een academisch karakter heeft. Dat belang moet worden afgewogen tegen de andere relevante belangen87..
4.45
In Mustafa Erdogan/Turkije, een zaak over een hoogleraar constitutioneel recht die het Constitutionele Hof bekritiseerde wegens de ontbinding van een politieke partij, waarna die hoogleraar werd veroordeeld tot schadevergoeding aan de leden van dat Constitutionele Hof, hetgeen werd aangemerkt als een inmenging, is uitgemaakt dat elke beperking op de vrijheid van wetenschappers om onderzoek te doen en hun bevindingen te publiceren aan een zorgvuldige toetsing moet worden onderworpen88.. In die zaak moest het belang van academische vrijheid worden afgewogen tegen dat van individuen die een rechterlijke functie uitoefenen om hun reputatie te beschermen en beschermd te worden tegen persoonlijke beledigingen. Het EHRM benadrukte, als eerder besproken, het belang van onderscheid tussen kritiek en belediging. Als de enige bedoeling van een uiting is om te beledigen, dan vormt een passende sanctie geen schending van art. 10 EVRM. Daarnaast moet ook onderscheid worden gemaakt tussen feiten en waardeoordelen. Nu het hier om waardeoordelen ging met voldoende feitelijke basis, had de nationale rechter niet voldoende gemotiveerd dat de inmenging noodzakelijk was in een democratische samenleving ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen89..
4.46
Hieruit volgt volgens Groen, gepromoveerd op academische vrijheid, dat de academische context de drempel verhoogt voor het aantonen van de noodzakelijkheid en proportionaliteit van een inmenging. Vanwege het belang van een open academisch debat voor wetenschappelijke ontwikkeling in een democratische samenleving, dient inmenging in het recht op vrijheid van meningsuiting volgens deze auteur uitvoering gemotiveerd te worden90.. Hoewel art. 10 EVRM de vrijheid van meningsuiting voor iedereen garandeert, verleent het EHRM speciale bescherming aan wetenschappers die door hun wetenschappelijk onderzoek bijdragen aan het publieke debat91..
4.47
Ook in Lombardi/Italië speelde de academische vrijheid een rol bij de beoordeling of de inmenging daar noodzakelijk was in een democratische samenleving. Het Hof oordeelde dat daarbij een evenwicht moet worden gevonden tussen het recht van de uiter op vrijheid van meningsuiting, met inbegrip van het recht om kennis zonder beperkingen over te dragen (academische vrijheid), en het belang van de universiteit om onderwijs volgens zijn eigen religieuze overtuigingen te kunnen geven92..
4.48
Sorguç/Turkije speelde ook in de context van de academische vrijheid. De vrijheid van meningsuiting kan worden beperkt om de reputatie van anderen te beschermen. Het ging in die zaak om een hoogleraar die op een wetenschappelijk congres een paper verspreidde waarin hij in essentie het systeem van benoeming en promotie van wetenschappers aan de universiteit bekritiseerde. Dat is ook een belangrijk element in het essay van Werkneemster in onze zaak. Hij baseerde zich op zijn persoonlijke ervaring (net als Werkneemster in haar essay) en stelde dat de aanwezigheid van personen in promotiepanels die geen experts waren op het gebied van bouwmanagement, leidde tot de selectie van personen met onvoldoende academische kwaliteiten (hier wijkt de casus essentieel af van de onze). Hij beweerde in die context dat een kandidaat, die niet over voldoende kwalificaties beschikte, was gepromoveerd tot assistent-professor. Een UD nam daar aanstoot aan en claimde schadevergoeding die werd toegewezen, waarop de hoogleraar naar het EHRM stapte. Volgens het Hof, dat de schadevergoedingsveroordeling aanmerkte als inbreuk op de vrijheid van meningsuiting, had de nationale rechter niet overtuigend aangetoond dat er een dringende maatschappelijke noodzaak bestond om de bescherming van de persoonlijkheidsrechten van een niet bij naam genoemde persoon te stellen boven het recht van de wetenschapper op vrijheid van meningsuiting èn het algemeen belang bij het bevorderen van deze vrijheid93..
4.49
Al eerder is Kula/Turkije de revue gepasseerd, waarin het ging om een wetenschapper die een berisping had gekregen (een eerdere boete was in die berisping omgezet) wegens deelname aan een televisieprogramma buiten zijn woonplaats zonder toestemming van zijn leidinggevende. Het Hof benadrukt dat hier de academische vrijheid in het geding was en dat om die reden een sanctie, hoe gering ook (een reprimande in dit geval), toch gevolgen kon hebben voor de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting van betrokkene en in dat opzicht een chilling effect kon hebben94.. Het EHRM toetste vervolgens of de aldus geconstateerde inmenging hier toelaatbaar was. Bij de daartoe noodzakelijke belangenafweging wordt van de rechter verlangd om de noodzaak van de sanctie te onderzoeken in de omstandigheden van het geval waarbij belang moet worden toegekend aan de academische vrijheid waarop verzoeker zich had beroepen95..
Evaluatie
4.50
Aan de ene kant lijkt zodoende bij een maatregel die interfereert met de uitoefening van de academische vrijheid eerder sprake te kunnen zijn van inmenging in de zin van art. 10 lid 1 EVRM, dan bij maatregelen gericht tegen uitingen die buiten die context worden gedaan en onder de commune vrijheid van meningsuiting vallen. Dat is als gezegd art. 10 lid 1 EVRM materie. Aan de andere kant is in het kader van de toets uit art. 10 lid 2 EVRM op toelaatbaarheid van een inmenging (als die eenmaal is vastgesteld) een af te wegen factor dat een uiting waar een maatregel op is gevolgd verband houdt met de uitoefening van de academische vrijheid.
4.51
Hier stuiten wij op een voor onze zaak relevante kwestie rond de bepaling of sprake is van inmenging in de zin van art. 10 lid 1 EVRM.
4.52
Enerzijds is in 4.18 besproken dat uit Żurek/Polen volgt dat het er in het kader van art. 10 EVRM (in het algemeen) om gaat uit te maken wat het hoofdmotief is voor de genomen maatregel die is gevolgd op een uiting: is die uitsluitend of hoofdzakelijk het gevolg van de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting, dan is sprake van een inmenging, maar als de getroffen maatregel hoofdzakelijk (primarily) verband houdt met het vermogen van de werknemer om zijn of haar functie te vervullen, dan levert dat geen inmenging op – en blijft de bescherming van art. 10 EVRM helemaal buiten beeld; er wordt dan niet toegekomen aan toetsing volgens het tweede lid of de inmenging geoorloofd is – er is dan immers geen inmenging voorhanden.
4.53
Anderzijds zien we dat wanneer de academische vrijheid in het geding is bij een uiting waar een maatregel op volgt, hoe gering ook, het ERHM al snel aanneemt dat sprake is van inmenging, waarna vervolgens nauwgezet moet worden getoetst aan de toelaatbaarheidseisen van die inmenging onder art. 10 lid 2 EVRM, in welke afweging bepaald gewicht toekomt aan het gegeven dat hier de academische vrijheid in het geding is.
4.54
Hoe die twee naar het lijkt tegengesteld werkende mechanismen zich met elkaar verhouden en wat moet prevaleren bij botsing van deze elementen, zoals die zich in onze zaak lijkt voor te doen, of waar dan meer gewicht aan toekomt, is volgens mij niet (direct of indirect) af te leiden uit de Straatsburgse jurisprudentie.
4.55
Mogelijk dat dit zo moet worden begrepen dat nu bescherming van academische vrijheid geheel loopt via de route van art. 10 EVRM en aan dezelfde beperkingen onderhevig is als de (commune) bescherming van de vrijheid van meningsuiting, de bescherming van de academische vrijheid niet afwijkt van het format waarin de bescherming van de vrijheid van meningsuiting is vormgegeven onder art. 10 EVRM. Dan is er van de hiervoor gesignaleerde mogelijke tegenstrijdigheid, of zo men wil: van een gekwalificeerde vrijheid van meningsuiting in de vorm van academische vrijheid waar andere regels voor gelden, geen sprake96.. Ik ben daar niet zeker van.
5. Bespreking van het cassatiemiddel
5.1
Het cassatiemiddel bestaat uit twee inhoudelijke onderdelen (onderdeel 1 en 2) en een voortbouwklacht (onderdeel 3). Het eerste onderdeel ziet op de beslissing over Werkneemsters beroep op vrijheid van meningsuiting en de academische vrijheid. Onderdeel 2 vecht het oordeel over de herplaatsingsplicht aan.
Causaal verband tussen meningsuiting en ontbinding (onderdeel 1)
5.2
In de inleiding van de PI (onder 8 en 9) wordt zijdens Werkneemster de reactie van de kant het faculteitsbestuur benadrukt op de publicatie van haar essay, te weten de e-mail van prof. Nijstand van 16 juli 2019 aan de hele vakgroep en de brief van de decaan in die zomer aan de redactie van het tijdschrift dat het essay heeft geaccepteerd en gepubliceerd. De inleiding (en de klachten) laten evenwel onvermeld wat in de hofbeoordeling als de oorsprong van de verstoorde arbeidsverhouding moet worden gezien: dat is de door het hof als onjuist beoordeelde opvatting van Werkneemster, die al naar voren kwam medio 2018, dat niet van haar kon worden geëist dat zij aan eerder verlangde publicatie-eisen voldeed vóórdat zij een volgende promotiestap kon maken (zij maakte te vroeg aanspraak op promotie op een moment dat zij volgens haar direct leidinggevende nog niet aantoonbaar aan de afgesproken publicatienorm voldeed, hetgeen zij niet heeft geaccepteerd), waarna zij haar leidinggevende ernstige verwijten is gaan maken97., welke slechte verhoudingen zijn voortgezet met haar door het hof als weinig coöperatief beoordeelde houding – ook na het essay – om tot werkbare verhoudingen te komen. Dat plaatst de in cassatie in onderdeel 1 aangevallen passages (mogelijk) in een ander daglicht98..
5.3
Dat laatste geldt ook voor wat naar ik meen als de essentie van de aan te leggen maatstaf moet worden gezien voor de beoordeling van de gewraakte handelingen van de RUG in de sleutel van art. 10 EVRM als uiteengezet in Żurek/Polen: zijn die maatregelen op te vatten als uitsluitend of hoofdzakelijk het gevolg van de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting door Werkneemster, zodat sprake is van een inmenging, of houden die maatregelen hoofdzakelijk (primarily) verband met het vermogen van Werkneemster om haar functie te vervullen, in welk geval geen sprake is van inmenging en art. 10 EVRM buiten beeld blijft. Dat moet vervolgens worden geplaatst in het licht dat de betreffende uiting van Werkneemster moet worden aangemerkt als uitoefening van haar academische vrijheid.
5.4
Onderdeel 1 bestrijdt met vijf subonderdelen (a-e) het oordeel in rov. 3.26-3.37 dat er onvoldoende causaal verband is tussen de meningsuiting van Werkneemster en de ontbinding.
5.5
Subonderdeel 1a klaagt dat het oordeel in rov. 3.37 dat ‘uit de gebeurtenissen na publicatie van het essay’ niet (kan) worden afgeleid ‘dat zonder de publicatie het ontbindingsverzoek niet zou zijn ingediend’ en dat de publicatie van het essay ‘geen essentiële schakel’ is in de keten die leidde tot het ontbindingsverzoek, getuigt van een onjuiste, want te strenge beoordeling of causaal verband bestaat tussen de meningsuiting en de arbeidsrechtelijke sanctie. Van voldoende causaal verband is niet pas sprake als de uiting een essentiële schakel is in het proces dat heeft geleid tot het opleggen van de sanctie en/of als het ervoor kan worden gehouden dat de sanctie niet zou zijn opgelegd als de uiting niet had plaatsgevonden, maar al wanneer zich een causaal verband voordoet, dat wil zeggen: wanneer de uiting mede heeft bijgedragen aan het opleggen van de sanctie. De regel uit ROC Nijmegen is volgens de klacht of er (een) causaal verband is tussen uiting en sanctie en niet dat zonder de uiting niet tot ontslag als sanctie zou zijn overgegaan (condicio sine qua non-karakter)99..
5.6
De hier geventileerde rechtsopvatting strookt niet met de besproken art. 10 EVRM-rechtspraak van het Hof en met name niet met de maatstaf uit Żurek/Polen dat het erom gaat of de maatregelen zijn te zien als uitsluitend of hoofdzakelijk het gevolg van de meningsuiting van Werkneemster/uitoefening van haar academische vrijheid100.. Bij de causaal verband toets moet, als besproken, worden gelet op het geheel van gebeurtenissen vanaf de uiting101.tot aan het opleggen van de sanctie, in hun onderlinge samenhang bezien102., met in wezen de toets wat de primaire reden was voor de sanctie: is die uitsluitend of hoofdzakelijk het gevolg van de meningsuiting, dan is er sprake van inmenging, anders niet. Het is dus niet voldoende als een maatregel in zekere mate verband houdt met een uiting (‘to some extent connected with the excercise of (…) freedom of expression’, zo par. 209 in Żurek/Polen), omdat vereist is dat het primair door die factor wordt gemotiveerd (‘primarily motivated by that factor’ aldus het Hof in diezelfde paragraaf).
5.7
Het hof heeft in rov. 3.37 geoordeeld dat er onvoldoende causaal verband is tussen de uiting en de ontbinding van de arbeidsovereenkomst en dat strookt met deze maatstaf. Daartoe is het hof gekomen door eerst te overwegen dat uit de gebeurtenissen niet is af te leiden dat zonder de publicatie het ontbindingsverzoek niet zou zijn gedaan. Vervolgens is overwogen dat de publicatie wel een schakel is geweest in de gebeurtenissen, maar geen essentiële schakel in de keten die leidde tot het ontbindingsverzoek.
5.8
Met dat laatste lijkt het hof aansluiting te zoeken bij de conclusie van A-G De Bock vóór ROC Nijmegen over dit aspect, hiervoor besproken in 4.21. In die zaak zag zij de publicatie als een essentiële schakel in de causale keten van gebeurtenissen die hebben geleid tot het ontbindingsverzoek, zodat het ontbindingsverzoek niet los was te zien van de meningsuiting, oftewel: zonder de publicatie was het ontbindingsverzoek niet gedaan, zodat daarmee ook direct de vrijheid van meningsuiting in beeld kwam103..
5.9
Bij Repliek onder 4 beoordeelt Werkneemster de hofmaatstaf als beduidend strenger dan de door het EHRM gehanteerde maatstaf van het in overwegende mate ingegeven zijn van een maatregel door een meningsuiting. Dat lijkt mij niet: het vereiste van een essentiële schakel leest volgens mij naadloos op het criterium uit Żurek/Polen dat de sanctie uitsluitend of hoofdzakelijk en uitdrukkelijk niet alleen maar in zekere mate met de uiting verband houdt (dat laatste punt ontbreekt in het betoog van Werkneemster). Het hof oordeelt in de kern dat er wel in zekere mate een verband is, maar oordeelt dat de sanctie niet uitsluitend of hoofdzakelijk is veroorzaakt door de uiting. Of dit gekwalificeerd zou moeten worden als een condicio sine qua non verband kan in het midden blijven, omdat de aangelegde toets van het hof spoort met het juiste EHRM-criterium hier. Anders gezegd: in de EHRM-rechtspraak over het causaal verband vereiste wordt nagegaan wat de essentiële elementen (essential elements) zijn van de beslissing om een maatregel op te leggen104., waarop de maatregelen in wezen betrekking hebben (essentially related to)105.en wat het essentiële aspect (essential aspect) is van de zaak106.. Door te verlangen dat de uiting een essentiële schakel is geweest in de gebeurtenissen die tot de sanctie hebben geleid, heeft het hof niet anders gedaan dan wat het Straatsburgse Hof hier van de nationale rechter verlangt.
5.10
Bij s.t. 52 wijst Werkneemster nog op de Straatsburgse rechtspraak waaruit volgt dat ook een maatregel of feitelijke handeling met geringe materiële consequenties een inmenging in art. 10 EVRM kan opleveren. Dit zou bevestigen dat van een relevante inmenging ook al sprake is wanneer een meningsuiting een bijdrage heeft geleverd aan het nastreven van beëindiging van het dienstverband, zelfs als die bijdrage geen essentiële is geweest.
5.11
De hier bedoelde inmengingsrechtspraak ziet evenwel op de vraag of de aard van de maatregel meebrengt dat sprake is van een inmenging. Voor een strafrechtelijke sanctie of ontbinding van een arbeidsovereenkomst is dat vanzelfsprekend, maar dat geldt dus ook voor maatregelen met geringere materiële consequenties voor de uiter van de mening. Uit de EHRM-rechtspraak hierover volgt dat de lat hier niet hoog ligt, zo is hiervoor besproken: bijvoorbeeld ook een feitelijke handeling107., een berisping108., een vermaning109.of een uitspraak in een obiter dictum110.kan als een inmenging worden gezien. Deze rechtspraak gaat echter niet over het vereiste van causaal verband tussen uiting en sanctie.
5.12
Bij s.t. onder 53 betoogt Werkneemster verder dat de hof-maatstaf niet alleen onjuist is, maar dat een dergelijke benadering daarnaast ook praktisch onwerkbaar en misbruikgevoelig zou zijn111.. Deze kritiek ziet vooral op de staat van de academische vrijheid in Nederland en houdt in dat de g-grond een dekmantel lijkt te zijn voor universitaire leidinggevenden om vrij eenvoudig, en zonder lastige discussies over academische vrijheid, af te raken van wetenschappers die onwelgevallige standpunten innemen, waarbij de verwijtbaarheid van de werkgever ook nog eens nauwelijks een rol zou spelen112..
5.13
Deze kritiek ziet niet specifiek op de maatstaf voor causaal verband tussen uiting en maatregel, waar we het hier over hebben, maar regardeert meer in het algemeen toepassing van de g-grond bij de ontbinding van arbeidsovereenkomsten binnen de academie. De kritiek impliceert (dan ook) niet dat het hof van een onjuiste maatstaf voor causaal verband tussen uiting en sanctie is uitgegaan. Het is ook niet voor niets dat in ROC Nijmegen is benadrukt dat bij de causaal verbands-vraag goed moet worden gelet op het geheel van gebeurtenissen vanaf de uiting tot aan het opleggen van de sanctie, in hun onderlinge samenhang bezien113.. Daarmee wordt voorkomen dat de g-grond als een soort dekmantel kan worden gebruikt om van kritische wetenschappers af te komen. De minutieuze en uitgebreide motivering van het hof in onze zaak geeft daar geen blijk van in mijn ogen. Het hof heeft de opeenvolgende gebeurtenissen, te beginnen medio 2018 tot aan indiening van het ontbindingsverzoek ultimo 2022 op een rij gezet en in onderlinge samenhang beschouwd.
5.14
Subonderdeel 1a zie ik geen doel treffen.
5.15
Subonderdeel 1b klaagt dat het hof alleen heeft onderzocht of met de ontbinding van de arbeidsovereenkomst een ongerechtvaardigde inbreuk wordt gemaakt op de aan Werkneemster toekomende vrijheid van meningsuiting, maar ten onrechte niet heeft onderzocht hoe die ontbinding zich verhoudt tot haar academische vrijheid114.. Het hof heeft daarmee miskend dat voor zover een door het grondrecht op vrijheid van meningsuiting bestreken uiting, zoals hier, ook valt onder de academische vrijheid, dit meebrengt dat sprake is van een gekwalificeerde meningsuiting. In zo’n geval moet – juist ook wanneer die uiting controversieel of impopulair is – door de rechter met uiterste, althans in elk geval met additionele, gestrengheid getoetst worden of sprake is van een inmenging in of inbreuk op de vrijheid van meningsuiting. Het hof heeft eveneens miskend dat de in zo’n geval vereiste toetsing meebrengt dat ook wanneer ‘slechts’ sprake is van een lichte sanctie of maatregel en/of wanneer zo’n door de academische vrijheid bestreken meningsuiting geen ‘essentiële schakel’ vormt die heeft geleid tot het initiëren van een ontslagtraject, maar die uiting daaraan wel enige bijdrage heeft geleverd, van een inmenging sprake is, zodat dan vervolgens aan de hand van de daarvoor geldende, eveneens strenge, normen (als vervat in art. 10 lid 2 EVRM) onderzocht moet worden of deze inmenging objectief te rechtvaardigen is. Dat onderzoek heeft het hof ten onrechte achterwege gelaten115.. Juist vanwege het feit dat de uiting van Werkneemster ook viel onder de academische vrijheid mocht door het hof geen zo strenge eis gesteld worden aan het causale verband tussen de uiting en het ontbindingsverzoek.
5.16
Publicatie van het essay in een wetenschappelijk tijdschrift, waarin kritiek wordt geuit op het gelijke kansen beleid van de RUG, wordt inderdaad door de academische vrijheid bestreken. Met het essay wordt de academische discussie aangejaagd over de schaduwkanten van beleid dat gericht is op het dichten van de genderkloof door de doorstroom van vrouwen naar hogere functies te bevorderen (rov. 3.30). Dit is bovendien een onderwerp dat binnen het werkterrein van Werkneemster valt, het terrein van de sociale wetenschappen (zo ook s.t. Werkneemster onder 19).
5.17
Hiervoor is besproken dat uit de EHRM-rechtspraak volgt dat ook wordt beschermd de vrijheid van wetenschappers om vrijelijk standpunten en meningen te uiten, zelfs als deze controversieel of impopulair zijn, op het gebied van hun onderzoek, professionele expertise en competentie116.. Daar is ook onder begrepen de vrijheid van de wetenschapper om meningen te uiten over de instelling of het systeem waarbinnen de wetenschapper werkzaam is117.. De parallel met de in de inleiding besproken zaak Sorguç/Turkije dringt zich op, waarin een hoogleraar centraal stond die op een wetenschappelijk congres een paper verspreidde waarin hij in essentie het systeem van benoeming en promotie van wetenschappers aan zijn universiteit aan de kaak stelde en zich daarbij ook op zijn persoonlijke ervaring baseerde. Het EHRM oordeelde dat daarmee zijn academische vrijheid in het geding was118..
5.18
Het hof heeft in onze zaak bij de beoordeling van het vereiste causaal verband tussen uiting en sanctie geen expliciete aandacht besteed aan de academische vrijheid. Wel heeft het hof er in rov. 3.30 oog voor gehad dat met het essay van Werkneemster ‘de academische discussie wordt aangejaagd over de schaduwkanten van het beleid dat gericht is op het dichten van de genderkloof door de doorstroom van vrouwen naar hogere functies te bevorderen’ en heeft het in rov. 3.33 overwogen dat er geen reden voor twijfel bestaat aan de inzet van de RUG om de werkverhoudingen te verbeteren ‘met het oog op voortzetting van de wetenschappelijke carrière van [Werkneemster].’ Uit deze bewoordingen lijkt mij te volgen (en tot uitdrukking gebracht) dat de academische vrijheid van Werkneemster bij het hof op het netvlies heeft gestaan. De klacht stelt aan de orde of bij de hofbeoordeling van het vereiste causaal verband tussen uiting en sanctie de omstandigheid dat de uiting valt onder de academische vrijheid een rol van betekenis moet spelen.
5.19
Ik denk het niet, althans niet in de door de klacht bedoelde zin, maar we stuiten hier wel op de hiervoor in de evaluatie in 4.54 gesignaleerde mogelijke botsing tussen de algemene inmengingstoets uit Żurek/Polen (is de uiting hoofdmotief voor de sanctie of juist niet) en de uit Kula/Turkije volgende lagere drempel voor het aannemen van inmenging als de maatregel een reactie is op de uitoefening van de academische vrijheid van betrokkene (hoe gering de sanctie ook is, er is al snel sprake van inmenging dan). Als de in 4.55 uiteengezette visie juist is, dan zit hier geen licht tussen – maar ik gaf al aan daar niet helemaal zeker van te zijn.
5.20
In de Straatsburgse rechtspraak zie ik geen aanwijzingen of aanknopingspunten voor de opvatting dat bij uitingen gedaan in het kader van de uitoefening van de academische vrijheid er andere eisen gesteld moeten worden aan het causaal verband tussen uiting en maatregel (zoals Repliek onder 3 suggereert). Waarom zou daar in die context dan opeens een minder strenge maatstaf moeten gelden? Ik zie daar geen aansprekende ratio voor. Uit de uitspraken waar Werkneemster naar verwijst kan weliswaar worden afgeleid dat de academische vrijheid een relevante factor is bij de beoordeling of een inmenging toelaatbaar is onder art. 10 lid 2 EVRM119.en dat die vrijheid ook relevant kan zijn bij de vraag of gezien de aard van de maatregel sprake is van een inmenging120., maar niet dat ook een andere maatstaf ten aanzien van het causaal verband moet worden toegepast dan die volgt uit Żurek/Polen. Werkneemster wijst op de vaste EHRM-rechtspraak dat alle beperkingen op de academische vrijheid aan een zorgvuldige toetsing moeten worden onderworpen (to submit to careful scrunity any restrictions on the freedom of academics), maar dat ziet op de vraag of een eenmaal vastgestelde inmenging toelaatbaar is onder art. 10 lid 2 EVRM en niet op het causaal verband tussen uiting en maatregel vereist om van een inmenging te kunnen spreken121.. Datzelfde geldt voor de notie dat ‘however minimal’ de maatregel ook is een zorgvuldige toetsing van de geoorloofdheid is aangewezen; ook dat ziet niet op het vereiste causaal verband tussen uiting en sanctie, maar op de geoorloofdheidstoets uit lid 2. Uit de ingeroepen Hof-rechtspraak kan mijns inziens niet worden afgeleid dat de omstandigheid dat met een uiting de academische vrijheid in het geding is, ook relevant zou zijn voor de maatstaf die voor het causaal verband tussen uiting en sanctie moet worden gehanteerd (in gelijke zin Dupliek onder 9).
5.21
Het lijkt mij ook niet voor de hand te liggen dat zodra de academische vrijheid in het geding is, opeens een enkel causaal verband, hoe gering ook, zou volstaan om een inmenging aan te nemen, terwijl de algemene toets daarvoor onder art. 10 EVRM is dat moet worden nagegaan wat het hoofdmotief voor de genomen maatregel was. Het gaat er uiteindelijk om waarmee de maatregel in wezen verband houdt, zou ik denken (in gelijke zin s.t. RUG onder 64 en 67). Ik zie geen ratio voor een minder strikte toets al naar gelang het gaat om een ‘gewone’ vrijheid van meningsuiting of een uiting in de context van de academische vrijheid, die ook via art. 10 EVRM wordt beschermd en wel langs dezelfde lijnen. Als de sanctie niet uitsluitend of in overwegende mate verband houdt met de uiting in het kader van de uitoefening van de academische vrijheid, maar met de uitoefening van de functie van de werknemer, lijkt er geen plaats voor bescherming van art. 10 EVRM, ook al is deze uiting gedaan in het kader van de academische vrijheid van de werknemer.
5.22
Het hof is door voorbij te gaan aan het beroep van werkneemster op de academische vrijheid in dit verband (als dat al zo kan worden opgevat, gelet op rov. 3.30 en 3.33) dan ook niet van een onjuiste maatstaf ten aanzien van het causaal verband uitgegaan.
5.23
Ik houd het er in primaire lijn op dat de klacht op deze gronden afketst.
5.24
Mogelijk moet de klacht evenwel zo worden opgevat dat deze in de kern aanvoert: omdat de lat laag ligt voor het aannemen van een inmenging bij maatregelen die gericht zijn (ook al is dat maar ten dele zo) tegen uitingen in het kader van uitoefening van de academische vrijheid, kan je deze strikte causaal verbandseis om een inmenging aan te kunnen nemen uit Żurek/Polen van uitsluitend of hoofdzakelijk ingegeven door de uiting (die geldt voor buiten de context van die academische vrijheid gedane meningsuitingen), hier zo niet stellen. Dan zou de in de evaluatie in 4.55 gegeven analyse niet opgaan – althans zou in zo’n geval de Kula/Turkije-lijn moeten prevaleren of zwaarder moeten wegen. In deze secundaire lezing zou de klacht dan doel kunnen treffen, maar het zal duidelijk zijn dat ik dat niet bepleit.
5.25
Subonderdeel 1c klaagt over rov. 3.30, waarin het hof de stellingname van Werkneemster verwerpt dat de mail aan de hele vakgroep en de brief van de decaan aan de redactie van het tijdschrift dat het essay had gepubliceerd zijn aan te merken als sancties tegen haar, omdat zij dat volgens het hof onvoldoende heeft uitgewerkt in hoger beroep. Ook klaagt subonderdeel 1c over het oordeel in rov. 3.32 dat de benoeming van Werkneemster tot UHD1 begin 2020 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2019 een belangrijke contra-indicatie is voor de stelling dat het eind 2022 ingediende ontbindingsverzoek een reactie is op haar essay.
5.26
Volgens de rechtsklacht onder 21 moet de beslissing in ro.v 3.30 klaarblijkelijk zo worden begrepen dat de mail en de brief niet als inmenging kwalificeren, omdat deze niet zijn aan te merken als arbeidsrechtelijke sancties (in de zin van formele disciplinaire maatregelen, zo verduidelijkt Werkneemsters s.t. onder 67). Dat miskent dat van een inmenging niet alleen sprake kan zijn bij arbeidsrechtelijke sancties, maar ook bij feitelijke maatregelen of handelingen naar aanleiding van een uiting, die mogelijk niet als arbeidsrechtelijke sancties in de zin van (formele) disciplinaire maatregelen kwalificeren, maar die de uitingsvrijheid wel beperken en daarop een chilling effect kunnen hebben122.. Dat geldt te meer als de uiting onder de academische vrijheid valt, nu ‘any restriction on the freedom of academics to carry out research and to publish their findings’ moet worden onderworpen aan ‘careful scrutiny’, zodat dat niet alleen beperkingen in de vorm van formele arbeidsrechtelijke sancties hier relevant zijn123..
5.27
Volgens de rechts- en motiveringsklacht onder 22 is de beslissing in rov. 3.30 dat de brief van prof. [betrokkene 5] aan de redactie van het tijdschrift geen (zelfstandige) sanctie op het essay die de (voorzienbare) mogelijkheid van een chilling effect op het gebruik van de vrijheid van meningsuiting behelst, onjuist, althans onbegrijpelijk. In de brief wordt meegedeeld dat het publiceren van het essay (i) negatieve gevolgen heeft gehad voor de arbeidsverhoudingen, (ii) negatieve effecten kan hebben op de reputatie van Werkneemster, (iii) schadelijk kan zijn voor haar functioneren binnen de RUG, terwijl (iv) de redactie zelfs met zoveel woorden wordt aangespoord om haar publicatiebeleid te herzien (met als kennelijk doel om publicatie van vergelijkbare artikelen in de toekomst te voorkomen). Dit geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting over de EHRM-rechtspraak over een inmenging met een chilling effect, zeker nu de uiting viel in het domein van de academische vrijheid. Dat geldt nog sterker nu de brief in kopie is gestuurd aan Werkneemster, verschillende hoogleraren binnen de faculteit en een buitenlandse hoogleraar die voorzitter is van de Society for the Advancement of Mangement Studies124.. Mocht het hof hier niet zijn uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, dan is hier sprake van ontoereikende motivering.
5.28
De volgende klacht onder 23 is dat voor zover het hof heeft geoordeeld dat de brief van prof. [betrokkene 5] mede niet als inmenging is aan te merken omdat hoogleraren van de vakgroep zich door het essay persoonlijk aangevallen voelden, ook dat getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Een uiting die valt binnen het domein van de academische vrijheid zoals het essay van Werkneemster wordt ook onder art. 10 EVRM beschermd als deze onwelgevallige of controversiële standpunten behelst die betrekking hebben op de instelling of het systeem waarbinnen de wetenschapper/uiter werkzaam is. Dat maakt het onjuist om (mede) vanwege het feit dat zo’n meningsuiting als een persoonlijke aanval is ervaren door leidinggevenden, een reactie van één van die leidinggevenden op die uiting niet als inmenging te kwalificeren, waarmee die uiting de bescherming van art. 10 EVMR wordt ontzegd.
5.29
Onder 24 klaagt Werkneemster dat de beslissing in rov. 3.30 dat de email van prof. [betrokkene 4] aan de gehele vakgroep geen (arbeidsrechtelijke) sanctie is in reactie op haar essay, maar slechts een poging om de ‘commotie bespreekbaar te maken’, onjuist, althans onbegrijpelijk is. De email was gericht aan haar en al haar collega’s binnen de vakgroep en veroordeelt het essay ondubbelzinnig als een stuk dat ‘can be considered as inappropriate and damaging’ en verduidelijkt dat Werkneemster naar aanleiding van de publicatie ervan inmiddels gesprekken heeft moeten voeren met de decaan, een vertegenwoordiger van HR, en twee hoogleraren van de vakgroep om ‘herhaling in de toekomst’ te voorkomen. Miskend is dat een zodanige openlijke terechtwijzing/publieke reprimande kwalificeert als een arbeidsrechtelijke sanctie in de zin van zowel art. 10 EVRM als het Nederlandse arbeids(tucht)recht, althans is de beslissing dat de email slechts diende om de commotie bespreekbaar te maken ontoereikend gemotiveerd125..
5.30
Onder 25-28 wordt geklaagd over rov. 3.32 dat het de benoeming tot UHD1 begin 2020, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2019, als een belangrijke contra-indicatie moet worden beschouwd voor de stelling van Werkneemster dat het eind 2022 ingediende ontbindingsverzoek een reactie is op haar essay. Dat is onbegrijpelijk tegen de achtergrond van het feit dat prof. [betrokkene 4] begin 2020 uitdrukkelijk negatief heeft geadviseerd over haar bevordering tot UHD 1 voor zover het haar communicatievaardigheden/soft skills betreft126.. Prof. [betrokkene 4] wijst er in zijn advies op dat grote twijfel is ontstaan over haar soft skills, onder referte aan het essay. In het licht van dit negatieve advies is de overweging dat er sprake is van een contra-indicatie onbegrijpelijk, nu al ten tijde van de bevordering geen vertrouwen bestond in haar functioneren op dat meer seniore niveau127.. Subsidiair is de klacht onder 28 dat het hof zijn eindoordeel in rov. 3.37 dat onvoldoende causaal verband bestaat tussen de uiting en de ontbinding in elk geval ontoereikend gemotiveerd heeft door daarbij geen enkele aandacht te besteden aan het advies dat prof. [betrokkene 4] in het kader van haar benoeming tot UHD1 heeft uitgebracht, omdat die twijfel werd gekoppeld aan het essay, waarmee het beroep op dat advies als een essentiële stelling valt aan te merken, waarop had moeten worden gerespondeerd128..
5.31
Bij de bespreking van deze klachten stel ik voorop het hiervoor in 4.18 behandelde in de zaak Żurek/Polen gemaakte onderscheid tussen maatregelen die wel in een voldoende hoofdzakelijkheids-causaal-verbands-relatie met de uiting staan, zodat die maatregelen een inmenging opleveren enerzijds en aan de andere kant maatregelen die een dergelijk causaal verband met de uiting ontberen en daarom niet als inmenging kunnen worden aangemerkt. Het ging in die zaak om verschillende typen maatregelen.
5.32
Een zelfde soort onderscheid valt in onze zaak te maken, helemaal langs de lijnen van Żurek/Polen. De email aan de vakgroep naar aanleiding van het essay van Werkneemster en de brief van de decaan aan de redactie van het tijdschrift die dat essay heeft geplaatst zijn aan te merken als maatregelen die hoofdzakelijk het gevolg zijn van de uiting en moeten dus als een inmenging worden aangemerkt. Daarop had als volgende stap moeten volgen de toets uit art. 10 lid 2 EVRM om te bezien of die inmenging toelaatbaar is te achten (hetgeen niet is gebeurd). Het ontbindingsverzoek daarentegen is volgens het hof niet (en nu gebruik ik de bewoordingen uit Żurek/Polen:) primarily motivated, maar slechts to some extend connected met de uiting (omdat de verstoorde verhouding al medio 2018 is begonnen met de vroegtijdige promotie-aanspraak van Werkneemster, gevolgd door een als onheus aangemerkte houding jegens haar direct leidinggevende, waarna na promotie tot UHD2 nog jaren zijn gevolgd met diverse direct-leidinggevendenwissels, twee mediationtrajecten, een lange herplaatsingpoging, hetgeen hiervoor is besproken bij de klachten van subonderdelen 1a en 1b), zodat voor die maatregel heeft te gelden dat die vanwege onvoldoende hoofdzakelijkheids-causaal-verband niet kan gelden als een inmenging en dan ook niet in aanmerking komt voor bescherming onder art. 10 EVRM.
5.33
Wat betekent dit voor de klachten onder 21-24 uit subonderdeel 1c?
5.34
De klachten lijken mij inhoudelijk op zich terecht voorgesteld op de aangedragen gronden, gelet op de besproken Straatsburgse jurisprudentie die leest op het hier voorhanden zijn van inmenging met minstgenomen een chilling effect. Het hof had de email aan de vakgroep en de brief van de decaan vanwege het hiervoor aangegeven hoofdzakelijkheids-causaal-verband met de uiting als een inmenging moeten aanmerken en vervolgens moeten toetsen of die inmenging volgens art. 10 lid 2 EVRM is geoorloofd en het hof heeft noch het een, noch het ander gedaan, zodat de klachten daarover inhoudelijk op zich gegrond zijn.
5.35
Maar vanwege het in subonderdelen 1a en 1b (primaire route) tevergeefs aangevallen oordeel dat tussen uiting en ontbindingsverzoek onvoldoende causaal verband bestaat (en hier maak ik eenzelfde onderscheid in typen maatregelen als in Żurek/Polen is gemaakt door het Straatsburgse Hof), kan dit niet tot cassatie leiden. De RUG betoogt dat ook bij s.t. 68-70, maar als ik het goed zie niet direct gemotiveerd langs deze lijnen van te onderscheiden typen maatregelen à la Żurek/Polen uiteenvallend in maatregelen die wel en maatregelen die niet in voldoende causaal verband staan met de uiting (maar het kan best zijn dat hetgeen in s.t. 69-70 wordt betoogd zo moet worden opgevat). Wat er dus verder zij van de inhoudelijke gegrondheid van de klachten op dit punt, bij gebreke van belang kunnen deze niet tot cassatie leiden.
5.36
De tegenwerping bij Repliek onder 9-11 zijdens Werkneemster is dat als wel zou zijn aangenomen dat email en brief een niet te rechtvaardigen inmenging zijn met een chilling effect, dat dan niet langer overeind kan blijven dat de reacties op het essay van de faculteitsleiding slechts een schakel waren in de verstoorde arbeidsverhouding, omdat dergelijke sancties van werkgeverszijde die niet door de toets van art. 10 EVRM komen een veel groter gewicht in de schaal (behoren te) leggen. Daar valt tegen in te brengen dat het oog moet worden gericht op de opeenvolging van alle relevante gebeurtenissen in hun geheel beschouwd, in plaats van beschouwing van die gebeurtenissen als afzonderlijke incidenten (zie hiervoor in 4.16) en dat in Żurek/Polen eenzelfde type onderscheid is gemaakt tussen verschillende maatregelen met verschillende causaliteitsrelaties met de meningsuitingen. De zwaarteverschuiving in causaliteitsweging die hier bij Repliek wordt bepleit zie ik niet opgaan. Als ik dat niet goed zie en niet zo maar gezegd kan worden dat de onjuiste rechtsopvatting in rov. 3.30 geen rol speelt de beoordeling van het vereiste hoofdzakelijkheids-causaal-verband, dan slagen deze klachten wel – maar als hoofdlijn zie ik deze klachten falen bij gebrek aan belang.
5.37
De motiveringsklachten tegen rov. 3.32 uit subonderdeel 1c zie ik ook geen doel treffen. De klachten benadrukken dat met betrekking tot de promotie van Werkneemster tot UHD1 begin 2020 er door haar op is gewezen dat haar direct leidinggevende prof. [betrokkene 4] toen negatief heeft geadviseerd voor zover het haar communicatievaardigheden/soft skills betreft, hetgeen is onderbouwd door hem met een verwijzing naar het essay. De passage uit rov. 3.32 dat de betreffende benoeming met terugwerkende kracht als een contra-indicatie wordt beschouwd dat het ontbindingsverzoek uit eind 2022 een reactie is op haar essay, zou in dat licht ontoereikend gemotiveerd zijn, omdat al ten tijde van deze bevordering bij haar direct-leidinggevende geen vertrouwen bestond in haar functioneren. Het hof heeft dit anders gewogen (ook anders dan de kantonrechter); dat is zijn feitelijke prerogatief en dat behoefde volgens mij geen nadere motivering. Feitelijke grondslag mist de klacht onder 27 in fine dat het hof zou hebben geoordeeld dat het ontbindingsverzoek niets met het essay van doen zou hebben; het hof heeft geoordeeld dat onvoldoende causaal verband bestaat tussen uiting en ontbinding en dat is wat anders.
5.38
Subonderdeel 1d is gericht tegen de passage uit rov. 3.37 dat al voorafgaand aan de publicatie sprake was van verstoorde arbeidsverhoudingen omdat Werkneemster meende dat aan haar onterechte (promotie)eisen werden gesteld. Voor zover die beslissing zo moet worden begrepen dat al voorafgaand aan de publicatie van het essay sprake was van een verstoorde arbeidsrelatie in de zin dat toen al sprake zou zijn geweest van een voldragen g-grond, is die beslissing onbegrijpelijk gelet op de daarmee tegenstrijdige overwegingen in rov. 3.29 en 3.40.
5.39
Deze klacht gaat uit van een onjuiste lezing van deze passage en faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft niet geoordeeld dat al voor de publicatie van het essay sprake was van een voldragen g-grond129.. Het hof heeft met zijn overweging alleen willen aangeven dat het conflict zijn oorsprong heeft voorafgaand aan de publicatie en dat na de publicatie dat conflict op hetzelfde punt is voortgezet. Daarmee is volgens het hof de publicatie geen essentiële schakel is in de keten die leidde tot het ontbindingsverzoek.
5.40
In subonderdeel 1e betoogt Werkneemster dat het oordeel van het hof zelf een inbreuk op zou leveren op art. 10 EVRM en van een onjuiste rechtsopvatting getuigt.
5.41
Deze klacht bouwt voort op de voorgaande klachten en behoeft geen zelfstandige bespreking. Zoals in de inleiding besproken, kan een uitspraak van een nationale rechter die geen recht doet aan de bescherming van de vrijheid van meningsuiting onder art. 10 EVRM zelf ook als een inbreuk op dit recht worden gezien. Uit de bespreking van de voorafgaande subonderdelen volgt dat zich in mijn ogen (volgens de hoofdroute) zo’n schending niet voordoet.
5.42
Onderdeel 1 is tevergeefs voorgesteld.
Herplaatsingsvereiste
5.43
Onderdeel 2 is gericht tegen het oordeel in rov. 3.42 (en 3.35) dat de herplaatsingsinspanning van de RUG, gelet op art. 9 van de Ontslagregeling, niet zover gaat dat een passende functie voor Werkneemster gecreëerd moet worden, ook niet door opwaardering van vacatures waardoor die wel geschikt voor haar zouden worden. Dat is onjuist, omdat het herplaatsingsvereiste onder (bijzondere) omstandigheden wel degelijk een verplichting kan behelzen om bepaalde functies passend te maken, bijvoorbeeld door opwaardering daarvan of door een nieuwe functie te creëren. De klacht koppelt hieraan een zeer vergaande inspanningsverplichting van een universitaire werkgever om de academische vrijheid te borgen.
5.44
Art. 7:669 lid 1 BW bepaalt dat ontslag slechts mogelijk is indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Uit de tekst van deze bepaling volgt dat het bestaan van een redelijke grond voor ontslag niet voldoende is. De werkgever moet zich, voordat tot ontslag kan worden overgegaan, inspannen om de werknemer te behouden in de vorm van herplaatsing elders in de organisatie. Het herplaatsingsvereiste is daarmee een constitutieve, maar wel negatieve, voorwaarde voor ontslag130.: alleen als herplaatsing niet mogelijk is of niet in de rede ligt, kan op grond van art. 7:699 lid 1 BW tot ontslag worden overgegaan.
5.45
Het herplaatsingsvereiste is uitgewerkt in de op art. 7:669 lid 5 BW berustende Ontslagregeling131., waarvan art. 9 als volgt luidt:
“Artikel 9 Herplaatsing
1. Bij de beoordeling of binnen de onderneming van de werkgever een passende functie beschikbaar is voor een werknemer die voor ontslag in aanmerking komt, worden arbeidsplaatsen betrokken:
a. waarvoor een vacature bestaat, of waarvoor binnen de redelijke termijn, bedoeld in artikel 10, een vacature zal ontstaan;
b. waarop werknemers of personen, die geen werkzaamheden van tijdelijke aard verrichten gedurende ten hoogste 26 weken, werkzaam zijn:
1°. op basis van een tijdelijke arbeidsovereenkomst, die binnen de redelijke termijn, bedoeld in artikel 10, eindigt;
2°. op basis van een uitzendovereenkomst;
3°. op basis van een arbeidsovereenkomst waarin de omvang van de arbeid niet is vastgelegd;
4°. die ter beschikking zijn gesteld, anders dan door een payrollwerkgever;
5°. die de in artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet bedoelde leeftijd hebben bereikt; of
6°. anders dan op basis van een arbeidsovereenkomst, tenzij deze werkzaamheden worden verricht in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep, deze werkzaamheden worden verricht door of namens natuurlijke of rechtspersonen die zijn ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, en het voor een doelmatige bedrijfsvoering noodzakelijk is dat deze werkzaamheden anders dan op basis van een arbeidsovereenkomst worden verricht.
2. Indien de onderneming van de werkgever deel uitmaakt van een groep, worden bij de beoordeling of een passende functie beschikbaar is mede arbeidsplaatsen in andere tot deze groep behorende ondernemingen betrokken.
3. Van een passende functie is sprake wanneer deze aansluit bij de opleiding, ervaring en capaciteiten van de werknemer.”
De bijbehorende toelichting vermeldt het volgende:
“Artikel 9 Herplaatsing
De mogelijkheid van herplaatsing van een werknemer wordt bezien aan de hand van vacatures die er bij een werkgever zijn of mogelijkerwijs binnen afzienbare termijn komen. Dat is geregeld in het eerste lid, onderdeel a. Daarbij geldt, net als thans het geval, dat als de bedrijfsactiviteiten van een werkgever over meerdere vestigingen zijn gespreid, of als een onderneming deel uitmaakt van een concern, daarbij ook andere vestigingen, respectievelijk ondernemingen die deel uitmaken van een concern, betrokken dienen te worden dan die waar een werknemer werkzaam is. Het tweede lid van het onderhavige artikel strekt hiertoe.
In het eerste lid, onderdeel b, wordt geregeld dat als een passende functie wordt bezet door werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, door ingeleend personeel (niet zijnde payrollwerknemers) of door een oproepkracht, deze functie, indien die als passend kan worden aangemerkt, bij het beoordelen van de mogelijkheden tot herplaatsing van een werknemer wordt betrokken, hetgeen tot gevolg kan hebben dat genoemde werknemers plaats moeten maken voor een werknemer wiens arbeidsplaats komt te vervallen. Hiermee wordt enerzijds aangesloten bij de thans bestaande praktijk. Anderzijds bij de regel in artikel 7:671a, zevende lid, BW op grond waarvan toestemming voor opzegging van een arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische omstandigheden slechts wordt verleend als een werkgever de arbeidsrelatie met de hiervoor genoemde categorieën van personen heeft beëindigd. De regel geldt echter niet als het werkzaamheden betreft van niet-structurele aard. Dat is ook logisch, enerzijds omdat de verplichting tot herplaatsing (veelal) werknemers zal betreffen met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, anderzijds omdat als het tijdelijke werkzaamheden betreft (waaronder wordt verstaan: met een duur van korter dan 26 weken) een wisseling van personeel voor (veelal) een relatief korte periode niet voor de hand ligt.
In het derde lid is geregeld wat in dit verband onder een passende functie wordt verstaan, namelijk een functie die aansluit bij de opleiding, ervaring en capaciteiten van een werknemer (of waarvoor hij binnen een redelijke termijn met behulp van scholing geschikt zal kunnen zijn). In de regel zal het hierbij gaan om functies die aansluiten bij het niveau van de werkzaamheden die een werknemer verricht maar dat hoeft niet het geval te zijn. Bij disfunctioneren kan bijvoorbeeld sprake zijn van een passende functie wanneer dit ligt onder het functieniveau van de functie die wordt vervuld. Dat ligt ook in de rede als de reden voor disfunctioneren is dat een werknemer het vereiste niveau niet of niet langer aan kan. Bij de bepaling of een functie passend is voor een arbeidsgehandicapte, zal in ogenschouw moeten worden genomen of de functie aansluit bij de arbeids/medische mogelijkheden van de werknemer. Ook dat kan ertoe leiden dat een functie die beneden het niveau van de oorspronkelijke functie ligt als passend moet worden aangemerkt.
Met betrekking tot scholing wordt opgemerkt dat deze optie is gekoppeld aan het eventuele bestaan van een mogelijkheid tot herplaatsing. Dat betekent dat een werkgever niet verplicht kan worden om een werknemer te scholen als er geen zicht is op herplaatsing in een passende functie.
De duur (in relatie tot de in acht te nemen redelijke termijn, zie hierna bij de toelichting op artikel 10) en de kosten van scholing zijn bepalend voor de vraag welk scholingsaanbod bij een mogelijk geschikte functie van werkgever gevergd kan worden, waarbij de financiële positie van een onderneming relevant is.
Het is aan de werkgever om te beoordelen welke werknemer het meest geschikt is voor het vervullen van eventuele vacatures waarbij hij zijn keuze uiteraard wel moet verantwoorden als die ter discussie wordt gesteld. Echter, in een situatie waarin een categorie uitwisselbare functies wordt opgeheven en een deel van de werkzaamheden wordt voortgezet in een andere (niet met de vervallen functie uitwisselbare; zie artikel 13) functie, ligt het in de rede dat de werknemer die hiervoor geschikt is en op grond van het afspiegelingsbeginsel als laatste voor ontslag in aanmerking zou komen, als eerste in de gelegenheid wordt gesteld deze functie — na sollicitatie — te aanvaarden. Het spreekt voorts voor zich dat een werknemer die met ontslag wordt bedreigd voorrang geniet boven een externe sollicitant. Dat betekent dat als een werkgever (of een andere werkgever binnen een concern) een vacature vervult door een externe kandidaat terwijl die vacature als passend kan worden aangemerkt voor een met ontslag bedreigde werknemer de werkgever zijn verplichting tot herplaatsing niet heeft vervuld. UWV zal dan geen toestemming voor opzegging kunnen verlenen en de rechter zal de arbeidsovereenkomst niet kunnen ontbinden.”132.
5.46
Van een passende functie is pas sprake wanneer deze aansluit bij de opleiding, ervaring en capaciteiten van de werknemer, zo volgt uit art. 9 lid 3 Ontslagregeling. De werkgever moet blijkens de toelichting onderzoek doen naar functies waarvoor een vacature bestaat, of waarvoor binnen de redelijke termijn een vacature zal ontstaan. Bij de beoordeling of binnen de organisatie van de werkgever een passende functie beschikbaar is, worden ook functies betrokken die worden bekleed door tijdelijke krachten, ingeleende krachten, oproepkrachten en arbeidsplaatsen bezet door medewerkers die de AOW-leeftijd hebben bereik. Indien de organisatie van de werkgever deel uitmaakt van een concern, worden ook arbeidsplaatsen in andere tot dit concern behorende ondernemingen betrokken (art. 9 lid 2 Ontslagregeling)133.. Daarnaast moet bij het onderzoek naar de mogelijkheden tot herplaatsing ook worden nagegaan of herplaatsing mogelijk is na scholing.
5.47
Uit de Shell-uitspraak, waar ook Werkneemster in de PI onder 33 op wijst, volgt dat het bij de vraag of herplaatsing al dan niet in de rede ligt, gaat om hetgeen in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van de werkgever kan worden gevergd. Deze bepaling roept dus geen resultaatsverplichting van de werkgever tot herplaatsing in het leven134.. Uit de regelgeving volgt niet welke concrete inspanningen een werkgever moet verrichten. Wat in redelijkheid van de werkgever gevraagd kan worden hangt af van de omstandigheden van het geval. De werkgever wordt daarbij een zekere beoordelingsruimte gelaten135..
5.48
Blijkens de rechtspraak, waar ook de RUG naar verwijst in haar s.t. onder 80, ziet de redelijkheidstoetsing vooral op de vraag welke inspanningen van de werkgever verwacht kunnen worden bij de herplaatsing. Uit de regelgeving en rechtspraak waarnaar Werkneemster verwijst in de s.t. onder 81-95 volgt dat hoge eisen worden gesteld aan de werkgever, waarbij een actieve houding, het leveren van maatwerk en het wegnemen van belemmeringen wordt verwacht136.. Het gaat dan wel steeds om wat van een werkgever kan worden verwacht aan inspanningen om een werknemer te plaatsen op een bestaande functie waarvoor een vacature open staat of binnen afzienbare termijn open zal staan. Dit blijkt ook uit de toelichting waarin staat dat de mogelijkheid van herplaatsing van een werknemer wordt bezien aan de hand van vacatures die er bij een werkgever zijn of mogelijkerwijs binnen afzienbare termijn komen. Anders dan Werkneemster betoogt bij PI 33 kan dan ook niet worden gezegd dat onder omstandigheden verder moet worden gekeken dan bestaande vacatures in die zin dat bepaalde functies passend zouden moeten worden gemaakt, bijvoorbeeld door opwaardering of aanpassing van de inhoud van die functie, of zelfs door het creëren van een nieuwe functie137.. Dit ligt niet voor de hand omdat de ratio van het herplaatsingsvereiste is dat niet tot ontslag mag worden overgegaan wanneer er voor de met ontslag bedreigde werknemer een passende functie beschikbaar is en herplaatsing niet onmogelijk is of niet in de rede ligt. Daarmee lijkt niet te rijmen dat een werkgever die wel terecht een beroep doet op een ontslaggrond verplicht wordt om een functie te creëren om zo te voorkomen dat een werknemer moet worden ontslagen138.. Dat zou veeleer neerkomen op een resultaatsverplichting, waarvan de Hoge Raad nu juist in de Shell-zaak heeft uitgemaakt dat daarvan geen sprake is139..
5.49
De door Werkneemster genoemde Amsta140.- en Victoria141.-beschikkingen142.laten het voorgaande onverlet. Deze uitspraken gaan over een onterecht ontslag en stellen aan de orde in hoeverre de arbeidsovereenkomst dan inhoudelijk kan worden gewijzigd. Dat de mogelijkheid in dat geval bestaat om te wijzigen, betekent niet dat dat ook het geval moet zijn bij de vraag of herplaatsing mogelijk of redelijk is. Het gaat in door Werkneemster genoemde gevallen namelijk om een onterecht ontslag, terwijl er bij de vraag of werkgever heeft voldaan aan de herplaatsingsplicht juist wel een redelijke grond voor ontslag is.
5.50
Ook uit de Decor143.-uitspraak volgt niet dat een werkgever gehouden is om een functie te creëren. In die zaak had de werkgever dat uit eigener beweging gedaan en werd door het hof alleen geoordeeld dat werkgever voldoende inspanningen had verricht144..
5.51
Verder volgt uit de rechtspraak waarnaar Werkneemster verwijst bij s.t. onder 102-109 wel dat grondrechten kunnen doorwerken in de arbeidsovereenkomst, maar dit maakt nog niet dat op de werkgever in dit geval een zwaardere inspanningsverplichting rust bij herplaatsing. Dat grondrechten in het geding zijn, wordt in dit geval immers al meegewogen bij de beoordeling of er een redelijke grond voor ontslag is145..
5.52
Bij de uitspraak van het HvJEU waarnaar Werkneemster bij s.t. onder 105 verwijst, kan evenmin worden aangesloten. Die uitspraak gaat over de Richtlijn tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep146.waar in art. 5 wordt bepaald dat redelijke aanpassingen voor gehandicapten moeten worden gedaan om die personen in staat te stellen arbeid te kunnen verrichten. In een concreet geval kan dat volgens het HvJEU betekenen dat de werkgever een gehele andere functie aanbiedt147.. Dat van een werkgever in dat geval wordt gevergd om een andere functie aan te bieden, brengt natuurlijk niet mee dat een werkgever daartoe ook verplicht is indien er, ondanks het beroep op grondrechten, een redelijke grond voor ontslag aanwezig is.
5.53
Onderdeel 2 kan niet tot cassatie leiden.
5.54
Onderdeel 3 bevat alleen voortbouwklachten die geen zelfstandige bespreking behoeven.
6. Conclusie
Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 14‑03‑2025
Ontleend aan de bestreden uitspraak: Hof Arnhem-Leeuwarden 8 januari 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:152, rov. 3.3-3.23. Vgl. Rb. Noord-Nederland 8 maart 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:854, rov. 2.1-2.59.
D.E. Bunschoten, T&C Grondwet en Statuut, commentaar op art. 7 Gw, aant. 10.
J.H. Gerards, SDU Commentaar EVRM, art. 10, punt 2, onder verwijzing naar EHRM 16 december 2008, 23883/06, ECLI:CE:ECHR:2008:1216JUD002388306 (Khurshid Mustafa & Tarzibachi/Zweden), waarin het Hof in par. 33 en 34 als volgt overwoog:‘33. Admittedly, the Court is not in theory required to settle disputes of a purely private nature. That being said, in exercising the European supervision incumbent on it, it cannot remain passive where a national court’s interpretation of a legal act, be it a testamentary disposition, a private contract, a public document, a statutory provision or an administrative practice appears unreasonable, arbitrary, discriminatory or, more broadly, inconsistent with the principles underlying the Convention (…).34. In the present case the Court notes that the Court of Appeal (…) applied and interpreted not only the tenancy agreement concluded between the applicants and the landlord but also Chapter 12 of the Land Code. Further, it ruled on the applicants' right to freedom of information laid down in the Swedish Constitution and the Convention. Domestic law, as interpreted in the last resort by the Court of Appeal, therefore made lawful the treatment of which the applicants complained (…). In effect, the applicants' eviction was the result of the court's ruling. The Court finds that the responsibility of the respondent State within the meaning of Article 1 of the Convention for any resultant breach of Article 10 may be engaged on this basis.’
J.H. Gerards, SDU Commentaar EVRM, art. 10, punt 2.
Zie hierover mijn conclusie ECLI:NL:PHR:2024:837 onder 4.67-4.71 over de rechtspositie van ambtenaren bij universiteiten met publiekrechtelijke rechtspersoonlijkheid vanaf 1 januari 2020 met de inwerkingtreding van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (Wnra).
EHRM 8 oktober 2024, 41675/12, ECLI:CE:ECHR:2024:1008JUD004167512 (Aghajanyan/Armenië), par. 33-34; EHRM 20 februari 2024, 48340/20, ECLI:CE:ECHR:2024:0220JUD004834020 (Dede/Turkije), par. 38; EHRM 5 november 2019, 11608/15, ECLI:CE:ECHR:2019:1105JUD001160815 (Herbai/Hongarije), par. 37.
EHRM 8 oktober 2024, 41675/12, ECLI:CE:ECHR:2024:1008JUD004167512 (Aghajanyan/Armenië), par. 33-36; EHRM 12 september 2011, 28955/06 (e.a.), ECLI:CE:ECHR:2011:0912JUD002895506 (Palomo Sánchez/Spanje), par. 59. Zie hierover onder 4.24-4.26 van de conclusie van A-G de Bock (ECLI:NL:PHR:2022:231) vóór HR 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1402, NJ 2023/86, m.nt. E. Verhulp (die in gelijke over dit doorwerkingsaspect van art. 10 EVRM in horizontale arbeidsrelaties annoteert onder 2); JAR 2022/269, m.nt. M.M. Govaert; TRA 2022/91, m.nt. M.D. Ruizeveld en J.H. Gerards, SDU Commentaar EVRM, art. 10, punt 2.
EHRM 13 januari 2015, 79040/12, ECLI:CE:ECHR:2015:0113JUD007904012 (Rubins/Letland), par. 44.
EHRM, Guide on Article 10 of the European Convention on Human Rights, Hoofdstuk II onder A, punt 12-33 (laatstelijk geactualiseerd op 29 februari 2024). Zie ook: J.H. Gerards, SDU Commentaar EVRM, art. 10, punt 1.1.
EHRM 20 november 1989, 10572/83, ECLI:CE:ECHR:1989:1120JUD001057283 (Markt intern Verlag GmbH en Klaus Beermann/Duitsland), par. 26.
EHRM 24 mei 1988, 10737/84, ECLI:CE:ECHR:1988:0524JUD001073784 (Müller c.s./Zwitserland), par. 27.
EHRM 20 november 1989, 10572/83, ECLI:CE:ECHR:1989:1120JUD001057283 (Markt intern Verlag GmbH en Klaus Beermann/Duitsland), par. 26.
EHRM 20 november 1989, 10572/83, ECLI:CE:ECHR:1989:1120JUD001057283 (Markt intern Verlag GmbH en Klaus Beermann/Duitsland), par. 26.
EHRM 7 februari 2012, 39954/08, ECLI:CE:ECHR:2012:0207JUD003995408 (Axel Springer AG/Duitsland).
EHRM 15 juni 2021, 35786/19, ECLI:CE:ECHR:2021:0615JUD003578619 (Melike/Turkije), par. 44.
EHRM 11 juli 2023, 67783/13, ECLI:CE:ECHR:2023:0711JUD006778313 (Gaspari/Armenië nr. 2), par. 27; EHRM 2 oktober 2012, 57942/10, ECLI:CE:ECHR:2012:1002DEC005794210 (Rujak/Kroatië), par. 27-32.
EHRM 11 juli 2023, 67783/13, ECLI:CE:ECHR:2023:0711JUD006778313 (Gaspari/Armenië nr. 2), par. 27; EHRM 7 december 1976, 5493/72, ECLI:CE:ECHR:1976:1207JUD000549372 (Handyside/Verenigd Koninkrijk), par. 49;EHRM 12 september 2011, 28955/06 (e.a.), ECLI:CE:ECHR:2011:0912JUD002895506 (Palomo Sánchez/Spanje), par. 53; Zie hierover: J.H. Gerards, SDU Commentaar EVRM, art. 10, punt 1.5.
Vlg. HR 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1402, NJ 2023/86, m.nt. E. Verhulp; JAR 2022/269, m.nt. M.M. Govaert; TRA 2022/91, m.nt. M.D. Ruizeveld, waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de publicatie van een boek onder de werking van art. 10 EVRM valt. Zie ook de conclusie van A-G De Bock vóór deze beschikking (ECLI:NL:PHR:2022:231) onder 4.23. Zo ook s.t. RUG onder 16.
Zo ook s.t. RUG 16.
EHRM 20 november 1989, 10572/83, ECLI:CE:ECHR:1989:1120JUD001057283 (Markt intern Verlag GmbH en Klaus Beermann/Duitsland).
EHRM 11 juli 2023, 67783/13, ECLI:CE:ECHR:2023:0711JUD006778313 (Gaspari/Armenië nr. 2), par. 20.
EHRM 27 mei 2014, 39779/04, ECLI:CE:ECHR:2014:0527JUD000034604 (Mustafa Erdogan/Turkije), par. 30 (over schadevergoeding wegens smaad).
EHRM 8 november 2022, 74729/17, ECLI:CE:ECHR:2022:1108JUD007472917 (Ayuso Torres/Spanje), ook al gebeurt dat in de vorm van een obiter dictum, zoals in deze zaak (waarover s.t. Werkneemster 24-26).
J.H. Gerards, SDU Commentaar EVRM, art. 10, punt 3.1.
Zie bijv. EHRM 8 oktober 2024, 41675/12, ECLI:CE:ECHR:2024:1008JUD004167512 (Aghajanyan/Armenië) (ontslag op staande voet van een senior onderzoeker van een particuliere chemische fabriek na het onthullen van gevoelige informatie over zijn werkgever in een interview met een journalist); EHRM 15 juni 2021, 35786/19, ECLI:CE:ECHR:2021:0615JUD003578619 (Melike/Turkije) (ontslag wegens plaatsen van likes bij Facebook-berichten); EHRM 5 november 2019, 11608/15, ECLI:CE:ECHR:2019:1104JUD001160815 (Herbai/Hongarije) (ontslag na publiceren van werkgerelateerde artikelen op externe websites); EHRM 20 oktober 2009, 39128/05, ECLI:CE:ECHR:2009:1020JUD003912805 (Lombardi Vallauri/Italië) (niet aanbieden van een nieuwe arbeidsovereenkomst na uitingen universitair docent die niet in lijn met katholieke leer zouden zijn). Zie ook: HR 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1402, NJ 2023/86, m.nt. E. Verhulp; JAR 2022/269, m.nt. M.M. Govaert; TRA 2022/91, m.nt. M.D. Ruizeveld (ROC Nijmegen), rov. 3.1.2.
EHRM 21 oktober 2010, 35016/03, ECLI:CE:ECHR:2010:1021JUD003501603 (Saliyev/Rusland), par. 70.
EHRM 2 oktober 2012, 2594/07, ECLI:CE:ECHR:2012:1002JUD000259407 (Najafli/Azerbeidzjan), par. 68.
EHRM 19 juni 2018, 20233/06, ECLI:CE:ECHR:2018:0619JUD002023306 (Kula/Turkije). Zie verder over een reprimande, een disciplinaire sanctie, dit keer voor het overtreden van een gedragscode: EHRM 16 december 2008, 53025/99, ECLI:CE:ECHR:2008:1216JUD005302599 (Frankowicz/Polen), par. 44.
EHRM 27 mei 2014, 39779/04, ECLI:CE:ECHR:2014:0527JUD000034604 (Mustafa Erdogan/Turkije), par. 40.
EHRM 13 januari 2015, 44230/06, ECLI:CE:ECHR:2015:0113JUD004423006 (Petropavlovskis/Letland), par. 77.
J.H. Gerards, SDU Commentaar EVRM, art. 10, punt 3.1.
EHRM 8 november 2022, 74729/17, ECLI:CE:ECHR:2022:1108JUD007472917 (Ayuso Torres/Spanje), par. 41-45.
EHRM 28 oktober 2003, 39657/98, ECLI:CE:ECHR:2003:1028JUD003965798, (Steur/Nederland), par. 29.
HR 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1402, NJ 2023/86, m.nt. E. Verhulp; JAR 2022/269, m.nt. M.M. Govaert; TRA 2022/91, m.nt. M.D. Ruizeveld (ROC Nijmegen).
EHRM 23 juni 2016, 20261/12, ECLI:CE:ECHR:2016:0623JUD002026112 (Baka/Hongarije), par. 148; EHRM 6 juli 2023, 21181/19 en 51751/20, ECLI:CE:ECHR:2023:0706JUD002118119 (Tuleya/Polen), par. 522-528. Zie ook rov. 3.12 van de ROC Nijmegen beschikking, al aangehaald.
J.H. Gerards, SDU Commentaar EVRM, art. 10, punt 3.1.
EHRM 16 juni 2022, 39650/18, ECLI:CE:ECHR:2022:0616JUD003965018 (Żurek/Polen).
Vaste rechtspraak, zo volgt uit EHRM 6 juli 2023, 21181/19 en 51751/20, ECLI:CE:ECHR:2023:0706JUD002118119 (Tuleya/Polen), par. 516-518.
Het EHRM wijst op: EHRM 23 juni 2016, 20261/12, ECLI:CE:ECHR:2016:0623JUD002026112 (Baka/Hongarije), par. 151 waarin het EHRM nagaat waardoor de sanctie ingegeven is (prompted by); EHRM 13 november 2008, 64119/00, 76292/01, ECLI:CE:ECHR:2008:1113JUD006411900 (Kayasu/Turkije), par. 80 waarin het EHRM nagaat waarop de sancties gebaseerd zijn (fondés sur); EHRM 26 februari 2009, 29492/05, ECLI:CE:ECHR:2009:0226JUD002949205, (Kudeshkina/Rusland), par. 79-80 waarin het EHRM overweegt dat de maatregelen werden ingegeven door (prompted by) haar uitingen en dat de maatregelen in wezen betrekking hadden op (essentially related to) haar vrijheid van meningsuiting; EHRM 30 juni 2020, 58512/16, ECLI:CE:ECHR:2020:0630JUD005851216 (Cimperšek/Slovenië), par. 58 waarin het EHRM beoordeelt wat de essentiële elementen van de beslissing om de maatregel op te leggen zijn (essential elements) en tot de conclusie komt dat het bestreden besluit uitsluitend op de uiting is gebaseerd (based exclusively on) en dat het nadeel direct verband hield daarmee (directly related to).
Het EHRM wijst op: EHRM 20 november 2012, 58688/11, ECLI:CE:ECHR:2012:1120JUD005868811 (Harabin/Slowakije), par. 151 waarin het EHRM tot het oordeel kwam dat het professionele gedrag van de verzoeker het essentiële aspect van de zaak vormde (essential aspect); EHRM 10 april 2018, 24067/05, ECLI:CE:ECHR:2018:0410DEC002406705 (Köseoğlu/Turkije), par. 25-26 waarin het EHRM tot het oordeel komt dat het ontslag verband hield met het verlies van de kwaliteiten die vereist zijn om te profiteren van de status van ambtenaar van de staat en niet met de uitoefening door hem van zijn rechten (était liée à); EHRM 15 november 2016, 75255/10, ECLI:CE:ECHR:2016:1115DEC007525510 (Simić/Bosnië en Herzegovina), par. 35 waarin het EHRM van oordeel is dat het besluit om de verzoeker uit zijn ambt te ontheffen in wezen betrekking had op zijn vermogen om zijn functies uit te oefenen (essentially related to); EHRM 19 oktober 2021, 40072/13, ECLI:CE:ECHR:2021:1019JUD004007213 (Miroslava Todorova/Bulgarije), par. 154 waarin het EHRM tot het oordeel kwam dat er sprake was van een inmenging omdat de maatregelen niet alleen genomen waren om de werking van de rechterlijke macht te verbeteren, maar ook verband hielden met de publieke standpunten van de betrokkene.
EHRM 16 juni 2022, 39650/18, ECLI:CE:ECHR:2022:0616JUD003965018 (Żurek/Polen), par. 203-204.
In ROC Nijmegen gaat de HR niet in op het hiervoor besproken gezichtspunt uit Żurek/Polen dat van onderscheidend belang is wat de primaire reden is voor de sanctie: is die ‘hoofdzakelijk of uitsluitend’ ingegeven door de uitoefening van het recht op vrijheid van meningsuiting door de werknemer, of houdt deze ‘hoofdzakelijk’ verband met (‘primarily motivated’) het vermogen van de werknemer om zijn of haar functie uit te oefenen.
HR 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1402, NJ 2023/86, m.nt. E. Verhulp; JAR 2022/269, m.nt. M.M. Govaert; TRA 2022/91, m.nt. M.D. Ruizeveld (ROC Nijmegen).
Zie onder 4.33-4.34 van de conclusie van A-G de Bock (ECLI:NL:PHR:2022:231) vóór HR 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1402, NJ 2023/86, m.nt. E. Verhulp; JAR 2022/269, m.nt. M.M. Govaert; TRA 2022/91, m.nt. M.D. Ruizeveld.
EHRM 7 december 1976, 5493/72, ECLI:CE:ECHR:1976:1207JUD000549372 (Handyside/Verenigd Koninkrijk), par. 41; EHRM 30 januari 1998, 19392/92, ECLI:CE:ECHR:1998:0130JUD001939292, (United Communist Party of Turkey/Turkije), par. 57: ‘Democracy thrives on freedom of expression’.
EHRM 7 december 1976, 5493/72, ECLI:CE:ECHR:1976:1207JUD000549372 (Handyside/Verenigd Koninkrijk), par. 49.
J.H. Gerards, SDU Commentaar EVRM, art. 10, punt 5.4.
J.H. Gerards, SDU Commentaar EVRM, art. 10, punt 5.4.4.
J.H. Gerards, SDU Commentaar EVRM, art. 10, punt 5.4.9.
Zie over de eisen die aan ambtenaren worden gesteld bijv.: EHRM 15 juni 2021, 35786/19, ECLI:CE:ECHR:2021:0615JUD003578619 (Melike/Turkije), par. 48. Zie verder: K. Vermeulen, Arbeidsrechtelijke sancties voor de boekschrijvende werknemer en ambtenaar, TAR 2022/120.
EHRM 8 oktober 2024, 41675/12, ECLI:CE:ECHR:2024:1008JUD004167512 (Aghajanyan/Armenië), par. 41. Zie ook: EHRM 12 september 2011, 28955/06 (e.a.), ECLI:CE:ECHR:2011:0912JUD002895506 (Palomo Sánchez/Spanje), par. 76; EHRM 5 november 2019, 11608/15, ECLI:CE:ECHR:2019:1104JUD001160815 (Herbai/Hongarije), par. 38.
EHRM 5 november 2019, 11608/15, ECLI:CE:ECHR:2019:1104JUD001160815 (Herbai/Hongarije), par. 39-49. Zie over de Herbai-factoren ook: I.J. de Laat, Vrijheid van meningsuiting in de arbeidsverhouding: een update, ArbeidsRecht 2023/4.
EHRM 21 juli 2011, 28274/08, ECLI:CE:ECHR:2011:0721JUD002827408, NJ 2012/282, m.nt. E.J. Dommering (Heinisch/Duitsland), par. 91; EHRM 12 februari 2008, 14277/04, ECLI:CE:ECHR:2008:0212JUD001427704, NJ 2008/305, m.nt. E.A. Alkema (Guja/Moldavië), par. 95.
W.H.A.C.M. Bouwens en D.M.A. Bij de Vaate, Arbeidsovereenkomstenrecht 2023/3.4.3.
EHRM 12 september 2011, 28955/06 (e.a.), ECLI:CE:ECHR:2011:0912JUD002895506 (Palomo Sánchez/Spanje), par. 76.
I.J. de Laat, Vrijheid van meningsuiting in de arbeidsverhouding, ArbeidsRecht 2020/32; I.J. de Laat, Vrijheid van meningsuiting in de arbeidsverhouding: een update, ArbeidsRecht 2023/4. Zie in dit verband ook de Wet bescherming bedrijfsgeheimen (Wbb) (Stb. 2018, 369, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2023, 29) en de Wet Huis voor Klokkenluiders (Stb. 2016, 147 en Stb. 2016, 148, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2023, 52).
EHRM 12 september 2011, 28955/06 (e.a.), ECLI:CE:ECHR:2011:0912JUD002895506 (Palomo Sánchez/Spanje), par. 75.
EHRM 8 oktober 2024, 41675/12, ECLI:CE:ECHR:2024:1008JUD004167512 (Aghajanyan/Armenië), par. 41.
EHRM 8 juni 2010, 44102/04, ECLI:CE:ECHR:2010:0608JUD004410204 (Sapan/Turkije), par. 34.
EHRM 20 november 1989, 10572/83, ECLI:CE:ECHR:1989:1120JUD001057283 (Markt intern Verlag GmbH en Klaus Beermann/Duitsland), par. 33.
EHRM 7 februari 2012, 40660/08 en 60641/08, ECLI:CE:ECHR:2012:0207JUD004066008 (Von Hannover/Duitsland nr. 2), par. 124.
EHRM 27 juni 2000, 28871/95, ECLI:CE:ECHR:2000:0627JUD002887195, (Constantinescu/Roemenië).
J.H. Gerards, SDU Commentaar EVRM, art. 10, punt 5.4.7.
EHRM 12 september 2011, 28955/06 (e.a.), ECLI:CE:ECHR:2011:0912JUD002895506, JAR 2011/280 m.nt. I.J. de Laat (Palomo Sánchez/Spanje), par. 67: ‘The Court reiterates that a clear distinction must be made between criticism and insult and that the latter may, in principle, justify sanctions.’ Zie ook: EHRM 11 juli 2023, 67783/13, ECLI:CE:ECHR:2023:0711JUD006778313 (Gaspari/Armenië nr. 2), par. 27.
Zie daarover ook EHRM 28 maart 2017, 51706/11, ECLI:CE:EHCR:0328JUD005170611, JAR 2017/119 (Marunic/Kroatië).
S.t. Werkneemster onder 36-45 signaleert a.d.h.v. o.m. een in opdracht van het Europees Parlement verricht onderzoek dat het slecht gesteld is met de academische vrijheid in Nederland, zie P. Maassen e.a., State of play of academic freedom in the EU Member States, Europees Parlement, 2022. M.n. aantasting van vrijheid van wetenschappers via bijv. arbeidsrechtelijke sanctionering wordt in dit rapport genoemd als een alarmerende ontwikkeling in Nederland, maar ook in Denemarken, Frankrijk en Zweden.
PbEU 2016, C 202/389.
PbEG 2007, C 303, p. 22:
Internationaal verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (Trb. 1969, 100, laatstelijk gewijzigd bij Trb. 1978, 178).
Stb. 1992, 593, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2021, 409.
MvT op de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (1981), Kamerstukken II, 1980-1981, 16 802, nr. 3, p. 49-50. S.t. RUG onder 32 geeft aan dat academische vrijheid geen subjectief recht is waar individuen rechtstreeks aanspraken aan kunnen ontlenen, maar veeleer een overkoepelende notie is die gestalte krijgt via andere rechten, met als voornaamste recht de vrijheid van meningsuiting.
J.R. Groen, Academische vrijheid: een juridische verkenning. diss. 2017, p. 44-45.
Idem, p. 58.
Idem.
EHRM 18 juni 2024, 58029/12 e.a., ECLI:CE:ECHR:2024:0618JUD005802912 (Suprun e.a./Rusland), par. 90.
EHRM 19 juni 2018, 20233/06, ECLI:CE:ECHR:2018:0619JUD002023306 (Kula/Turkije), par. 38; EHRM 23 juni 2009, 17089/03, ECLI:CE:ECHR:2009:0623JUD001708903 (Sorguç/Turkije), par. 25; EHRM 20 oktober 2009, 39128/05, ECLI:CE:ECHR:2009:1020JUD003912805 (Lombardi Vallauri/Italië), par. 43.
UNESCO, Recommendation Concerning the Status of Higher-Education Teaching Personnel, Parijs 1997, par. 27, zie http://portal.unesco.org/en/ev.php-URL_ID=1314&URL_DO=DO_TOPIC&URL_SECTION=201.html .
EHRM 27 mei 2014, 39779/04, ECLI:CE:ECHR:2014:0527JUD000034604 (Mustafa Erdogan/Turkije), par. 40.
EHRM 23 juni 2009, 17089/03, ECLI:CE:ECHR:2009:0623JUD001708903 (Sorguç/Turkije), par. 35; EHRM 19 juni 2018, 20233/06, ECLI:CE:ECHR:2018:0619JUD002023306 (Kula/Turkije), par. 38.
EHRM 27 mei 2014, 39779/04, ECLI:CE:ECHR:2014:0527JUD000034604 (Mustafa Erdogan/Turkije), par. 40.
EHRM 25 augustus 1998, 25181/94, ECLI:CE:ECHR:1998:0825JUD002518194 (Hertel/Zwitserland), par. 50.
EHRM 27 augustus 2024, 20007/22, ECLI:CE:ECHR:2024:0827JUD002000722 (Bielau/Oostenrijk), par. 44.
EHRM 19 juni 2018, 20233/06, ECLI:CE:ECHR:2018:0619JUD002023306 (Kula/Turkije), par. 38-39; EHRM 27 mei 2014, 39779/04, ECLI:CE:ECHR:2014:0527JUD000034604 (Mustafa Erdogan/Turkije), par. 40; EHRM 20 oktober 2009, 39128/05, ECLI:CE:ECHR:2009:1020JUD003912805 (Lombardi Vallauri/Italië), par. 43; EHRM 23 juni 2009, 17089/03, ECLI:CE:ECHR:2009:0623JUD001708903 (Sorguç/Turkije), par. 34-35.
PbEG 2007, C 303/17. Zie daarover ook: HvJEU 6 oktober 2020, C-66/18, ECLI:EU:C:2020:792 (Europese Commissie/Hongarije), punt 224-225: ‘ 224. In de tekst van het EVRM wordt niet verwezen naar de academische vrijheid. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt evenwel dat deze vrijheid met name in verband wordt gebracht met het in artikel 10 EVRM verankerde recht op vrijheid van meniingsuiting (EHRM 15 april 2014, Hasan Yazici tegen Turkije, CE:ECHR:2014:0415JUD004087707, §§ 55 en 69,en EHRM, 27 mei 2014 Mustafa Erdogan e.a. tegen Turkije, CE:ECHR:2014:0527JUD000034604, §§ 40 en 46), hetgeen ook wordt bevestigd in de toelichting op artikel 13 van het het Handvest van de grondrechte (PB 2007, C 303, blz. 17). 225. Bezien vanuit dit specifieke perspectief moet de academische vrijheid, zowel in het onderzoek als in het onderwijs, de vrijheid van meningsuiting en actie, de vrijheid om informatie te verstrekken en de vrijheid om kennis en waarheid te zoeken en zonder beperking te verspreiden waarborgen, met de recisering dat deze vrijheid niet beperkt is tot academisch of wetenschappelijk onderzoek, maar zich tevens uitstrekt tot de vrijheid van universiteiten om vrijelijk hun standpunten kenbaar te maken (EHRM, 27 mei 2014, Mustafa Erdogan e.a. tegen Turkije, CE:ECHR:2014:0527JUD000034604, § 40).’
J.R. Groen, Academische vrijheid: een juridische verkenning, diss. 2017, p. 69; R.A.J. van Gestel, Wettelijke bescherming van de academische vrijheid?, RegelMaat 2021 (37) 4, p. 337.
EHRM 27 mei 2014, 39779/04, ECLI:CE:ECHR:2014:0527JUD000034604 (Mustafa Erdogan/Turkije), par. 40-41.
Idem, par. 44.
J.R. Groen, Academische vrijheid: een juridische verkenning, diss. 2017, p. 69.
EHRM 20 oktober 2009, 39128/05, ECLI:CE:ECHR:2009:1020JUD003912805 (Lombardi Vallauri/Italië), par. 43. Zie ook: EHRM-KS, Key theme – Article 10 Contributions to public debate: Journalists and other actors.
EHRM 20 oktober 2009, 39128/05, ECLI:CE:ECHR:2009:1020JUD003912805 (Lombardi Vallauri/Italië), par. 44.
EHRM 23 juni 2009, 17089/03, ECLI:CE:ECHR:2009:0623JUD001708903 (Sorguç/Turkije), par. 36-40.
EHRM 19 juni 2018, 20233/06, ECLI:CE:ECHR:2018:0619JUD002023306 (Kula/Turkije), par. 38-39.
EHRM 19 juni 2018, 20233/06, ECLI:CE:ECHR:2018:0619JUD002023306 (Kula/Turkije), par. 50.
Dit is wezen wat de RUG betoogt bij s.t. onder 39: ‘uit de rechtspraak van het EHRM blijkt aldus dat de academische vrijheid niet een zelfstandig recht is, maar wordt beschermd via de vrijheid van meningsuiting. Daarbij komt betekenis toe aan het feit dat de uiting een wetenschappelijk karakter heeft, maar dat is op zichzelf niet doorslaggevend. Het academische karakter van de uiting is één van de relevante omstandigheden van het geval. De academische vrijheid wordt in het kader van de noodzakelijkheidstoets afgewogen tegen andere belangen.’
S.t. RUG onder 53 benoemt dit als een cruciaal verschil met de ROC Nijmegen beschikking, omdat de verstoring van de verhouding in onze zaak niet is ontstaan door publicatie van het essay, maar als is begonnen op 20 augustus 2018 toen Werkneemster haar toenmalige leidinggevende er ten onrechte van beschuldigde haar vanwege haar geslacht te discrimineren en haar carrière met onware en willekeurige argumenten te dwarsbonen, aldus de RUG.
Dat geldt ook al vanwege het hiervoor in 4.16 gememoreerde aspect dat het EHRM oog heeft voor opeenvolging van relevante gebeurtenissen in hun geheel beschouwd, in plaats van beschouwing van die gebeurtenissen als afzonderlijke incidenten. Onderdeel 1 focust in wezen alleen op de bij PI 13 aangegeven elementen uit de veel meer omvattende hofbeslissing.
Onder verwijzing naar HR 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1402, NJ 2023/86, m.nt. E. Verhulp; JAR 2022/269, m.nt. M.M. Govaert; TRA 2022/91, m.nt. M.D. Ruizeveld, rov. 3.1.2.
In gelijke zin s.t. RUG onder 43 e.v., waarin ook nog wordt verwezen naar EHRM 29 juni 2004, 62584/00 (Harabin/Slowakije), zo ook Dupliek onder 8.
Bijzonderheid in de onderhavige zaak is dat de causale keten niet is aangevangen met de uiting (zoals in ROC Nijmegen), maar al eerder, namelijk op het moment dat Werkneemster, in de ogen van het hof: te vroegtijdig, aanspraak maakte op promotie zonder (al helemaal) aan de gestelde publicatievereisten te hebben voldaan en haar leidinggevende ernstige verwijten is gaan maken, zie hiervoor in 5.2.
EHRM 23 juni 2016, 20261/12, ECLI:CE:ECHR:2016:0623JUD002026112 (Baka/Hongarije), par. 148; EHRM 6 juli 2023, 21181/19 en 51751/20, ECLI:CE:ECHR:2023:0706JUD002118119 (Tuleya/Polen), par. 522-528. Zie ook: HR 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1402, NJ 2023/86, m.nt. E. Verhulp; JAR 2022/269, m.nt. M.M. Govaert; TRA 2022/91, m.nt. M.D. Ruizeveld, rov. 3.1.2.
Punt 4.33-4.34 van de conclusie van A-G de Bock (ECLI:NL:PHR:2022:231) vóór HR 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1402, NJ 2023/86, m.nt. E. Verhulp; JAR 2022/269, m.nt. M.M. Govaert; TRA 2022/91, m.nt. M.D. Ruizeveld (ROC Nijmegen). S.t. RUG onder 52 geeft aan dat het hof in onze zaak precies dezelfde maatstaf heeft aangelegd, maar tot een tegengestelde conclusie is gekomen.
EHRM 30 juni 2020, 58512/16, ECLI:CE:ECHR:2020:0630JUD005851216 (Cimperšek/Slovenië), par. 58.
EHRM 26 februari 2009, 29492/05, ECLI:CE:ECHR:2009:0226JUD002949205, (Kudeshkina/Rusland), par. 79-80; EHRM 15 november 2016, 75255/10, ECLI:CE:ECHR:2016:1115DEC007525510 (Simić/Bosnië en Herzegovina), par. 35.
EHRM 20 november 2012, 58688/11, ECLI:CE:ECHR:2012:1120JUD005868811 (Harabin/Slowakije), par. 151.
EHRM 2 oktober 2012, 2594/07, ECLI:CE:ECHR:2012:1002JUD000259407 (Najafli/Azerbeidzjan), par. 68.
EHRM 19 juni 2018, 20233/06, ECLI:CE:ECHR:2018:0619JUD002023306 (Kula/Turkije). Zie daarnaast ook over een reprimande, een disciplinaire sanctie, maar ditmaal voor het overtreden van een gedragscode: EHRM 16 december 2008, 53025/99, ECLI:CE:ECHR:2008:1216JUD005302599 (Frankowicz/Polen), par. 44.
EHRM 28 oktober 2003, 39657/98, ECLI:CE:ECHR:2003:1028JUD003965798, (Steur/Nederland), par. 29.
EHRM 8 november 2022, 74729/17, ECLI:CE:ECHR:2022:1108JUD007472917 (Ayuso Torres/Spanje), par. 41-45.
Onder verwijzing naar R.A.J. van Gestel, Academische vrijheid onder druk, NJB 2024, p. 16. Zie ook het onderzoek in opdracht van het Europees Parlement over de staat van academische vrijheid binnen de EU waarop wordt gewezen door Werkneemster bij s.t. onder 37 e.v.: P. Maassen e.a., State of play of academic freedom in the EU Member States, Brussel Europees Parlement 2022.
Zie ook s.t. Werkneemster onder 43.
EHRM 23 juni 2016, 20261/12, ECLI:CE:ECHR:2016:0623JUD002026112 (Baka/Hongarije), par. 148; EHRM 6 juli 2023, 21181/19 en 51751/20, ECLI:CE:ECHR:2023:0706JUD002118119 (Tuleya/Polen), par. 522-528. Zie ook: HR 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1402, NJ 2023/86, m.nt. E. Verhulp; JAR 2022/269, m.nt. M.M. Govaert; TRA 2022/91, m.nt. M.D. Ruizeveld, rov. 3.1.2.
Voor haar beroep op de academische vrijheid in feitelijke instanties verwijst zij naar: vws ea 40; plta ea 21 e.v.; brs 10 en 44; vws inc appel 17; plta hb 1-18.
Onder verwijzing naar EHRM 19 juni 2018, 20233/06, ECLI:CE:ECHR:2018:0619JUD002023306 (Kula/Turkije), par. 38-39; EHRM 27 mei 2014, 39779/04, ECLI:CE:ECHR:2014:0527JUD000034604 (Mustafa Erdogan/Turkije), par. 40.
EHRM 27 mei 2014, 39779/04, ECLI:CE:ECHR:2014:0527JUD000034604 (Mustafa Erdogan/Turkije), par. 40.
EHRM 23 juni 2009, 17089/03, ECLI:CE:ECHR:2009:0623JUD001708903 (Sorguç/Turkije), par. 35; EHRM 19 juni 2018, 20233/06, ECLI:CE:ECHR:2018:0619JUD002023306 (Kula/Turkije), par. 38.
EHRM 23 juni 2009, 17089/03, ECLI:CE:ECHR:2009:0623JUD001708903 (Sorguç/Turkije), par. 35.
EHRM 27 mei 2014, 39779/04, ECLI:CE:ECHR:2014:0527JUD000034604 (Mustafa Erdogan/Turkije), par. 40; EHRM 15 maart 2012, 4149/04 en 41029/04, ECLI:CE:ECHR:2012:0315JUD000414904 (Aksu/Turkije), par. 71.
EHRM 19 juni 2018, 20233/06, ECLI:CE:ECHR:2018:0619JUD002023306 (Kula/Turkije), par. 38-39.
EHRM 27 mei 2014, 39779/04, ECLI:CE:ECHR:2014:0527JUD000034604 (Mustafa Erdogan/Turkije), par. 40; EHRM 15 maart 2012, 4149/04 en 41029/04, ECLI:CE:ECHR:2012:0315JUD000414904 (Aksu/Turkije), par. 71 ziet overigens op art. 8 EVRM.
Onder verwijzing naar EHRM 2 oktober 2012, 2594/07, ECLI:CE:ECHR:2012:1002JUD000259407 (Najafli/Azerbeidzjan), par. 68; EHRM 28 oktober 2003, 39657/98, ECLI:CE:ECHR:2003:1028JUD003965798, (Steur/Nederland), NJ 2004/555, par. 44; punt 4.27 van de conclusie van A-G de Bock (ECLI:NL:PHR:2022:231) vóór HR 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1402, NJ 2023/86, m.nt. E. Verhulp; JAR 2022/269, m.nt. M.M. Govaert; TRA 2022/91, m.nt. M.D. Ruizeveld (ROC Nijmegen) en de NJ-noot van Verhulp onder 3 waar wordt verwezen naar EHRM 8 november 2022, 74729/17, ECLI:CE:ECHR:2022:1108JUD007472917 (Ayuso Torres/Spanje), bij welke laatste zaak de s.t. van Werkneemster onder 68 ook aanknoopt en citeert uit Verhulps NJ-noot: ‘De rechtspraak van het EHRM is in dit verband ondubbelzinnig: als sprake is van een causaal verband tussen de uiting en daarop volgende acties die de betrokken werknemer als negatief kan ervaren, is psrake van een inmenging in de vrijheid van meningsuiting. Dat gaat zo ver dat een overweging ten overvloede van een tuchtrechter als eenn beperking van de vrijheid van meningsuiting kan worden beschouwd, volgens EHRM 8 november 2022 (ECLI:CE:ECHR:2022:1108JUD007472917).’
Onder verwijzing naar EHRM 27 mei 2014, 39779/04, ECLI:CE:ECHR:2014:0527JUD000034604 (Mustafa Erdogan/Turkije), par. 40.
Onder verwijzing naar vws ea 13; vws inc hb 51.
Onder verwijzing naar vws ea 14 en prod. 6-8; plta ea [Werkneemster] 22, 25 en 26; vws inc hb 52; plta hb [Werkneemster] 14-15.
Onder verwijzing naar vws ea 17; brs 74, 76-78; wws inc hb 6, 14 en 45.
Onder verwijzing naar vws ea 18; brs 74, 76-78; vws inc hb 6, 14, 45.
Onder verwijzing naar vws ea 17; brs 74, 76-87; vws inc hb 6, 14 en 45 en ter vergelijking rov. 5.11 van de uitspraak in eerste aanleg.
Zo ook s.t. RUG onder 72.
Punt 2.19 van de conclusie van plv. P-G Langemeijer (ECLI:NL:PHR:2018:1159) vóór HR 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:64, NJ 2019/56; TRA 2019/49, m.nt. J.J.M. de Laat, JAR 2019/54, m.nt. H.H.M.A. van Foesenek, JIN 2019/60, m.nt. J. Tersteeg; H.H.M.A. Foesenek & M. Ruissenaars, Herplaatsing: hoe ver reikt de inspanningsverplichting van de werkgever?, TAP 2022/148.
Stcrt 2015, 12685, laatstelijk gewijzigd bij Stcrt 2019, 68450.
Toelichting Ontslagregeling, Stcrt. 2015/12685, blz. 15-16.
T.J. van Frankenhuijsen, Concern-brede herplaatsing: wat is de laatste stand van zaken?, ArbeidsRecht 2018/5; S. Gerritse & S.E.J.M. van Well, Het herplaatsingsvereiste in internationale context naar aanleiding van de ‘Expat/Shell’-beschikking: eindelijk duidelijkheid?, ArbeidsRecht 2019/23.
HR 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:64, NJ 2019/56; TRA 2019/49, m.nt. J.J.M. de Laat, JAR 2019/54, m.nt. H.H.M.A. van Foesenek, JIN 2019/60, m.nt. J. Tersteeg, rov. 3.4.2.
Idem.
H.H.M.A. Foesenek & M. Ruissenaars, Herplaatsing: hoe ver reikt de inspanningsverplichting van de werkgever?, TAP 2022/148; Punt 2.30 van de conclusie van plv. P-G Langemeijer (ECLI:NL:PHR:2018:1159) vóór HR 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:64, NJ 2019/56; TRA 2019/49, m.nt. J.J.M. de Laat, JAR 2019/54, m.nt. H.H.M.A. van Foesenek, JIN 2019/60, m.nt. J. Tersteeg.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 februari 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:761, JAR 2016/74, m.nt. A.M. Helstone, JIN 2016/50, m.nt. K. Janssens waarin het hof in rov. 5.13 overweegt dat de herplaatsingsplicht van de werkgever niet zo ver gaat dat zij taken van een, door zwangerschap tijdelijk te vervangen, docent dient af te splitsen teneinde daarvan een functie te maken; H.H.M.A. Foesenek & M. Ruissenaars, Herplaatsing: hoe ver reikt de inspanningsverplichting van de werkgever?, TAP 2022/148. Zie ook: s.t. RUG onder 89 (en aldaar genoemde rechtspraak).
Zo ook s.t. RUG onder 90.
HR 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:64, NJ 2019/56; TRA 2019/49, m.nt. J.J.M. de Laat, JAR 2019/54, m.nt. H.H.M.A. van Foesenek, JIN 2019/60, m.nt. J. Tersteeg, rov. 3.4.2.
HR 25 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:80, NJ 2019/139, m.nt. E. Verhulp, JIN 2019/61, m.nt. R. de Vos, JAR 2019/57, m.nt. P.A. Hogewind-Wolters, TRA 2019/39, m.nt. M.S.A. Vegter (Amsta).
HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:283, NJ 2020/378, m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens, JAR 2020/73, m.nt. M. van Eck en M. Ruijssenaars, JBPR 2020/39, m.nt. T. van Malssen, TRA 2020/46, m.nt. M.S.A. Vegter (Victoria).
Zie s.t. Werkneemster 96-101.
HR 16 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:182, NJ 2018/394, m.nt. E. Verhulp, OR 2018/50, J.M. van Slooten, JAR 2018/72, m.nt. M.W. Koole, TRA 2018/49, m.nt. C.J. Frikkee (Decor).
Zie ook Dupliek 22.
Dat volgt uit de rechtspraak van het EHRM waar Werkneemster naar verwijst bij s.t. onder 106-109.
Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep, Pb L 303, 2000.
HvJEU 10 februari 2022, C-485/20, ECLI:EU:C:2022:85, JIN 2022/60, m.nt. B. Leeuwestein, TRA 2022/44, m.nt. N.J. Gundt.
Beroepschrift 08‑03‑2024
PROCESINLEIDING IN CASSATIE
(VERZOEKPROCEDURE)
1. Verzoekende partij
1.
Verzoekster tot cassatie is:
[de werkneemster] (‘[de werkneemster]’),
wonende aan de [adres],
[postcode] [woonplaats], gemeente [gemeente].
[de werkneemster] kiest in deze zaak woonplaats aan het Burgerweeshuispad 201, 1076 GR Amsterdam, op het kantoor van mr. S.F. Sagel (De Brauw Blackstone Westbroek N.V.). [de werkneemster] stelt in deze zaak mr. S.F. Sagel tot advocaat bij de Hoge Raad.
2. Verwerende partij
2.
Verweerster in cassatie is:
De publiekrechtelijke rechtspersoon
RIJKSUNIVERSITEIT GRONINGEN (‘RUG’),
gevestigd in Groningen en kantoorhoudende aan de Broerstraat 5,
9712 CP GRONINGEN.
3.
De RUG is in de vorige instantie vertegenwoordigd door de advocaat mr. D. Lacevic (PlasBossinade Advocaten N.V.), die kantoor houdt aan de Leonard Springerlaan 9 E, 9727 KB Groningen.
3. Bestreden uitspraak
4.
[de werkneemster] komt in cassatieberoep van de beschikking die het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden (‘Hof’) op 8 januari 2024 heeft gegeven onder zaaknummer 200.328.039 tussen [de werkneemster] als verzoekster in principaal hoger beroep, tevens verweerster in incidenteel hoger beroep en de RUG als verweerster in principaal hoger beroep, tevens verzoekster in incidenteel hoger beroep (‘Beschikking’).
4. Bevoegde rechter
5.
Dit cassatieberoep zal worden behandeld door de Hoge Raad der Nederlanden, Korte Voorhout 8, 2511 EK Den Haag.
5. Middel van cassatie
6.
[de werkneemster] voert tegen de hiervoor vermelde beschikking het volgende middel van cassatie aan:
schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen, doordat het Hof recht heeft gedaan op de wijze als in het dictum van die beschikking is omschreven en op de gronden die in het lichaam van die beschikking zijn vermeld, dit om de volgende, zo nodig in onderlinge samenhang te beoordelen redenen.
Kern van de zaak: vrijheid van meningsuiting, academische vrijheid en de herplaatsingsplicht van art. 7:669 lid 1 BW
7.
Deze zaak betreft een ontslagprocedure wegens een verstoorde arbeidsverhouding (art. 7:669 lid 3 sub g BW). [de werkneemster], laatstelijk werkzaam als universitair hoofddocent (‘UHD’) binnen de faculteit Economie en Bedrijfskunde, heeft zich in deze procedure op het standpunt gesteld dat voor de door de RUG gewenste beëindiging van haar dienstverband geen plaats is, omdat de aangevoerde ontslaggrond samenhangt met, en zijn oorzaak mede vindt in, een wetenschappelijke bijdrage van haar hand die in de zomer van 2019 is verschenen in een gerenommeerd internationaal wetenschappelijk tijdschrift, het Journal of Management Studies (‘JMS’) In dat essay, met de titel ‘‘Undoing Gender’ in de academische wereld; persoonlijke beschouwingen over regelingen voor gelijke kansen’,1. gepubliceerd in de rubriek JMS Says, beschrijft [de werkneemster] dat zij als academica die participeerde in het Rosalind Franklin Fellowship programma — een programma aan de RUG dat zich richt op het ontwikkelen van (buitenlands) vrouwelijk wetenschappelijk talent — een aantal mechanismes heeft ondervonden die meebrengen dat zulke regelingen voor gelijke kansen juist nadelig zijn voor vrouwelijke academici. Zij werken structurele discriminatie veeleer in de hand, onder meer omdat zij worden gezien als bedreigend voor meritocratische principes.
8.
[de werkneemster] heeft aangevoerd dat wanneer haar dienstverband, zoals verzocht door de RUG, wegens een verstoorde arbeidsrelatie wordt beëindigd, daarmee inbreuk wordt gemaakt op haar (grond)rechten op vrijheid van meningsuiting en academische vrijheid, juist omdat de arbeidsverhouding mede door de publicatie van het essay — en de reactie daarop van de RUG — verstoord is geraakt.2. Ter onderbouwing van die stelling heeft [de werkneemster] er onder meer op gewezen dat prof. [betrokkene 1], één van de hoogleraren verbonden aan de vakgroep waarvan zij deel uitmaakte en op dat moment haar directe leidinggevende, op 16 juli 2019, kort na het verschijnen van het essay, namens alle hoogleraren binnen de vakgroep een e-mail heeft gestuurd aan de gehele vakgroep waarin hij heeft aangegeven dat ‘part of the content of this article can be considered as inappropriate and damaging to the University, our department and specific members of the department.’ Diezelfde e-mail vermeldt voorts dat de hoogleraren ‘take this issue very seriously’ en dat de inhoud van het artikel om die reden ‘extensively discussed’ werd met [de werkneemster], welk bericht pas een maand later, na interne kritiek daarop van andere medewerkers van de RUG, enigszins werd afgezwakt.3. Ook heeft [de werkneemster] erop gewezen dat de decaan van de faculteit, prof. [betrokkene 2], in de zomer van 2019 aan drie buitenlandse hoogleraren die deel uitmaken van de redactie van JMS, een brief heeft geschreven — met een kopie aan onder meer [de werkneemster], een aantal hoogleraren van de vakgroep en de voorzitter van de internationale Society for the Advancement of Management Studies — over het essay van [de werkneemster]. Die brief diende ertoe de redactie te attenderen op de ‘adverse consequences [de werkneemster]'s essay has had or may have’4. In die brief is de redactie erop gewezen dat ‘the publication of the essay has harmed working relationships’ en dat ‘publishing this type of essays may also harm the reputation of the author in question (in this case in the early days of her career) and the author's functioning within the organization’. Daaraan is toegevoegd dat auteurs, zoals in dit geval dus [de werkneemster], ‘may ignore or under estimate the potential negative consequences of such a publication’ en dat de redactie de verantwoordelijkheid heeft om de negatieve gevolgen die het publiceren van een essay als dat van [de werkneemster] kan hebben, ook voor de auteur zelf, te voorkomen. De redactie is, aan het einde van de brief, nadrukkelijk in overweging gegeven ‘to carefully reconsider the editorial policy’ met betrekking tot de rubriek waarin het essay van [de werkneemster] is verschenen.
9.
Ook heeft [de werkneemster] erop gewezen dat prof. [betrokkene 1], voornoemd, in een brief van januari 2020 naar aanleiding van een verzoek van het faculteitsbestuur om te adviseren over de vraag of [de werkneemster] een promotie moest krijgen naar de functie van UHD1 omdat zij inmiddels voldeed aan de daarvoor gestelde publicatie-eisen, ‘grote twijfel’ heeft geuit over de vraag of zij wel de daarvoor vereiste ‘soft skills’ had.5. Als voorbeeld voor het ontbreken van die soft skills wijst prof. [betrokkene 1] in zijn brief op de inhoud van het essay, dat ‘beschuldigingen’ zou bevatten die als ‘beledigend en ongefundeerd worden ervaren door hoogleraren verbonden aan de vakgroep.’ Ook is in die brief genoemd dat ‘het vertrouwen in haar functioneren als collega zeer laag is’, zulks onder meer omdat ze het conflict verder geëscaleerd zou hebben ‘door het genoemde essay verder te verspreiden.’ De RUG heeft bestreden dat haar wens om het dienstverband met [de werkneemster] te beëindigen, moet worden gezien als inmenging in of inbreuk op haar vrijheid van meningsuiting of als een beknotting van de academische vrijheid van [de werkneemster].
10.
In de tweede plaats houdt partijen verdeeld hoe ver de herplaatsingsplicht van de RUG strekt. [de werkneemster] heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, de herplaatsingsverplichting die op de RUG rust, niet alleen meebrengt dat de RUG onderzoekt of zij herplaatst kan worden op vacatures voor passende functies, maar dat ook wordt onderzocht of een bestaande vacature (elders binnen de RUG) voor haar passend gemaakt kan worden (door opwaardering).6. De RUG betwist dat haar herplaatsingsverplichting meer omvat dan het in aanmerking nemen van openstaande vacatures conform het bepaalde in de zogeheten Ontslagregeling.
11.
Bij beschikking van 8 maart 2023 heeft de kantonrechter in de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen (‘kantonrechter’), de arbeidsovereenkomst tussen de RUG en [de werkneemster] ontbonden per 1 mei 2023. De kantonrechter heeft beslist dat, hoewel de ‘kiem’ voor de verstoorde arbeidsverhouding is ontstaan doordat [de werkneemster] — kort gezegd — te vroeg heeft aangedrongen op promotie naar de functie van UHD1 en daarbij ten onrechte heeft geklaagd over onvoldoende duidelijke promotie-criteria (rov. 5.7), de arbeidsverhouding na de publicatie van het essay ‘verder en ernstig verstoord is geraakt’, hetgeen de kantonrechter ‘voor een aanzienlijk deel’ aan de RUG wijt (rov. 5.8). De kantonrechter is, onder meer vanwege de hiervoor onder 8. en 9. beschreven feiten en omstandigheden, in rov. 5.13 tot het eindoordeel gekomen dat weliswaar aan beide partijen verwijten zijn te maken in het kader van de verstoorde arbeidsrelatie, ‘maar dat de RUG, onder meer in de persoon van [betrokkene 1], een belangrijke zo niet doorslaggevende rol heeft gespeeld bij het ontstaan van de ernstig verstoorde arbeidsverhouding.’ In rov. 5.14 heeft de kantonrechter vervolgens beslist dat zij in het midden zal laten (i) of er een causaal verband is tussen het essay en het ontbindingsverzoek, en (ii) of met het ontbindingsverzoek een ongerechtvaardigde inbreuk op de vrijheid van meningsuiting wordt gemaakt. Zulks omdat ook als dat het geval is, de arbeidsovereenkomst ontbonden moet worden. Mocht sprake zijn van een ongerechtvaardigde inbreuk, dan zou zich dat volgens de kantonrechter (hoogstens) hebben kunnen oplossen in de toekenning van een billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen van de RUG, maar daartoe is geen verzoek gedaan. Voor zover [de werkneemster] zich erop beroept dat een inbreuk op art. 10 EVRM tot een verzwaarde herplaatsingsplicht leidt, — zo overweegt de kantonrechter tot slot — wordt zij daarin niet gevolgd, omdat de werkgever ongeacht of sprake is van een schending van art. 10 EVRM een herplaatsingsplicht heeft en de verzwaarde verplichting waarop [de werkneemster] zich beroept, geen steun vindt in de wet. De kantonrechter heeft [de werkneemster] veroordeeld in de kosten van de procedure in eerste aanleg.
12.
[de werkneemster] heeft tijdig hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de kantonrechter. Zij verzoekt in hoger beroep — voor zover in cassatie van belang — primair (de RUG te bevelen) de arbeidsovereenkomst te herstellen tegen 1 mei 2023, althans tegen de datum van de uitspraak in hoger beroep. Subsidiair verzoekt [de werkneemster] in hoger beroep om toekenning van een billijke vergoeding ex art. 7:683 lid 3 BW in plaats van herstel. Het Hof heeft in zijn Beschikking het hoger beroep van [de werkneemster] verworpen, daargelaten de kostenveroordeling die de kantonrechter ten laste van [de werkneemster] had uitgesproken; de kosten van de procedure bij de kantonrechter zijn door het Hof gecompenseerd.
13.
In rov. 3.25 heeft het Hof overwogen dat [de werkneemster] in hoger beroep heeft gesteld dat haar arbeidsovereenkomst niet ontbonden had mogen worden omdat a) daarmee een ongerechtvaardigde inbreuk wordt gemaakt op de haar toekomende vrijheid van meningsuiting, b) het verzoek verband houdt met haar lidmaatschap van de Universiteitsraad, c) er geen sprake was van een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding en d) niet is voldaan aan de herplaatsingsplicht. In de rov.'en 3.26 tot en met 3.37 is het Hof ingegaan op de met a) aangeduide beroepsgrond, de met b) aangeduide beroepsgrond is in de rov.'en 3.38 en 3.39 behandeld. Op de met c) aangeduide beroepsgrond is het Hof ingegaan in rov. 3.40 en op de met d) aangeduide beroepsgrond inzake de herplaatsingsplicht in de rov.'en 3.41 en 3.42. Dat heeft het Hof in rov. 3.43 gebracht tot het oordeel dat de arbeidsovereenkomst terecht is ontbonden, zodat het verzoek om herstel wordt afgewezen. De klachten van onderdeel 1 van het cassatiemiddel zien op de beslissingen van het Hof in de rov.'en 3.26 tot en met 3.37 inzake het beroep dat [de werkneemster] heeft gedaan op de vrijheid van meningsuiting en de academische vrijheid. De klachten van onderdeel 2 zien op hetgeen door het Hof in de rov.'en 3.41 en 3.42 is beslist over de herplaatsingsplicht. Tegen de beslissingen van het Hof inzake de door hem in rov. 3.25 met b) en c) aangeduide beroepsgronden, worden geen zelfstandige klachten gericht. Wel wordt, met voortbouwklachten, opgekomen tegen de beslissing in rov. 3.43 dat de arbeidsovereenkomst terecht is ontbonden en tegen de beslissing van het Hof inzake de proceskosten (onderdeel 3).
Onderdeel 1
De vrijheid van meningsuiting en de academische vrijheid
14.
In rov. 3.27 heeft het Hof met juistheid vooropgesteld dat de publicatie van het essay valt onder het mede door art. 10 EVRM beschermde recht op vrijheid van meningsuiting. Daarna heeft het Hof beslist dat van inmenging in die vrijheid ook sprake kan zijn als aan de uiting arbeidsrechtelijke sancties worden verbonden. Uit rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (‘EHRM’) volgt, zo overweegt het Hof vervolgens, dat bij de beantwoording van de vraag of causaal verband aanwezig is tussen een uiting en de gestelde sanctie, moet worden gelet op het geheel van gebeurtenissen vanaf de uiting tot aan het opleggen van de sanctie, in hun onderlinge samenhang bezien. Daarna overweegt het Hof dat het [de werkneemster] ‘in die zin’ gelijk geeft, dat de inhoud van haar essay ‘een schakel’ is in de keten van gebeurtenissen die hebben geleid tot de uiteindelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Maar, zo voegt het Hof daaraan toe, ‘die keten is niet begonnen met de publicatie van het essay.’ Tussen de publicatie in juni 2019 en de indiening van het ontbindingsverzoek zit een periode waarin — zo overweegt het Hof vervolgens — veel is gebeurd dat van invloed is geweest op de arbeidsverhouding. Dat (tijdsverloop) sluit volgens het Hof evenwel niet uit dat uit de gebeurtenissen ‘voldoende causaal verband kan blijken’. Het Hof heeft vervolgens aangegeven door in de daarop volgende rechtsoverwegingen ‘de schakels in de keten na te lopen’, te gaan onderzoeken of ‘voldoende causaal verband’ tussen de uiting en het ontbindingsverzoek aanwezig is. Dat heeft het Hof gedaan in de rov.'en 3.28 tot en met 3.36 waarna het Hof in rov. 3.37 tot de conclusie is gekomen dat de volgens hem vereiste mate van causaal verband (om het ontbindingsverzoek te kunnen zien als inmenging in / inbreuk op de vrijheid van meningsuiting) niet aanwezig is. Daartoe heeft het Hof, in rov. 3.37, als volgt overwogen en beslist:
‘3.37
Het hof kan uit de gebeurtenissen na publicatie van het essay, hiervoor besproken vanaf overweging 3.30, niet afleiden dat zonder de publicatie het ontbindingsverzoek niet zou zijn ingediend. Voorafgaand aan die publicatie was al sprake van verstoorde verhoudingen omdat [de werkneemster] meende dat aan haar onterechte eisen werden gesteld, en dat conflict is (na de publicatie) op precies datzelfde punt voortgezet, zoals is beschreven onder 3.32. De publicatie is wel een schakel geweest in de gebeurtenissen, maar geen essentiële schakel in de keten die leidde tot het ontbindingsverzoek. Het hof verwijst naar wat het hiervoor heeft overwogen over de houding van [de werkneemster] voorafgaand en na het verschijnen van haar essay. Daarmee is er, ook gelet op het geheel van de gebeurtenissen in onderling verband, onvoldoende causaal verband tussen de uiting en de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Het beroep van [de werkneemster] op schending van haar recht op vrije meningsuiting is dan ook ongegrond.’
(onderstrepingen toegevoegd, SFS)
Subonderdeel a
Rechtsklacht: onjuiste beoordeling of het ontbindingsverzoek een inmenging in / inbreuk op de vrijheid van meningsuiting oplevert; verkeerde maatstaf ter beoordeling of sprake is van causaal verband tussen uiting en sanctie
15.
De overwegingen van het Hof in rov. 3.37, gelezen in samenhang met zijn beslissing in rov. 3.27, zijn niet anders te duiden dan aldus dat volgens het Hof in dit geval van een inmenging in / inbreuk op de vrijheid van meningsuiting geen sprake is, waardoor het Hof niet is toegekomen aan (noch is ingegaan op) de vervolgvraag of die inmenging / inbreuk gerechtvaardigd is. De voornoemde rechtsoverwegingen laten zich slechts aldus verstaan dat volgens het Hof van een relevante inmenging in / inbreuk op de door art. 10 EVRM geborgde vrijheid van meningsuiting bestaande in de arbeidsrechtelijke sanctie van (een verzoek tot) beëindiging van het dienstverband, pas sprake kan zijn als er condicio sine qua non-verband bestaat tussen de door het grondrecht bestreken uiting en het ontbindingsverzoek. Zulks in die zin dat van zo een inmenging in / inbreuk op het grondrecht pas sprake kan zijn wanneer er zonder de uiting niet tot het ontbindingsverzoek was gekomen. Dat het Hof ervan uitgaat dat pas dan van een inmenging in / inbreuk op het grondrecht sprake kan zijn, volgt zowel uit zijn hiervoor onder 14. onderstreept weergegeven overweging in rov. 3.37 dat ‘uit de gebeurtenissen na publicatie van het essay’ niet (kan) worden afgeleid ‘dat zonder de publicatie het ontbindingsverzoek niet zou zijn ingediend’, als uit zijn overweging — even verderop — dat de publicatie van het essay ‘geen essentiële schakel’ is in de keten die leidde tot het ontbindingsverzoek. Die benadering getuigt van een onjuiste, want te strenge, beoordeling of causaal verband bestaat tussen de meningsuiting en de arbeidsrechtelijke sanctie (en daarmee tegelijkertijd ook van een onjuiste, want te beperkte beoordeling of het treffen van een arbeidsrechtelijke sanctie gezien moet worden als een inmenging in / inbreuk op de vrijheid van meningsuiting van een werknemer). Van voldoende causaal verband tussen de uiting en de arbeidsrechtelijke sanctie — hier: het indienen van een ontbindingsverzoek — om die sanctie te kunnen aanmerken als een inmenging in / inbreuk op de vrijheid van meningsuiting, is namelijk niet pas sprake als de uiting een essentiële schakel is in het proces dat heeft geleid tot het opleggen van de sanctie en/of als het ervoor gehouden kan worden dat de sanctie niet zou zijn opgelegd als de uiting niet had plaatsgevonden, maar reeds wanneer zich een causaal verband voordoet, dat wil zeggen: wanneer de uiting mede heeft bijgedragen aan het opleggen van de sanctie (hier dus: de indiening van het ontbindingsverzoek). Dit volgt ook uit HR 7 oktober 2022, NJ 2023/86, waarin de Hoge Raad overwoog dat bij de beoordeling of met een arbeidsrechtelijke sanctie — ook in die zaak: bestaande in het indienen van een ontbindingsverzoek — inbreuk wordt gemaakt op de vrijheid van meningsuiting, moet worden onderzocht of ‘causaal verband aanwezig is’ (rov. 3.1.2, laatste volzin) tussen de uiting en (ontslag als) de sanctie, en niet dat zodanig verband pas aanwezig is, wanneer zonder de uiting niet tot ontslag als sanctie zou zijn overgegaan (causaal verband met condicio sine qua non-karakter).
Subonderdeel b
Rechtsklacht: academische vrijheid ten onrechte niet in de beoordeling betrokken
16.
[de werkneemster] heeft zich zowel in eerste aanleg als in hoger beroep niet alleen beroepen op haar vrijheid van meningsuiting, maar ook op haar (recht op) academische vrijheid.7. De academische vrijheid behelst het recht van docenten in het hoger onderwijs om zonder inperking door een voorgeschreven doctrine te genieten van de vrijheid om te onderwijzen, te discussiëren, onderzoek te verrichten, de resultaten daarvan te verspreiden en te publiceren, hun mening — nadrukkelijk: ook over de instelling of het systeem waarbinnen zij werken — kenbaar te maken, van institutionele censuur gevrijwaard te blijven, en aan professionele en representatieve academische organen deel te nemen.8. De academische vrijheid is neergelegd in en wordt, als sociaal grondrecht, beschermd door, onder meer, art. 15 IVESCR en art. 13 van het EU Handvest voor de Grondrechten. Op nationaal niveau bepaalt art. 1.6 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek dat aan de instellingen voor hoger onderwijs de academische vrijheid in acht genomen wordt. Voor zover de academische vrijheid ziet op de vrijheid om zonder inmenging of druk de vruchten van wetenschappelijk werk te publiceren en (verder) te verspreiden, wordt de academische vrijheid ook beschermd door artikel 10 van het EVRM en in elk geval in zoverre — te weten — voor zover de academische vrijheid beschermd wordt door art. 10 EVRM — heeft het recht op academische vrijheid directe werking.9.
17.
In cassatie moet er (veronderstellenderwijs) vanuit worden gegaan dat het essay valt binnen (de reikwijdte van de bescherming van) de academische vrijheid van [de werkneemster]. Zij heeft immers in deze procedure gesteld — en het Hof heeft de juistheid van die stellingen onbesproken gelaten — (i) dat het essay valt binnen haar expertise als wetenschapper, (ii) dat het stuk in een gerenommeerd internationaal wetenschappelijk tijdschrift is verschenen10. en (iii) dat de uiting dus onder (haar recht op) de academische vrijheid valt.11.
18.
Het Hof heeft bij zijn oordeelsvorming geen, althans geen kenbare, aandacht besteed aan het beroep dat [de werkneemster] heeft gedaan op het feit dat, kort gezegd, ook (de bescherming van) haar academische vrijheid in de weg staat aan beëindiging van haar dienstverband. De term academische vrijheid komt in de in cassatie bestreden uitspraak niet voor en blijkens rov. 3.25 en de daaropvolgende rov.'en 3.26 tot en met 3.37 heeft het Hof alleen onderzocht of met de ontbinding van de arbeidsovereenkomst een ongerechtvaardigde inbreuk wordt gemaakt op de aan [de werkneemster] toekomende vrijheid van meningsuiting. Niet is onderzocht hoe die ontbinding, of het verzoek daartoe, zich verhoudt tot haar academische vrijheid.
19.
Door in de rov.'en 3.26 tot en met 3.37alleen te onderzoeken of met de ontbinding van de arbeidsovereenkomst een inbreuk wordt gemaakt op de aan [de werkneemster] toekomende vrijheid van meningsuiting, maar niet of daarmee inbreuk wordt gemaakt op haar academische vrijheid en door de academische vrijheid evenmin (op enigerlei wijze) te betrekken bij zijn beoordeling of sprake is van een inbreuk op de vrijheid van meningsuiting, heeft het Hof klaarblijkelijk miskend dat voor zover een door het grondrecht op vrijheid van meningsuiting bestreken uiting, zoals hier, ook valt onder de academische vrijheid, dit meebrengt dat sprake is van een gekwalificeerde meningsuiting zodat in zo een geval — juist ook wanneer die uiting controversieel of impopulair is — door de rechter met uiterste, althans in elk geval met additionele, gestrengheid getoetst moet worden of sprake is van een inmenging in / inbreuk op de vrijheid van meningsuiting (en daarmee dus ook de academische vrijheid). In het verlengde daarvan heeft het Hof klaarblijkelijk eveneens miskend, met name in rov. 3.37, dat die in zo een geval vereiste toetsing met uiterste, althans additionele gestrengheid, met zich brengt dat ook wanneer ‘slechts’ sprake is van een lichte sanctie of maatregel naar aanleiding van een door de academische vrijheid bestreken meningsuiting en/of wanneer zo een door de academische vrijheid bestreken meningsuiting geen ‘essentiële schakel’ vormt die heeft geleid tot het initiëren van een ontslagtraject, maar die uiting daaraan wel enige bijdrage heeft geleverd, van zo een inmenging / inbreuk sprake is, zodat dan vervolgens aan de hand van de daarvoor geldende, eveneens strenge, normen (als vervat in art. 10 lid 2 EVRM) onderzocht moet worden of deze inmenging / inbreuk objectief te rechtvaardigen is. Dat laatste onderzoek heeft het Hof ten onrechte achterwege gelaten, klaarblijkelijk — maar ten onrechte — oordelend dat van een rechtens relevante inmenging in / inbreuk op de vrijheid van meningsuiting (en de academische vrijheid) geen sprake was.12. Anders gezegd: de uitspraak van het Hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting omdat juist vanwege het feit dat de uiting van [de werkneemster] — het essay — ook viel onder de academische vrijheid, door het Hof geen zo strenge eis gesteld mocht worden aan het causale verband tussen die uiting en het ontbindingsverzoek van de RUG (ter beoordeling of de indiening daarvan als inmenging in / inbreuk op de vrijheid van meningsuiting gezien kon worden), te weten: het vereiste van een causaal verband met c.s.q.n.-karakter, zoals dat door het Hof ten onrechte is gehanteerd.
Subonderdeel c
Inmenging in / inbreuk op de vrijheid van meningsuiting en de academische vrijheid vereist geen arbeidsrechtelijke sanctie; de reacties van prof. [betrokkene 1] en prof. [betrokkene 2] op het essay in het licht van art. 10 EVRM
20.
In rov. 3.30 heeft het Hof, onder meer, overwogen als volgt met betrekking tot de hiervoor onder 8. aangehaalde reacties op het essay van de zijde van prof. [betrokkene 1], de leidinggevende van [de werkneemster], (te weten: zijn e-mail aan de vakgroep van 16 juli 2019) en van de zijde van de decaan, prof. [betrokkene 2] (te weten: zijn brief van 7 augustus 2019 aan de redactie van JMS, het tijdschrift waarin het essay is verschenen):
‘3.30
(…) Het hof oordeelt dat [de werkneemster] in hoger beroep onvoldoende heeft uitgewerkt dat de mail van 16 juli en de brief van 7 augustus 2019 een sanctie zijn op haar artikel. Dat haar artikel niet uitsluitend tot een wetenschappelijke discussie, maar ook tot interne onrust zou leiden was naar het oordeel van het hof te voorzien. Ook voor [de werkneemster].
In die situatie is het begrijpelijk dat de RUG op die onrust moest reageren en de commotie bespreekbaar wilde maken (wat overigens volgens [de werkneemster] ook een van de doelen van het essay was), wat is geprobeerd met de mail van 16 juli 2019. De toonzetting van die mail was voor verbetering vatbaar, maar de mededeling dat gesprekken gaande zijn die gericht zijn op een oplossing voor de toekomst is kalmerend en duidt niet op een persoonlijke afstraffing van [de werkneemster].
Bij de keuze van de decaan om een brief aan de redactie van het tijdschrift te sturen, die eindigt met het uitspreken van de hoop dat het publicatiebeleid met betrekking tot de essay-rubriek zorgvuldig wordt heroverwogen, kunnen vraagtekens worden geplaatst. Maar daarmee is die brief nog geen (zelfstandige) sanctie op het essay, met de (voorzienbare) mogelijkheid van een ‘chilling effect’ op het gebruik van de vrijheid van meningsuiting. Daarbij zijn ook van belang de context van de arbeidsovereenkomst en de omstandigheid dat vakgroepleden zich door het essay persoonlijk aangevallen voelden.’
Rechtsklacht
21.
De beslissing van het Hof in rov. 3.30 moet klaarblijkelijk aldus worden begrepen dat de e-mail van prof. [betrokkene 1] en de brief van prof. [betrokkene 2] niet gezien kunnen worden als een inmenging in / inbreuk op de vrijheid van meningsuiting van [de werkneemster], omdat die e-mail, respectievelijk brief, niet zijn aan te merken als ‘arbeidsrechtelijke sancties’. Aldus heeft het Hof allereerst miskend dat van een inmenging in / inbreuk op de vrijheid van meningsuiting (die heeft geleid tot, althans bijgedragen aan een verstoorde arbeidsrelatie waarop een ontbindingsverzoek is gebaseerd), niet alleen sprake kan zijn wanneer de werkgever naar aanleiding van een door die vrijheid bestreken uiting van de werknemer een arbeidsrechtelijke sanctie oplegt, maar ook wanneer naar aanleiding van die uitingen feitelijke maatregelen worden getroffen, respectievelijk handelingen worden verricht, die weliswaar niet als arbeidsrechtelijke sanctie te duiden zijn, maar die de uitingsvrijheid wel beperken en daarop een ‘chilling effect’ kunnen hebben.13. Dit geldt eens te meer wanneer de betreffende uiting, zoals hier, ook valt onder de academische vrijheid, nu — naar volgt uit de rechtspraak van het EHRM — ‘any restriction on the freedom of academics to carry out research and to publish their findings’ moet worden onderworpen aan ‘careful scrutiny’, hetgeen betekent dat niet alleen beperkingen in de vorm van formele arbeidsrechtelijke sancties relevant zijn.14.
Rechts- en motiveringsklachten inzake brief prof. [betrokkene 2]
22.
De beslissing van het Hof in rov. 3.30 dat de brief van prof. [betrokkene 2] aan de redactie van JMS, het tijdschrift waarin het essay is gepubliceerd, ‘geen (zelfstandige) sanctie op het essay’ is die ‘de (voorzienbare) mogelijkheid van een ‘chilling effect’ op het gebruik van de vrijheid van meningsuiting’ behelst, is onjuist, althans onbegrijpelijk. Voor zover het Hof ervan uitgaat dat, wil die brief een inmenging in / inbreuk op de vrijheid van meningsuiting kunnen opleveren, daarvoor vereist is dat die brief een arbeidsrechtelijke sanctie behelst, is dat onjuist op de hiervoor onder 21. weergegeven gronden. Daarnaast getuigt de beslissing van het Hof ook van een onjuiste rechtsopvatting, althans is deze onbegrijpelijk, voor zover het Hof heeft beslist dat de brief van prof. [betrokkene 2] niet ‘de (voorzienbare) mogelijkheid van een ‘chilling effect’ op het gebruik van de vrijheid van meningsuiting’ in zich draagt. Die beslissing getuigt in het licht van de inhoud van die brief — waarin (kort gezegd) wordt meegedeeld dat het publiceren van het essay (i) negatieve gevolgen voor de arbeidsverhoudingen heeft gehad, (ii) negatieve effecten kan hebben op de reputatie van [de werkneemster], (iii) schadelijk kan zijn voor haar functioneren binnen de RUG en (iv) de redactie zelfs expressis verbis wordt aangespoord om haar publicatiebeleid te herzien (klaarblijkelijk teneinde de publicatie van vergelijkbare artikelen in de toekomst te voorkomen) — van een onjuiste rechtsopvatting omtrent hetgeen in het licht van de rechtspraak van het EHRM daaromtrent, rechtens vereist is om sprake te laten zijn van een maatregel die een inmenging in / inbreuk op de vrijheid van meningsuiting oplevert en die een ‘chilling effect’ op de vrije uitoefening van dat recht heeft. Dit alles geldt nog des te sterker tegen de achtergrond van het feit dat de betreffende brief ook in kopie is gezonden aan zowel [de werkneemster] die de brief als productie 5 bij verweerschrift in eerste aanleg in het geding heeft gebracht — alsmede aan verschillende hoogleraren binnen haar vakgroep / faculteit en aan prof. [betrokkene 3], de voorzitter van de internationale Society for the Advancement of Management Studies?15. Het Hof heeft daarmee, klaarblijkelijk, eisen gesteld aan het aannemen van een maatregel van een (universitaire) werkgever die een inbreuk maakt op de vrijheid van meningsuiting en die een chilling effect op de vrijheid van meningsuiting kan hebben, die in het licht van art. 10 EVRM beduidend te streng zijn, zeker gelet op het feit dat die uiting hier ook nog eens viel in het domein van de academische vrijheid. Indien het Hof niet is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting op dit punt, is zijn beslissing dat de brief van prof. [betrokkene 2] geen ‘chilling effect’ kon hebben, zowel tegen de achtergrond van de hiervoor met (i) tot en met (iv) aangeduide mededelingen in die brief, die onder meer een oproep behelzen om het publicatiebeleid te herzien (hetgeen zich niet anders laat verstaan dan als een (verkapte) oproep om artikelen zoals het essay niet meer (zo) te publiceren), alsmede tegen de achtergrond van het feit dat die brief in kopie is gezonden aan zowel [de werkneemster] zelf, als aan een aantal hoogleraren op haar vakgebied, waaronder zelfs een (gerenommeerde) buitenlandse hoogleraar, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, in elk geval onbegrijpelijk.
23.
Voor zover het Hof overigens in de laatste volzin van rov. 3.30 heeft beslist dat de brief van prof. [betrokkene 2] mede niet als een inmenging in / inbreuk op de vrijheid van meningsuiting van [de werkneemster] is aan te merken omdat ‘vakgroepleden’ (bedoeld is: de hoogleraren van de vakgroep, genoemd in de tweede alinea van rov. 3.30) zich door het essay ‘persoonlijk aangevallen voelden’, getuigt ook dat van een onjuiste rechtsopvatting in het licht van het navolgende. Wanneer een uiting valt binnen het domein van de academische vrijheid, zoals het essay van [de werkneemster], heeft te gelden dat zo een uiting, ook als deze onwelgevallige of controversiële standpunten behelst die betrekking hebben op de instelling of het systeem waarbinnen de academica die de uiting doet werkzaam is, die uiting uitdrukkelijk beschermd is door art. 10 EVRM. Dat maakt het onjuist om (mede) vanwege het feit dat zo een meningsuiting die binnen het domein van de academische vrijheid valt als een persoonlijke aanval is ervaren door leidinggevenden, een reactie van één van die leidinggevenden op die uiting niet als inmenging in / inbreuk op de vrijheid van meningsuiting te kwalificeren, waarmee die uiting de bescherming van art. 10 EVRM wordt ontzegd.
Rechts- en motiveringsklachten inzake e-mail prof. [betrokkene 1]
24.
De beslissing van het Hof in (de eerste volzin van de vierde alinea) van rov. 3.30 dat de email van prof. [betrokkene 1] aan de gehele vakgroep geen (arbeidsrechtelijke) sanctie in reactie op haar essay is, maar slechts een poging om de ‘commotie bespreekbaar te maken’ is onjuist, althans onbegrijpelijk in het licht van het navolgende. De betreffende e-mail, gericht aan [de werkneemster] en aan al haar collega's binnen haar vakgroep, veroordeelt het essay ondubbelzinnig als een stuk dat ‘can be considered as inappropriate and damaging’ en verduidelijkt dat [de werkneemster] naar aanleiding van de publicatie ervan inmiddels gesprekken heeft moeten voeren met de decaan, een vertegenwoordiger van HR, en twee hoogleraren van de vakgroep om ‘herhaling in de toekomst’ te voorkomen. Voor zover het Hof heeft beslist dat de e-mail van prof. [betrokkene 1] niet als arbeidsrechtelijke sanctie valt aan te merken, omdat het Hof heeft miskend dat een zodanige openlijke terechtwijzing / publieke reprimande van een bij naam genoemde werknemer, die wordt verzonden aan al haar rechtstreekse collega's, gelet op de daaraan verbonden (mogelijke) reputationele gevolgen voor de betrokken werknemer, kwalificeert als arbeidsrechtelijke sanctie (in de zin van zowel art. 10 EVRM als het Nederlandse arbeids(tucht)recht), getuigt de uitleg die het Hof aan de e-mail heeft gegeven, van een onjuiste rechtsopvatting. Indien en voor zover het Hof niet om die reden is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, is zijn beslissing dat de e-mail van 19 juli 2019 slechts diende om ‘de commotie bespreekbaar te maken’ onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, nu (i) in de e-mail in het geheel geen gewag wordt gemaakt van het feit dat het essay voor prof. [betrokkene 1] — of voor andere leidinggevenden in de vakgroep — aanleiding is om een constructieve dialoog met de medewerkers van de vakgroep aan te gaan over de door [de werkneemster] in haar essay aangesneden problematiek of de daardoor ontstane commotie, maar daarin slechts wordt aangegeven dat [de werkneemster] op de ontoelaatbare inhoud van haar essay is aangesproken (om herhaling in de toekomst te voorkomen), (ii) [de werkneemster] erop heeft gewezen dat de e-mail van prof. [betrokkene 1] juist heeft geleid tot reacties van collega's die in die e-mail misten dat de in het essay genoemde problemen binnen de vakgroep bespreekbaar werden gemaakt,16. en (iii) prof. [betrokkene 1] om die reden een maand later een nieuwe mail stuurde aan de vakgroep waarin hij aankondigde dat hij na de zomer een initiatief zou nemen om gesprekken op te starten om de door [de werkneemster] in haar essay aangesneden problematiek te bespreken, terwijl hij in die latere email — en passant — nog eens benadrukte dat thema's zoals door [de werkneemster] in haar essay aangesneden binnenskamers (‘within the department’) besproken kunnen en moeten worden en hij nog eens (publiekelijk) herhaalde dat de toon van het essay ongepast en mogelijk schadelijk was, hetgeen een bevestiging vormt van de eerdere publiekelijke terechtwijzing van [de werkneemster] in verband met het essay.17.
Motiveringsklacht inzake advies prof. [betrokkene 1]
25.
In de eerste volzin van rov. 3.32 heeft het Hof overwogen dat hij ‘de benoeming tot UHD1 begin 2020, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2019, als een belangrijke contra-indicatie [beschouwt] voor de stelling van [de werkneemster] dat het eind 2022 ingediende ontbindingsverzoek een reactie is op haar essay’.
26.
Deze beslissing is onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, tegen de achtergrond van het feit dat [de werkneemster] erop heeft gewezen dat haar directe leidinggevende prof. [betrokkene 1] begin 2020 uitdrukkelijk negatief heeft geadviseerd over haar bevordering tot UHD1 voor zover het haar communicatievaardigheden / soft skills betreft.18. Prof. [betrokkene 1] schrijft in zijn betreffende advies dat ‘grote twijfel is ontstaan’ over haar soft skills, waarbij hij die grote twijfel over de soft skills voornamelijk heeft onderbouwd met een verwijzing naar (i) het door [de werkneemster] laten verschijnen van het essay, en (ii) het door haar verder verspreiden van het essay (zonder daarover te overleggen); beide gedragingen die één op één worden gedekt door de vrijheid van meningsuiting en de academische vrijheid.
27.
De beslissing van het Hof dat de benoeming tot UHD1 begin 2020, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2019, als een ‘belangrijke contra-indicatie’ moet worden beschouwd voor de stelling van [de werkneemster] dat het eind 2022 ingediende ontbindingsverzoek een reactie is op haar essay, is in het licht van dit negatieve advies van [betrokkene 1] onbegrijpelijk, althans heeft het Hof zijn beslissing dat de bevordering een belangrijke contra-indicatie is voor de stelling dat het eind 2022 ingediende ontbindingsverzoek een reactie is op het essay onvoldoende gemotiveerd door bij die beslissing geen enkele aandacht te besteden aan het beroep van [de werkneemster]19. op het advies van [betrokkene 1] van begin 2020, nu dat advies zich niet anders laat duiden dan aldus dat ondanks de bevordering waartoe het faculteitsbestuur heeft besloten, bij de directe leidinggevende van [de werkneemster] — vooral, maar in elk geval mede vanwege de publicatie van het essay en de verspreiding daarvan — al ten tijde van die bevordering geen vertrouwen bestond in haar functioneren op dat meer seniore niveau, hetgeen de betekenis van die bevordering als belangrijke indicatie dat het latere ontbindingsverzoek niets van doen heeft met het essay in belangrijke mate relativeert, althans kan relativeren.
28.
Indien en voor zover de hiervoor onder 27. verwoorde motiveringsklacht tegen rov. 3.32 niet slaagt, heeft subsidiair te gelden dat het Hof zijn eindoordeel in rov. 3.37 dat onvoldoende causaal verband bestaat tussen de uiting (het essay) en de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, om daarin een inmenging in / inbreuk op de vrijheid van meningsuiting te zien, in elk geval onvoldoende gemotiveerd door daarbij geen enkele aandacht te besteden aan (het beroep van [de werkneemster] op) het advies dat prof. [betrokkene 1] in het kader van haar benoeming tot UHD1 heeft uitgebracht. Zulks nu uit dat advies heel duidelijk spreekt dat de twijfel over het functioneren van [de werkneemster] op senior niveau en de problemen in de samenwerking, door prof. [betrokkene 1] begin 2020 nog één op één werden gekoppeld aan het essay en de verdere verspreiding daarvan door [de werkneemster], zodat het beroep van [de werkneemster] op dat advies van prof. [betrokkene 1] als een essentiële stelling valt aan te merken die het Hof niet onbehandeld had mogen laten.20. Dat van het Hof op dit punt een nadere motivering verwacht had mogen worden, geldt des te sterker, nu de kantonrechter wel uitdrukkelijk op deze stelling van [de werkneemster] is ingegaan en heeft overwogen dat prof. [betrokkene 1], met dat advies duidelijk heeft aangegeven ‘hoe hij erin stond’, te weten dat hij ‘met name’ vanwege het essay twijfels had over haar functioneren op seniorniveau (rov. 5.11), de samenwerking en het vereiste verbindend leiderschap.
Subonderdeel d
Moment verstoring arbeidsverhouding; al voorafgaand aan het verschijnen van het essay?
Motiveringsklacht
29.
In de tweede volzin van rov. 3.37, heeft het Hof beslist dat al ‘voorafgaand aan de publicatie’ sprake was van ‘verstoorde verhoudingen’ omdat [de werkneemster] meende dat aan haar onterechte (promotie)eisen werden gesteld. Voor zover die beslissing zo moet worden begrepen dat al voorafgaand aan de publicatie van het essay sprake was van een verstoorde arbeidsrelatie in die zin dat op dat moment al een ontslaggrond in de zin van art. 7:669 lid 3 sub g BW bestond, is die beslissing onbegrijpelijk. Die beslissing is dan in de eerste plaats innerlijk tegenstrijdig met de vaststelling van het Hof in rov. 3.29 dat door de gebeurtenissen in de zomer van 2018 ‘de verstoring van de arbeidsverhouding is begonnen’ met een conflict met prof. [betrokkene 4], hetgeen betekent dat op dat moment slechts sprake was van een begin van een verstoring en niet van een situatie waarin zich een voldragen ontslaggrond in de zin van art. 7:669 lid 3 sub g BW voordeed. Zou de beslissing van het Hof in rov. 3.37, dat al ‘voorafgaand aan de publicatie’ sprake was van ‘verstoorde verhoudingen’ zo moeten worden begrepen dat al voorafgaand aan de publicatie sprake was van een verstoorde arbeidsrelatie in de zin van zo een voldragen g-grond, is die beslissing eens te meer onbegrijpelijk tegen de achtergrond van de beslissing van het Hof in rov. 3.40 dat het bij de verstoring van de relatie gaat om ‘de werkomgeving waarbinnen [de werkneemster] functioneert en dat is haar vakgroep binnen de faculteit.’ Met die vaststelling laat zich niet rijmen dat er al in augustus 2018 een voldragen g-grond (verstoorde arbeidsrelatie) zou zijn geweest, omdat het Hof slechts heeft vastgesteld dat [de werkneemster] toen een verschil van inzicht had met prof. [betrokkene 4], één van de leden van de vakgroep. Bovendien is de beslissing van het Hof in rov. 3.37, dat al ‘voorafgaand aan de publicatie’ sprake was van ‘verstoorde verhoudingen’, als deze beslissing zo moeten worden begrepen dat al voorafgaand aan de publicatie van het essay sprake was van een verstoorde arbeidsrelatie in de zin van een voldragen ontslaggrond, onbegrijpelijk tegen de achtergrond van — want innerlijk tegenstrijdig met — de beslissing van het Hof in rov. 3.40, dat (pas) met een brief van de vakgroep van 29 september 2021 voldoende vaststond dat sprake was van een onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding.
Subonderdeel e
Inbreuk op art. 10 EVRM en chilling effect door uitspraak Hof
30.
Doordat (i) in de rov.'en 3.27 en 3.37 door het Hof is beslist dat er een verband bestaat tussen het ontbindingsverzoek van de RUG en het essay van [de werkneemster] (nu dat essay volgens het Hof wel een schakel is in de keten die leidde tot het ontbindingsverzoek), welke uiting — naar in cassatie moet worden aangenomen — valt binnen [de werkneemster]'s academische vrijheid, en doordat (ii) vervolgens door het Hof desondanks is beslist dat de arbeidsovereenkomst van [de werkneemster] terecht is ontbonden door de kantonrechter (rov. 3.43), dat herstel van het dienstverband niet toewijsbaar is (rov. 3.43) en dat [de werkneemster] in de proceskosten in hoger beroep moet worden veroordeeld (rov. 3.50), zulks (iii) zonder dat evenwel door het Hof is vastgesteld of de in (i) besloten liggende inmenging in / inbreuk op [de werkneemster]'s vrijheid van meningsuiting (en academische vrijheid), wel gerechtvaardigd is in het licht van de strenge vereisten die daarvoor op grond van art. 10 lid 2 EVRM en de daarop gebaseerde rechtspraak van het EHRM gelden, levert de uitspraak van het Hof (in zich)zelf een inbreuk op art. 10 EVRM op (die een chilling effect heeft, althans kan hebben, op de vrije uitoefening van het daarin verankerde grondrecht) en getuigt de uitspraak ook zo bezien van een onjuiste rechtsopvatting.
Onderdeel 2
De reikwijdte van de herplaatsingsplicht van art. 7:669 lid 1 BW (mede in het licht van de academische vrijheid)
31.
In de rov.'en 3.41 en 3.42 is het Hof ingegaan op de vraag of de RUG haar herplaatsingsplicht heeft geschonden en of de kantonrechter in het licht daarvan ten onrechte tot ontbinding is overgegaan. In rov. 3.42 heeft het Hof die vragen ontkennend beantwoord en daartoe als volgt overwogen en beslist:
‘3.42
Ook voert [de werkneemster] aan dat zij bij de Letterenfaculteit welkom is, zij het dat daar geen passende vacature is, en dat wel bestaande vacatures hoger ingeschaald kunnen worden zodat zij daarmee passend zouden zijn.
Dit betoog gaat niet op, gelet op artikel 9 van de hiervoor al genoemde Ontslagregeling. Dat artikel gaat uit van herplaatsing op vacatures voor passende functies waarbij van een passende functie sprake is wanneer deze aansluit bij de opleiding, ervaring en capaciteiten van de werknemer. Die functie hoeft dus niet gecreëerd te worden, ook niet door opwaardering van vacatures waardoor die wel geschikt zouden worden voor [de werkneemster].’
Vooruitlopend op zijn beslissing in rov. 3.42, is het Hof ook al in rov. 3.35 kort ingegaan op de herplaatsingsplicht. Daar heeft het Hof beslist dat de Ontslagregeling in de artikelen 9 en 10 nadere voorschriften geeft voor de invulling van de herplaatsingsverplichting en dat die voorschriften niet zo ver gaan dat een plaats gecreëerd moet worden.
Rechtsklacht
32.
De beslissingen van het Hof inzake de herplaatsingsplicht van de RUG als vervat in de rov.'en 3.35 en 3.41 laten zich slechts zo verstaan dat die verplichting strikt wordt begrensd door het bepaalde in art. 9 van de Ontslagregeling, hetgeen dan met zich brengt dat bij de beoordeling of aan die verplichting is voldaan, uitsluitend gekeken moet worden naar de vraag of herplaatsing mogelijk is in bestaande functies, waarvoor vacatures aanwezig zijn of (op korte termijn) beschikbaar komen. De herplaatsingsplicht kan er, volgens het Hof, dus niet toe leiden dat op de werkgever een verplichting komt te rusten om een passende functie te creëren, ook niet door opwaardering van vacatures waardoor deze wel geschikt zouden worden voor de werknemer, in dit geval [de werkneemster]. De beslissingen van het Hof in de rov.'en 3.42 en 3.35 getuigen van een onjuiste rechtsopvatting in het licht van het navolgende.
33.
Met zijn hiervoor weergegeven beslissingen inzake de herplaatsingsplicht, heeft het Hof allereerst miskend dat de Ontslagregeling de mogelijkheid open laat dat bij de beoordeling van de herplaatsingsmogelijkheden verder wordt gekeken dan alleen naar bestaande vacatures en dat de vraag hoe ver de herplaatsingsplicht strekt, uiteindelijk steeds primair wordt bepaald door het bepaalde in art. 7:669 lid 1 BW, waarin is verwoord dat beëindiging alleen mogelijk is wanneer zich een ontslaggrond voordoet en herplaatsing ‘in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt’ (en die als wet in formele zin regelgeving van hogere orde vormt dan het bepaalde in art. 9 Ontslagregeling). In HR 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:64 heeft de Hoge Raad beslist dat met het gebruik van het begrippenpaar ‘niet mogelijk is of niet in de rede ligt’ in art. 7:669 lid 1 BW weliswaar niet is beoogd een resultaatsverplichting van de werkgever tot herplaatsing in het leven te roepen, maar ‘dat het daarbij gaat om hetgeen in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van de werkgever kan worden gevergd.’ Dat betekent dat de beoordeling waartoe de werkgever in het kader van de herplaatsingsplicht gehouden is, een individuele redelijkheidstoets vergt. Daarbij moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, gewogen naar hetgeen de redelijkheid en billijkheid en de eisen van goed werkgeverschap (art. 7:611 BW), vereisen. Die maatstaf brengt met zich dat, anders dan het Hof heeft beslist, onder (bijzondere) omstandigheden — afhankelijk van onder meer factoren als de grootte van de werkgever, de aanleiding voor het ontstaan van de ontslaggrond, de aard van de ontslaggrond maar ook de vraag of beëindiging van het dienstverband, bij gebreke aan herplaatsing, als een inmenging in of inbreuk op een grondrecht zou kwalificeren en, in een geval als dit, de vraag of herplaatsing nodig is om recht te doen aan de verstrekkende inspanningsverplichting van een universitaire werkgever om de academische vrijheid te borgen — op de werkgever een verdergaande herplaatsingsverplichting kan rusten dan slechts op passende functies waarvoor vacatures bestaan of op korte termijn beschikbaar komen. Dit kan betekenen dat die herplaatsingsverplichting, onder (bijzondere) omstandigheden dus wel degelijk ook een verplichting kan behelzen om bepaalde functies (op verzoek van de werknemer) passend te maken, bijvoorbeeld door opwaardering daarvan of door aanpassing van de inhoud van die functie, of zelfs door een nieuwe functie te creëren. Ook dat is door het Hof met zijn beslissingen in de rov.'en 3.42 en 3.35 miskend.
Onderdeel 3
Voortbouwklachten
34.
De beslissing van het Hof in rov. 3.43 dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met [de werkneemster] terecht heeft ontbonden, zodat het in hoger beroep verzochte herstel niet toewijsbaar is, bouwt voort op de beslissingen die worden bestreden door de klachten van de onderdelen 1 en 2. Gegrondbevinding van één of meer van die klachten vitieert dus ook de beslissing van het Hof in rov. 3.43 als rechtens onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd.
35.
De beslissingen van het Hof inzake de kostenveroordeling in eerste aanleg (rov. 3.45) en de kosten in hoger beroep (rov. 3.50) bouwen voort op de daaraan voorafgaande beslissingen als bestreden door de klachten als vervat in de onderdelen 1 en 2, en op de door het Hof in rov. 3.43 bereikte uitkomst dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst terecht heeft ontbonden, als bestreden door de voortbouwklacht onder 34. Gegrondbevinding van één of meer van de klachten van de onderdelen 1 en 2 en/of van de voortbouwklacht onder 34. vitieert ook de beslissingen van het Hof inzake de kosten, als vervat in de rov.'en 3.45 en 3.50.
6. Verzoek om schriftelijke toelichting
36.
[de werkneemster] verzoekt de Hoge Raad het cassatiemiddel schriftelijk te mogen toelichten, nu de klachten van zowel onderdeel 1 inzake de vrijheid van meningsuiting en de betekenis van de academische vrijheid, als onderdeel 2 inzake de reikwijdte van de herplaatsingsplicht van art. 7:669 lid 1 BW een principieel karakter dragen en vragen aansnijden die nog niet eerder aan de Hoge Raad zijn voorgelegd. Om die reden is het van toegevoegde waarde die klachten te voorzien van een toelichting, waarin kan worden ingegaan op relevante rechtspraak en literatuur. Bovendien kan op die manier worden bewerkstelligd dat partijen, in deze principiële zaak, over en weer op elkaars standpunten over die fundamentele punten kunnen reageren door middel van een schriftelijke re- en dupliek.
7 Conclusie
37.
Op grond van dit middel verzoekt [de werkneemster] de Hoge Raad de beschikking waartegen het cassatieberoep is gericht te vernietigen, en verder te beslissen zoals hij passend acht.
38.
[de werkneemster] verzoekt verder dat de RUG wordt veroordeeld in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na de datum van de uitspraak.
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 08‑03‑2024
Inleidend verzoekschrift zijdens de RUG onder 24, productie 6 bij verzoekschrift in eerste aanleg.
Pleitnotities zijdens [de werkneemster] in eerste aanleg onder 21–24; beroepschrift onder 6 en 20; verweerschrift in incidenteel hoger beroep onder 6, 14; pleitnotities in hoger beroep zijdens [de werkneemster] onder 3–18.
Verweerschrift in eerste aanleg onder 14 en 40; pleitnotities in hoger beroep zijdens [de werkneemster] onder 14 en 15; productie 6 bij verweerschrift in eerste aanleg.
Verweerschrift in eerste aanleg onder 13 en 40; pleitnotities in hoger beroep zijdens [de werkneemster] onder 13; productie 5 bij verweerschrift in eerste aanleg.
Verweerschrift in incidenteel hoger beroep onder 6 en 14; productie 11 bij inleidend verzoekschrift zijdens de RUG.
Beroepschrift onder 19–22; proces-verbaal mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 18.
Verweerschrift in eerste aanleg onder 40; pleitaantekeningen in eerste aanleg zijdens [de werkneemster] onder 21 e.v.; beroepschrift onder 10 en 44; verweerschrift in incidenteel appel onder 17; pleitaantekeningen in hoger beroep zijdens [de werkneemster] onder 1–18.
UNESCO, Recommendation Concerning the Status of Higher-Education Teaching Personnel, Parijs 1997, par. 27 en 29, zie http://portal.unesco.org/en/ev.php-URL_ID=13144&URL_DO=DO_TOPIC&URL_SECTION=201.html.
Zie over de directe werking van art. 10 EVRM de conclusie van A-G De Bock voor HR 7 oktober 2022, NJ 2023/86 onder 4.24 e.v., alsmede de NJ-noot van Verhulp bij die beschikking onder 2.
In rov. 3.30, tweede volzin, heeft het Hof wel vastgesteld dat het essay is verschenen in een wetenschappelijk tijdschrift en dat de bijdrage beoogde de academische discussie aan te jagen over de schaduwkanten van beleid dat gericht is op het dichten van de genderkloof door de doorstroom van vrouwen naar hogere functies te bevorderen.
Pleitnotities in hoger beroep zijdens [de werkneemster] onder 3 en 4.
Zie in dit verband onder meer: EHRM 19 juni 2018, NJB 2018/1651 (Kula/Turkije), rov.'en 38 en 39, waarin werd beslist dat ‘however minimal the sanction (a reprimand)’ die de klager was opgelegd vanwege een door de academische vrijheid bestreken uiting ook was, ‘it was liable to have an impact on the exercise of his freedom of expression and even to have a chilling effect in that regard.’ Zie ook EHRM 27 mei 2014, C-346/04, EHRC 2014/217 (Mustafa Erdogan/Turkije), rov. 40, waarin werd beslist dat iedere restrictie op de academische vrijheid ‘careful scrutiny’ vergt, juist wanneer de betrokken uitingen vallen binnen het onderzoeksgebied, de expertise en het kennisgebied van de academica die die uiting doet, en ook als die uitingen ‘controversieel of impopulair zijn’:
EHRM 2 oktober 2012, nr. 2594/07 (Najafli t. Azerbeidzjan), rov. 68; EHRM 28 oktober 2003, NJ 2004/555 (Steur/Nederland), rov. 44; zie voorts: conclusie A-G De Bock voor HR 7 oktober 2022, NJ 2023/86 onder 4.27 en de NJ-noot van Verhulp daarbij sub 3, waar wordt verwezen naar EHRM 8 november 2022 (ECLI:CE:ECHR:2022:1108JUD007472917).
EHRM van 27 mei 2014, C-346/04 (Mustafa Erdogan/Turkije), EHRC 2014/217, rov. 40. (Mustafa Erdogan/Turkije), onderstreping toegevoegd.
Verweerschrift in eerste aanleg onder 13; verweerschrift in incidenteel hoger beroep onder 51.
Verweerschrift in eerste aanleg zijdens [de werkneemster] onder 14, met producties 6, 7 en 8; pleitnotities in eerste aanleg zijdens [de werkneemster] onder 22, 25 en 26; verweerschrift in incidenteel hoger beroep onder 52.
Verweerschrift in eerste aanleg zijdens [de werkneemster] onder 14, onder verwijzing naar producties 6, 7 en 8, pleitnotities in hoger beroep zijdens [de werkneemster] onder 14 en 15.
Verweerschrift in eerste aanleg onder 17; beroepschrift onder 74, 76–78; verweerschrift in incidenteel hoger beroep onder 6, 14 en 45.
Verweerschrift in eerste aanleg onder 18; beroepschrift onder 74, 76–78; verweerschrift in incidenteel hoger beroep onder 6, 14 en 45.
Verweerschrift in eerste aanleg onder 17; beroepschrift onder 74, 76–78; verweerschrift in incidenteel hoger beroep onder 6, 14 en 45.