Rechtbank Overijssel 5 april 2022, ECLI:NL:RBOVE:2022:1084.
HR, 05-12-2025, nr. 24/03477
ECLI:NL:HR:2025:1856
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
05-12-2025
- Zaaknummer
24/03477
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1856, Uitspraak, Hoge Raad, 05‑12‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:748
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2024:4271
ECLI:NL:PHR:2025:748, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 04‑07‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1856
Beroepschrift, Hoge Raad, 06‑08‑2024
- Vindplaatsen
JOR 2026/41 met annotatie van mr. F.P.C. Strijbos
JIN 2026/30 met annotatie van mr. N.M. Prins
TvPP 2026/16, p.59 met annotatie van N.E. Kuijer en R.G.W. Bongers
NJ 2026/135 met annotatie van C.M.D.S. Pavillon
Uitspraak 05‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Verbintenissenrecht. Overeenkomstenrecht. Unierecht. Ambtshalve toetsing. Dienstverlener vordert betaling voor verrichte diensten van consument. Klachten consument: het hof heeft ten onrechte niet ambtshalve getoetst aan de Richtlijn oneerlijke bedingen (Richtlijn 93/13/EEG) en aan art. 6:230l BW dan wel art. 6:230m BW.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/03477
Datum 5 december 2025
ARREST
In de zaak van
[de agente],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
hierna: [de agente],
advocaten: H.J.W. Alt en W.A. Jacobs,
tegen
[de juridische dienstverlener] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: [de juridische dienstverlener],
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak 9204746 \ CV EXPL 21-1902 van de rechtbank Overijssel van 5 april 2022;
b. het arrest in de zaak 200.315.299 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 juni 2024.
[de agente] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Tegen [de juridische dienstverlener] is verstek verleend.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal M.H. Wissink strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaten van [de agente] hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [de juridische dienstverlener] heeft [de agente] vanaf mei 2015 bijgestaan in een geschil met haar werkgever.
(ii) Bij brief van 4 mei 2015 heeft [de juridische dienstverlener] aan [de agente] het volgende geschreven:
“Betreft: voorwaarden dienstverlening(…)Naar aanleiding van ons kennismakingsgesprek ontvangt u hierbij een bevestiging van de voorwaarden van mijn dienstverlening. Ik vraag uw aandacht voor het volgende.
Mijn uurtarief bedraagt 240 euro inclusief BTW. Op dit uurtarief krijgt u een korting van 90 euro inclusief BTW. Deze korting komt te vervallen indien uw werkgever mijn kosten vergoedt of wanneer uw werkgever bereid blijkt tot een minnelijke regeling. De korting komt ook te vervallen bij een rechterlijke uitspraak, waarmee u een geldelijke vergoeding wordt toegekend.(…)
Op mijn dienstverlening zijn de meegezonden algemene voorwaarden van toepassing.
(…)
Ondergetekende, [naam], is met het bovenstaande en met de toepasselijkheid van de meegezonden algemene voorwaarden akkoord.
Plaats/naam/handtekening.”
(iii) In mei 2015 heeft [de juridische dienstverlener] een gespecificeerde factuur gestuurd, die [de agente] heeft voldaan. In augustus 2015 is dit nogmaals gebeurd.
(iv) Voor de periode daarna hebben partijen afgesproken dat [de agente] periodiek voorschotten zou betalen die later verrekend zouden worden met een slotfactuur. [de agente] heeft de voorschotfacturen aan [de juridische dienstverlener] voldaan.
(v) Eind februari 2016 heeft [de juridische dienstverlener] de dienstverlening beëindigd.
(vi) [de juridische dienstverlener] heeft [de agente] in maart 2016 een slotfactuur gestuurd waarin, na verrekening van de betaalde voorschotten, aanspraak wordt gemaakt op € 20.696,37, op basis van een uurtarief van € 240,--. [de agente] heeft dit bedrag niet betaald.
2.2
In deze procedure vordert [de juridische dienstverlener], voor zover in cassatie van belang, veroordeling van [de agente] tot betaling van het bedrag van € 20.696,37. De kantonrechter1.heeft deze vordering afgewezen.
2.3
Het hof2.heeft het vonnis van de kantonrechter, voor zover in cassatie van belang, vernietigd en de vordering van [de juridische dienstverlener] toegewezen tot een bedrag van € 3.200,--. Aan dat oordeel heeft het hof het volgende ten grondslag gelegd.
Dat [de juridische dienstverlener] niet heeft beschreven welke afspraken partijen hebben gemaakt over de door haar te verrichten werkzaamheden, brengt niet mee dat [de juridische dienstverlener] daardoor geen aanspraak meer heeft op loon. [de juridische dienstverlener] heeft de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de omvang van de dienstverlening en zij draagt het risico dat niet komt vast te staan dat zij voor bepaalde werkzaamheden een opdracht van [de agente] heeft gekregen. Uit de stellingen van partijen valt af te leiden dat aan hen tijdens de bespreking op 4 mei 2015 voldoende duidelijk voor ogen stond welke diensten [de juridische dienstverlener] zou leveren. [de juridische dienstverlener] heeft voldoende informatie verschaft over de voornaamste kenmerken van de diensten die zij zou gaan verlenen en er is geen sprake van schending van art. 6:230l lid 1, onder a, BW voor het geval het intakegesprek heeft plaatsgevonden ten kantore van [de juridische dienstverlener], noch van art. 6:230m lid 1, onder a, BW voor het geval dat gesprek heeft plaatsgevonden via een telefoon- of videoverbinding of op een andere plaats dan het kantoor van [de juridische dienstverlener]. (rov. 3.4)
[de juridische dienstverlener] heeft in haar brief van 4 mei 2015 uiteengezet dat haar gebruikelijke uurtarief € 240,-- inclusief omzetbelasting is, dat zij in dit geval een uurtarief van € 150,-- inclusief omzetbelasting zal rekenen, maar dat het hogere tarief zal gelden als de werkgever haar kosten vergoedt of bereid is een minnelijke regeling te treffen of wanneer aan [de agente] in een rechterlijke uitspraak een geldelijke vergoeding wordt toegekend (hierna ook: het kostenbeding). [de juridische dienstverlener] heeft aldus voldoende duidelijkheid verschaft over haar honorering. (rov. 3.5)
Nu partijen niet hebben aangegeven dat zij hebben onderhandeld over de bepaling over het verval van de korting en er daarom geen andere uitlegfactoren spelen dan taalkundige, wordt de bepaling aldus uitgelegd dat zij niet ziet op de situatie dat de minnelijke regeling met de werkgever tot stand komt jaren na beëindiging van de dienstverlening door [de juridische dienstverlener] en waarin [de agente] werd bijgestaan door een andere rechtshulpverlener. Voor de berekening van het aan [de juridische dienstverlener] toekomende loon wordt daarom uitgegaan van een uurtarief van € 150,-- inclusief omzetbelasting. (rov. 3.9)
3. Beoordeling van het middel
3.1
De onderdelen IA en IIA van het middel klagen onder meer dat het hof ambtshalve had moeten toetsen of het kostenbeding (zie hiervoor in 2.1 onder (ii)) valt onder de werkingssfeer van Richtlijn 93/13/EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: Richtlijn oneerlijke bedingen)3.of van Richtlijn 2011/83/EU betreffende consumentenrechten (hierna: Richtlijn consumentenrechten)4., en of het beding op grond van die regelgeving een oneerlijk beding is en dus ongeldig is. Indien het hof de verplichting tot ambtshalve toetsing van het kostenbeding aan die richtlijnen niet heeft miskend, is zijn oordeel op dit punt volgens onderdeel IIA onjuist, dan wel onvoldoende gemotiveerd, omdat, kort gezegd, [de juridische dienstverlener] aan [de agente] niet tijdig afdoende informatie heeft gegeven over de financiële verplichting die uit de tussen hen gesloten overeenkomst zou voortvloeien.
De klachten ten aanzien van de Richtlijn oneerlijke bedingen
3.2
De Richtlijn oneerlijke bedingen is niet rechtstreeks van toepassing in de Nederlandse rechtsorde. Een richtlijnconforme uitleg van het Nederlandse recht brengt echter mee dat de Nederlandse rechter op grond van art. 6:233 BW gehouden is een beding te vernietigen indien hij vaststelt dat een beding oneerlijk is in de zin van die richtlijn.5.
De rechter is in dit verband gehouden ambtshalve na te gaan of een contractueel beding dat het voorwerp vormt van het aan hem voorgelegde geding, binnen de werkingssfeer van de Richtlijn oneerlijke bedingen valt.6.Uit art. 3 lid 1 Richtlijn oneerlijke bedingen blijkt dat daarvoor onder meer is vereist dat over het beding niet afzonderlijk is onderhandeld.7.Een beding wordt steeds geacht niet het voorwerp van afzonderlijke onderhandeling te zijn geweest wanneer het, met name in het kader van een toetredingsovereenkomst (in de Engelse versie van de richtlijn: “a pre-formulated standard contract”), van tevoren is opgesteld en de consument dientengevolge geen invloed op de inhoud ervan heeft kunnen hebben (art. 3 lid 2 Richtlijn oneerlijke bedingen).
Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie blijkt dat het beschermingsstelsel van de Richtlijn oneerlijke bedingen berust op de gedachte dat de consument zich tegenover de verkoper in een zwakke onderhandelingspositie bevindt en over minder informatie dan deze laatste beschikt, wat ertoe leidt dat hij met de door de verkoper tevoren opgestelde voorwaarden instemt zonder op de inhoud daarvan invloed te kunnen uitoefenen.8.
3.3
Uit het voorgaande volgt dat een beding waarover partijen afzonderlijk hebben onderhandeld, buiten de werkingssfeer van de Richtlijn oneerlijke bedingen valt. Het is aan de nationale rechter om alle omstandigheden in aanmerking te nemen waarin een beding aan de consument is voorgelegd, teneinde vast te stellen of de consument invloed heeft kunnen uitoefenen op de inhoud ervan.9.
3.4
In dit geding geldt als uitgangspunt dat partijen zijn overeengekomen dat op het uurtarief voor de dienstverlening van [de juridische dienstverlener] van € 240,-- inclusief omzetbelasting een korting zou worden toegepast van € 90,-- inclusief omzetbelasting en – in cassatie tevergeefs bestreden (zie hierna in 3.7) – dat partijen tijdens de bespreking op 4 mei 2015 voldoende duidelijk voor ogen stond welke diensten [de juridische dienstverlener] zou leveren (zie rov. 3.4-3.5). Uit de stukken van het geding blijkt dat de brief van 4 mei 2015 (zie hiervoor in 2.1 onder (ii)) ertoe strekt om het tussen partijen besproken uurtarief, dat afwijkt van het gebruikelijke uurtarief dat [de juridische dienstverlener] voor haar dienstverlening rekent en dat concreet voor deze overeenkomst is geformuleerd, te bevestigen. Op grond van deze omstandigheden heeft het hof kennelijk geoordeeld dat [de agente] invloed heeft kunnen uitoefenen op het kostenbeding en dat daarover dus afzonderlijk is onderhandeld in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen. Uit het voorgaande volgt dat het hof (ambtshalve) heeft getoetst of het kostenbeding valt onder de werkingssfeer van de Richtlijn oneerlijke bedingen en dat de uitkomst van die toetsing was dat dit niet het geval is. De klachten die zien op de toepassing van de Richtlijn oneerlijke bedingen zijn daarom tevergeefs voorgesteld.
3.5
Dat het hof in rov. 3.9 heeft overwogen dat “partijen niet hebben aangegeven dat zij hebben onderhandeld over de hierboven geciteerde bepaling over het verval van de korting en er daarom geen andere uitlegfactoren spelen dan taalkundige” brengt niet mee dat over het kostenbeding inclusief de kortingsregeling, niet afzonderlijk is onderhandeld in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen. Het hof brengt met zijn overweging slechts tot uitdrukking dat uit de gedingstukken niet blijkt dat over de kortingsregeling argumenten of voorstellen zijn uitgewisseld die een nader licht kunnen werpen op de uitleg van die kortingsregeling. Nu daarvan niet was gebleken, speelden er naar het oordeel van het hof geen andere uitlegfactoren dan de taalkundige uitlegfactor.
De klachten ten aanzien van de Richtlijn consumentenrechten
3.6
In rov. 3.5 oordeelt het hof met betrekking tot de financiële consequenties van de overeenkomst dat [de juridische dienstverlener] voldoende duidelijkheid heeft verschaft over haar honorering. Dit oordeel, dat volgt op het (tevergeefs bestreden, zie hierna in 3.7) oordeel van het hof dat partijen tijdens de bespreking op 4 mei 2015 voldoende duidelijk voor ogen stond welke diensten [de juridische dienstverlener] zou leveren, en op het oordeel dat vaststond dat partijen een uurtarief met een kortingsregeling waren overeengekomen (rov. 3.4-3.5), houdt in dat [de agente] voordat zij aan de overeenkomst was gebonden, op duidelijke en begrijpelijke wijze informatie had ontvangen over de manier waarop de prijs van de te leveren diensten berekend moest worden, nu door de aard van die diensten de prijs redelijkerwijs niet vooraf kon worden berekend. Daarmee heeft het hof getoetst aan art. 6:230l, onder c, BW dan wel aan art. 6:230m lid 1, onder e, BW. Het oordeel van het hof dat [de juridische dienstverlener] heeft voldaan aan de verplichtingen uit die bepalingen geeft in het licht van zijn zojuist genoemde, daaraan voorafgaande oordelen, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
3.7
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [de agente] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [de juridische dienstverlener] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 5 december 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 05‑12‑2025
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4271.
Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, PbEG L 95/29.
Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van Richtlijn 199/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 85/577/EEG en van Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad, PbEU 2011, L 304/64.
HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:773, rov. 3.5.1 en HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, rov. 3.7.1-3.7.3.
HvJEU 9 november 2010, zaak C-137/08, ECLI:EU:C:2010:659 (VB Pénzügyi Lízing), punt 49 en HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, rov. 3.5.3.
HvJEU 9 november 2010, zaak C-137/08, ECLI:EU:C:2010:659 (VB Pénzügyi Lízing), punt 50 en HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, rov. 3.10.
HvJEU 26 maart 2019, zaken C-70/17 en C-179/17, ECLI:EU:C:2019:250 (Abanca Corporación Bancaria), punt 49.
HvJEU 9 juli 2020, zaak C-452/18, ECLI:EU:C:2020:536 (Ibercaja Banco), punt 35.
Conclusie 04‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Overeenkomstenrecht. Consumentenrecht. Juridisch adviseur. Informatie over inhoud opdracht en tarief. Toetsing aan Richtlijn oneerlijke bedingen en Richtlijn consumentenrechten.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/03477
Zitting 4 juli 2025
CONCLUSIE
M.H. Wissink
In de zaak
[de agente]
tegen
[de juridische dienstverlener]
heeft als juridisch adviseur bijstand geleverd aan [de agente] . In deze procedure vordert [de juridische dienstverlener] betaling van haar slotnota. De kantonrechter heeft deze vordering afgewezen. Het hof heeft de vordering gedeeltelijk toegewezen. In cassatie wordt geklaagd (i) dat het hof heeft verzuimd ambtshalve te toetsen of sprake is van een oneerlijk kostenbeding in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen, zoals uitgelegd in HvJEU 12 januari 2023, C-395/21, ECLI:EU:C:2023:14 (Uurtarief advocaat), en (ii) dat het hof heeft verzuimd ambtshalve te toetsen of [de juridische dienstverlener] heeft voldaan aan de op de Richtlijn consumentenrechten gebaseerde informatieplichten van art. 6:230l onder a en c BW respectievelijk art. 6:230m lid 1 onder a en e BW. Mijns inziens slaagt het middel niet, omdat het hof ambtshalve aan deze richtlijnen heeft getoetst. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat in dit geval over het kostenbeding is onderhandeld, zodat het kostenbeding (een kernbeding) verder niet op transparantie en, eventueel, oneerlijkheid kan worden getoetst. Voorts heeft het hof uitdrukkelijk getoetst of was voldaan aan art. 6:230l onder a BW respectievelijk art. 6:230m lid 1 onder a BW en impliciet of was voldaan aan art. 6:230l onder c BW respectievelijk art. 6:230m lid 1 onder e BW. De door het middel bestreden oordelen van het hof getuigen naar mijn mening niet van een onjuiste rechtsopvatting en zijn ook niet onbegrijpelijk te noemen.
1. Feiten en procesverloop
1.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:1.
(i) [de agente] was werkzaam als hoofdagent van de politie. In 2012 is zij arbeidsongeschikt geraakt. Zij heeft een conflict gekregen met haar werkgever.
(ii) [betrokkene 1] is juridisch adviseur en oefent via de rechtspersoon [de juridische dienstverlener] zijn praktijk uit. [de juridische dienstverlener] heeft in mei 2015 de juridische bijstand aan [de agente] van een voorganger overgenomen.
(iii) Partijen zijn een uurtarief overeengekomen van € 240,- inclusief omzetbelasting, waarop een korting zou worden toegepast van € 90,- inclusief omzetbelasting. Deze korting zou vervallen als de werkgever de kosten zou vergoeden of wanneer de werkgever bereid zou zijn tot een minnelijke regeling, of bij een uitspraak van de rechter waarmee een geldelijke vergoeding zou worden uitbetaald.
(iv) Voor de periode na 18 augustus 2015 hebben partijen afgesproken dat [de agente] voorschotten zou betalen die later verrekend zouden worden met een eindnota. [de agente] heeft de voorschotnota’s aan [de juridische dienstverlener] voldaan.
(v) Eind februari 2016 heeft [de juridische dienstverlener] de dienstverlening beëindigd.
(vi) [de juridische dienstverlener] heeft [de agente] een slotnota gestuurd van € 20.969,37. Ten tijde van het hoger beroep was deze slotnota nog niet voldaan.
1.2
[de juridische dienstverlener] heeft [de agente] op 21 maart 2021 gedagvaard. Zij vordert, voor zover in cassatie relevant, nakoming van de verplichting van [de agente] tot betaling van het honorarium dat haar toekomt. De kantonrechter in de rechtbank Overijssel heeft de vordering als onvoldoende onderbouwd afgewezen. Ook de reconventionele vordering van [de agente] werd afgewezen.
1.3
[de juridische dienstverlener] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft het vonnis van de rechtbank, voor zover in conventie gewezen, vernietigd en de vordering toegewezen tot een bedrag van € 3.200, te vermeerderden met wettelijke rente vanaf 23 maart 2021. Het hof heeft de proceskosten gecompenseerd. Daartoe heeft het hof onder meer het volgende overwogen:
“Grondslag van de vordering en de verweren
(…)
3.3
[de agente] heeft [de juridische dienstverlener] onder meer verweten dat deze geen duidelijke opdrachtbevestiging heeft gestuurd over de omvang van de door deze te verrichten werkzaamheden, dat [de juridische dienstverlener] werkzaamheden heeft verricht waarvoor zij geen opdracht heeft gegeven en dat [de juridische dienstverlener] regelmatig te veel uren heeft gefactureerd voor de werkzaamheden die zijn verricht. Die verweren zal het hof hieronder beoordelen. Het hof verwerpt het standpunt van [de juridische dienstverlener] dat de verweren van [de agente] niet meer kunnen worden onderzocht omdat [de agente] niet binnen acht dagen na de declaratiedatum heeft geklaagd over de urenspecificaties, zoals zij in artikel 2.6 van haar algemene voorwaarden heeft bedongen. (…) Het beding is daarom naar het oordeel van het hof onredelijk bezwarend en niet geldig tussen partijen. Het hof zal [de juridische dienstverlener] echter niet in de gelegenheid stellen haar reactie hierop te formuleren, omdat het hof ook van oordeel is dat [de juridische dienstverlener] tegenover de voldoende uitgewerkte betwisting door [de agente] onvoldoende heeft gesteld over maandelijkse toezending van urenspecificaties aan [de agente] . (…)
Onderwerp van de dienstverlening
3.4.
[de juridische dienstverlener] heeft in haar brief aan [de agente] van 4 mei 2015 niet omschreven wat het onderwerp van de dienstverlening was. Ook in latere correspondentie heeft [de juridische dienstverlener] niet beschreven welke afspraken partijen hebben gemaakt over de door haar te verrichten werkzaamheden. Dat [de juridische dienstverlener] dat niet heeft gedaan, brengt niet mee dat [de juridische dienstverlener] daardoor geen aanspraak meer heeft op loon. [de juridische dienstverlener] heeft de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de omvang van de dienstverlening en zij draagt daarom het risico dat niet komt vast te staan dat zij voor bepaalde werkzaamheden een opdracht van [de agente] heeft gekregen. Uit de stellingen van partijen leidt het hof af dat aan hen tijdens de bespreking op 4 mei 2015 voldoende duidelijk voor ogen stond welke diensten [de juridische dienstverlener] zou leveren. Die hielden in essentie in dat [de juridische dienstverlener] [de agente] zou bijstaan in haar arbeidsconflict met de Politie, met als doel in gesprek te raken met de Politie om een regeling te treffen, die ook een vertrekregeling zou kunnen zijn. Concreet zou [de juridische dienstverlener] namens [de agente] naar aanleiding van het door [de agente] opgenomen gesprek tussen [mediator] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] van de Politie tijdens een caucus in de mediation een melding van een misstand doen, een interne klacht daartegen indienen en de behandeling van het hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep (hierna: de CRvB) overnemen van de vorige dienstverlener. Kort daarop is daar bij gekomen dat [de juridische dienstverlener] [de agente] zou assisteren bij onderzoek naar een door het werk veroorzaakt PTSS-syndroom. Als dat zou komen vast te staan, zou [de agente] vermoedelijk aanspraak hebben op vergoeding van materiële en immateriële schade door de Politie. In dat kader zou [de juridische dienstverlener] uitstel vragen voor de behandeling van het hoger beroep bij de CRvB. Omdat onderdeel van de opdracht was om een melding van een misstand te doen over hetgeen was voorgevallen tijdens de caucus in de mediation, omvatte de opdracht - anders dan [de juridische dienstverlener] stelt - aspecten van klokkenluiderschap. Het hof komt daarom tot de conclusie dat [de juridische dienstverlener] voldoende informatie heeft verschaft over de voornaamste kenmerken van de diensten die zij zou gaan verlenen en dat er geen sprake is van schending van artikel 6:230l lid 1 sub a BW voor het geval het intakegesprek heeft plaatsgevonden ten kantore van [de juridische dienstverlener] of van artikel 6:230m lid 1 sub a BW voor het geval dat gesprek heeft plaatsgevonden via een telefoon- of videoverbinding of op een andere plaats dan het kantoor van [de juridische dienstverlener] .”
Financiële afspraken en facturering
3.5.
[de juridische dienstverlener] heeft in haar brief van 4 mei 2015 uiteengezet dat haar gebruikelijke uurtarief € 240 inclusief btw is, dat zij in dit geval een uurtarief van € 150 inclusief btw zal rekenen, maar dat het hogere tarief zal gelden als de Politie haar kosten vergoedt of bereid is een minnelijke regeling te treffen of wanneer aan [de agente] in een rechterlijke uitspraak een geldelijke vergoeding wordt toegekend. Naar het oordeel van het hof heeft [de juridische dienstverlener] aldus voldoende duidelijkheid verschaft over haar honorering. [de juridische dienstverlener] heeft op 22 mei 2015 een factuur gestuurd van € 1.424,92 inclusief btw. In de declaratie is vermeld dat 8 uren aan dossierbestudering en 1,5 uur aan diverse besprekingen zijn besteed, naast 1 uur aan intake die [de juridische dienstverlener] niet heeft gefactureerd. [de agente] heeft deze factuur betaald. [de juridische dienstverlener] heeft op 18 augustus 2015 een tweede, gewijzigde factuur verstuurd voor een bedrag van € 2.416,12 inclusief btw. In de factuur is vermeld dat 22,3 uren zijn besteed aan de procedure bij de CRvB, 3,1 uur aan de klacht tegen [mediator] , 9,4 uur aan diverse correspondentie met de Politie, 0,3 uur met het indienen van een bezwaarschrift in verband met een loonkorting en 2,5 uren “secretarieel”. [de agente] heeft deze factuur betaald.
3.6.
[de juridische dienstverlener] heeft in een e-mail aan [de agente] van 22 oktober 2015 geschreven dat zij “zoals besproken” voor de afgelopen periode een vast bedrag en niet de werkelijke uren in rekening zal brengen. Bij factuur van diezelfde datum heeft zij € 2.420 bij [de agente] in rekening gebracht. [de agente] heeft deze factuur betaald. [de juridische dienstverlener] heeft in een e-mail aan [de agente] van 1 december 2015 het volgende geschreven: “Zoals afgesproken, ontvangt u van mij een korting op mijn uurtarief. In plaats van 240 euro, betaalt u 150 euro. U betaalt een maandelijks voorschot van 1210 (1000 exclusief BTW) op de slotfactuur. Bij beëindiging van mijn dienstverlening zullen de maandelijkse voorschotten worden verrekend met de slotfactuur. Het restant van de slotfactuur zal moeten worden voldaan. Een en ander heb ik u vorige week uitgelegd. Bijgesloten treft u een voorschotsfactuur aan over de maand oktober 2015. Ik zou u die vorige week maandag sturen, maar door de drukte is de factuur blijven liggen. De factuur over november, zal ik daarom over ongeveer twee weken sturen.” [de agente] heeft deze voorschotfactuur over oktober 2015 betaald, evenals voorschotfacturen over november en december 2015 en januari 2016.
3.7.
Na beëindiging van de dienstverlening heeft [de juridische dienstverlener] aan [de agente] op 16 maart 2016 de slotfactuur verstuurd, waarin over de maanden oktober, november en december 2015 lumpsumbedragen in rekening zijn gebracht op basis van een tijdsbesteding van 10, respectievelijk 20 en 20 uren en over januari en februari 2016 bedragen volgens urenspecificaties van 19,6 respectievelijk 36,8 uren, een en ander op basis van een uurtarief van € 240 inclusief btw. Na verrekening met de betaalde voorschotten heeft [de juridische dienstverlener] aanspraak gemaakt op betaling van € 20.696,37 inclusief btw. [de juridische dienstverlener] heeft ook urenoverzichten overgelegd, waaruit volgt dat zij in oktober 2015 26,2 uren, in november 2015 29,5 uren, in december 2015 30,8 uren, in januari 2016 19,6 uren en in februari 2016 36,8 uren heeft besteed. Deze procedure gaat over deze slotfactuur. [de agente] klaagt er in essentie
Over dat [de juridische dienstverlener] werkzaamheden heeft gefactureerd waarvoor zij geen opdracht heeft gegeven en dat [de juridische dienstverlener] te veel uren heeft gedeclareerd voor de haar wel opgedragen werkzaamheden.”
Het hof overweegt voorts dat het voor de berekening van het aan [de juridische dienstverlener] toekomende loon zal uitgaan van een uurtarief van € 150 inclusief btw (rov. 3.9) en behandelt vervolgens [de agente] betwistingen van opdrachten en gemaakte uren. Het hof concludeert dat de facturen van [de juridische dienstverlener] op een aantal punten moeten worden gecorrigeerd (rov. 3.31) en berekent dat over de maanden oktober 2015 tot en met februari 2016 nog een bedrag van € 3.200 door [de agente] moet worden betaald.
1.4
[de agente] heeft bij procesinleiding van 13 september 2024 tijdig cassatieberoep ingesteld. Het cassatiemiddel is niet afzonderlijk toegelicht. [de juridische dienstverlener] is niet verschenen en tegen haar is verstek verleend.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1
Na een inleiding onder A formuleert het cassatiemiddel onder B klachten tegen het arrest van het hof, in het bijzonder rov. 3.3-3.6. Het cassatiemiddel doet een beroep op de Richtlijn oneerlijke bedingen2.(zoals omgezet in onder meer art. 6:233 onder a BW) en op de Richtlijn Consumentenrechten3.(zoals omgezet in onder meer art. 6:230l en art. 6:230m BW). Daartoe zet het middel onder IA en IB uiteen welke vereisten gelden ten aanzien van een (kosten)beding volgens de Richtlijn oneerlijke bedingen en HvJEU 12 januari 2023, C-395/21 (Uurtarief advocaat)4.dan wel volgens de Richtlijn consumentenrechten en HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677 (Arvato I).5.Vervolgens klaagt het middel onder II dat het arrest van het hof niet voldoet aan deze vereisten. Onderdeel IIA klaagt in de kern dat het hof heeft miskend dat het ambtshalve diende te toetsen of sprake is van een oneerlijk kostenbeding en de betreffende bedingen ambtshalve buiten toepassing had moeten laten, en dat het hof heeft miskend dat het ambtshalve diende te toetsen of de informatieplichten van art. 6:230l onder a en c BW dan wel art. 6:230m lid 1 onder a en e BW zijn geschonden.Onderdeel IIB bestrijdt het oordeel in rov. 2.4 dat [de juridische dienstverlener] heeft voldaan aan de informatieplichten van art. 6:230l onder a BW dan wel art. 6:230m lid 1 onder a BW. Onderdeel III bevat een motiveringsklacht en klaagt dat het hof de devolutieve werking van het appel heeft miskend. Onderdeel V (het middel bevat geen onderdeel IV) betreft een voortbouwklacht. Voor zover de procesinleiding klachten bevat onder B (op p. 6 van de procesinleiding) en onder IA in de nrs. 6, 8 , 11, 12 en 15, vallen deze samen met de klachten van de onderdeel IIA, zodat zij geen afzonderlijke bespreking behoeven.
2.2
Ik schets eerst het juridisch kader en bespreek dan de klachten.
Juridisch kader
Richtlijn oneerlijke bedingen en HvJEU 12 januari 2023, C-395/21 (Uurtarief advocaat)
2.3.1
De rechter dient, indien de consument zich daarop niet beroept, ambtshalve te onderzoeken of een beding oneerlijk is, indien hij beschikt over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, om te vermoeden dat een beding valt onder Richtlijn oneerlijke bedingen en oneerlijk is. Zo nodig dient de rechter instructiemaatregelen te treffen.6.
2.3.2
Een beding valt onder de Richtlijn oneerlijke bedingen als het gaat om een beding in een overeenkomst tussen een professioneel handelende partij (een ‘verkoper’) en een consument (art. 2 Richtlijn oneerlijke bedingen) dat geen voorwerp van onderhandeling tussen partijen is geweest (art. 3 lid 1 Richtlijn oneerlijke bedingen). Een beding wordt steeds geacht niet het voorwerp van afzonderlijke onderhandeling te zijn geweest wanneer het, met name in het kader van een toetredingsovereenkomst, van tevoren is opgesteld en de consument dientengevolge geen invloed op de inhoud ervan heeft kunnen hebben (art. 3 lid 2, eerste alinea, Richtlijn oneerlijke bedingen).7.
2.3.3
Een beding is oneerlijk indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort (art. 3 lid 1 Richtlijn oneerlijke bedingen).8.De beoordeling van het oneerlijke karakter van bedingen heeft echter geen betrekking op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, noch op de toereikendheid van enerzijds de prijs en vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten, voor zover die bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd (art. 4 lid 2 Richtlijn oneerlijke bedingen).
2.4
Het arrest Uurtarief advocaat betrof een geval waarin een Litouwse advocaat met een cliënt een uurtarief van € 100,- had afgesproken en geen andere informatie had gegeven over de mogelijke omvang van de kosten van diens dienstverlening. Het HvJEU oordeelde als volgt:
“40 In het onderhavige geval moet worden geconstateerd, zoals de verwijzende rechter aangeeft, dat in het kostenbeding enkel wordt vermeld dat de vergoeding van de advocaat € 100 bedraagt voor elk uur dat zij juridische diensten heeft verleend. Wanneer de advocaat geen enkele andere informatie verschaft aan zijn cliënt, stelt een dergelijk mechanisme tot vaststelling van de kosten een gemiddelde, normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument niet in staat om alle financiële consequenties in te schatten die voor hem uit dat beding voortvloeien, namelijk het totale bedrag dat hij voor deze diensten zal moeten betalen.
41 Het is juist dat het, gelet op de aard van de diensten waar een overeenkomst voor het verrichten van juridische diensten betrekking op heeft, voor de advocaat vaak moeilijk of zelfs onmogelijk is om op het tijdstip waarop de overeenkomst wordt gesloten, het aantal uren te voorspellen dat nodig zal zijn om die diensten te verlenen, en dus ook de totale daadwerkelijke kosten daarvan.
42 Het Hof heeft overigens geoordeeld dat de naleving door een verkoper van het transparantievereiste van artikel 4, lid 2, en artikel 5 van richtlijn 93/13 moet worden beoordeeld aan de hand van de informatie waarover deze verkoper beschikte op het ogenblik waarop hij de overeenkomst met de consument heeft gesloten (arrest van 9 juli 2020, Ibercaja Banco, C452/18, EU:C:2020:536, punt 49).
43 Desalniettemin neemt het feit dat van een verkoper niet kan worden geëist dat hij de consument informeert over de uiteindelijke financiële consequenties van zijn verbintenis, die afhangen van onvoorzienbare toekomstige gebeurtenissen waarover deze verkoper geen controle heeft, niet weg dat de informatie die hij moet verstrekken vóórdat de overeenkomst wordt gesloten, de consument in staat moet stellen om met de nodige voorzichtigheid zijn beslissing te nemen, met volledige kennis van enerzijds de mogelijkheid dat dergelijke gebeurtenissen zich voordoen en anderzijds de gevolgen die deze kunnen hebben voor de duur van de desbetreffende juridische diensten.
44 Deze informatie, die kan variëren naargelang zowel het voorwerp en de aard van de juridische diensten waarin de overeenkomst voorziet als de toepasselijke beroeps- en gedragsregels, moet aanwijzingen bevatten die de consument in staat stellen bij benadering de totale kosten van die diensten te ramen. Het zou daarbij kunnen gaan om een raming van het voorzienbare of minimale aantal uren dat nodig is om een bepaalde dienst te verlenen, of een verbintenis om met redelijke tussenpozen tussentijdse facturen of verslagen te bezorgen waarin het aantal reeds gepresteerde werkuren wordt vermeld. Zoals in punt 38 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, staat het aan de nationale rechter om, rekening houdend met alle relevante gegevens rond de sluiting van deze overeenkomst, te beoordelen of de informatie die de verkoper de consument vóór de sluiting van de overeenkomst heeft meegedeeld, deze laatste in staat heeft gesteld om met de nodige voorzichtigheid en met volledige kennis van de financiële consequenties van het sluiten van die overeenkomst zijn beslissing te nemen.”
2.5
Indien het beding niet transparant is, betekent dat niet automatisch dat het ook oneerlijk is. Of het beding oneerlijk is, moet worden getoetst aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Een gebrek aan transparantie is een van die omstandigheden.9.Indien toetsing van het kostenbeding leidt tot het oordeel dat sprake is van een oneerlijk kernbeding, moet vervolgens worden beoordeeld of dit meebrengt dat de gehele overeenkomst nietig is (art. 3:41 BW). Indien dat het geval is, rijzen de vervolgvragen of de algehele nietigheid kan worden voorkomen door de overeenkomst te voorzien van een alternatieve bepaling over de hoogte van de aan de advocaat te betalen vergoeding door terug te vallen op aanvullend nationaal recht en, zo neen, of de dienstverlener een vordering uit onverschuldigde betaling heeft.10.
2.6
In de literatuur wordt erop gewezen dat het bij juridische dienstverlening in de praktijk moeilijk of onmogelijk kan zijn om vooraf een inschatting van de kosten te maken.11.De mogelijkheid om tussentijds te factureren wordt, in het licht van het arrest van het HvJEU in het algemeen als een alternatief voor een kostenraming gezien.12.
2.7
In de rechtspraak is in verschillende gevallen geoordeeld dat een kostenbeding niet transparant is indien alleen een uurtarief is medegedeeld.13.Bijkomende omstandigheden kunnen dit echter anders maken.14.Indien tevens een afspraak is gemaakt om maandelijks te factureren15.of als een raming van de totale kosten is gegeven,16.is het beding veelal wel voldoende transparant geacht. In de regel wordt uitgegaan van de alternatieve benadering die ligt besloten in het punt 44 van het arrest Uurtarief advocaat, dat wil zeggen een kostenopgave of periodieke facturering volstaat.17.
2.8.1
Er wordt echter ook wel strenger geoordeeld in de zin dat enerzijds eisen worden gesteld aan een kostenraming en anderzijds de afspraak om tussentijds te declareren onvoldoende wordt geacht.
2.8.2
Zo heeft bijvoorbeeld de rechtbank Amsterdam de mededeling dat de consument moet rekenen op “een ton” onvoldoende geacht, evenals de omstandigheid dat de advocaat, zoals overeengekomen, (vrijwel) maandelijks declareerde en diens uren specificeerde. De kantonrechter overwoog dat de advocaat op grond van de eigen gedragsregels verplicht is om vooraf een inschatting te geven van de te verwachten tijdsbesteding en het totaal aan kosten, en voorts dat het (vrijwel) maandelijks declareren geen gelijkwaardig alternatief is omdat dit onvoldoende recht doet aan het beschermingsstelsel van de Richtlijn oneerlijke bedingen.18.Aan dit laatste ligt kennelijk de gedachte ten grondslag dat een afspraak om tweewekelijks of maandelijks te factureren, niet kan voorkomen dat in dat tijdsbestek de kosten al zo omvangrijk kunnen zijn dat daarmee de transparantie onvoldoende wordt hersteld.19.
2.8.3
Hof Amsterdam 26 november 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:3269, rov. 2.6-2.7, week uitdrukkelijk af van zijn eerdere rechtspraak uit 2023. Het hof oordeelde dat de verbintenis die de advocaat is aangegaan om maandelijks te declareren, het kostenbeding niet transparant maakt. Naar het oordeel van het hof had de advocaat voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst moeten meedelen dat de totale kosten weliswaar niet in te schatten waren, maar had de advocaat een indicatie moeten geven van de orde van grootte van het totaal te declareren bedrag (ging het om bijvoorbeeld € 5.000,-, € 10.000,- of € 50.000,-), al dan niet tot aan een bepaald moment, waarna opnieuw een schatting en/of afspraken zouden worden gemaakt.
2.9
Deze strengere lijn lijkt niet te worden vereist door het HvJEU20.(waarbij kan worden opgemerkt dat het HvJEU uiteraard geen rekening hoefde te houden met Nederlandse gedragsregels voor advocaten). Ik heb niet de indruk dat zij algemeen wordt gevolgd.
2.10
Dat op dit punt enige onduidelijk kan bestaan, is overigens niet zo vreemd. Het transparantievereiste van de Richtlijn oneerlijke bedingen moet immers worden getoetst op het moment van sluiten van de overeenkomst.21.Dat onderkent het HvJEU ook in zijn arrest Uurtarief advocaat (punt 42). Toch volgt uit punt 44 van dit arrest dat een afspraak om periodiek te declareren kan volstaan teneinde de consument in staat te stellen om, zoals het HvJEU het zegt, “met de nodige voorzichtigheid en met volledige kennis van de financiële consequenties van het sluiten van die overeenkomst zijn beslissing te nemen.” Daaraan ligt kennelijk de gedachte ten grondslag dat een dergelijke afspraak de cliënt in staat stelt om de vinger aan de pols te houden voor wat betreft de werkzaamheden en de kosten.22.
2.11
In zijn NJ-noot onder het arrest Uurtarief advocaat wijst Loos er voorts op (onder 9) dat het hanteren van een uurtarief de consument ook voordelen biedt. Het beding — mits zelf in duidelijke en begrijpelijke taal geformuleerd — maakt aan de gemiddelde consument duidelijk dat hoe meer werk de advocaat dient te verrichten, hoe hoger de rekening zal uitvallen. Verplichtingen om de cliënt op de hoogte te houden van de voortgang van de uitvoering van de overeenkomst, en om hem in dat kader regelmatig op de hoogte houden van de verschuldigde bedragen, vloeien reeds voort uit at. 7:403 BW en een verplichting tot tussentijdse facturering kan voortvloeien uit art. 7:401 BW, aldus Loos.
2.12
Het zal mijns inziens veelal de voorkeur verdienen om de cliënt, voor zoveel mogelijk, vooraf een idee te geven van de met de uitvoering van de opdracht mogelijk gemoeide uren of kosten. Advocaten zijn daartoe tuchtrechtelijk ook gehouden23.en het arrest Uurtarief advocaat (punt 44) laat de nationale rechter uitdrukkelijk de ruimte om rekening te houden met toepasselijke beroeps- en gedragsregels. Een afspraak over periodiek declareren kan echter, in het algemeen gesproken, een alternatief zijn. Het is uiteindelijk aan de nationale rechter om, met inachtneming van de omstandigheden van het geval, te beoordelen of een kostenbeding voldoende transparant is.
Richtlijn consumentenrechten en HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677 (Arvato I)
2.13
De Richtlijn consumentenrechten bevat precontractuele informatieplichten voor een handelaar jegens een consument. Art. 6:230l en art. 6:230m BW vormen een omzetting van art. 5 en 6 van deze richtlijn. Art. 6:230l BW is opgenomen in paragraaf 2 van afdeling 6.5.2B, die betrekking heeft op overeenkomsten anders dan op afstand of buiten de verkoopruimte. Art. 6:230m BW is onderdeel van paragraaf 3, die ziet op overeenkomsten op afstand en overeenkomsten buiten de verkoopruimte als bedoeld in art. 6:230g lid 1 sub e en sub f BW. Het gaat om dwingend recht (art. 6:230i lid 1 BW).
2.14
Art. 6:230l aanhef en onder a en c BW luidt:
“Voordat de consument door enige andere overeenkomst dan een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte, dan wel een daartoe strekkend aanbod, is gebonden, verstrekt de handelaar de consument op duidelijke en begrijpelijke wijze de volgende informatie, voor zover deze niet reeds duidelijk uit de context blijkt:
a. de voornaamste kenmerken van de zaken of de diensten, in de mate waarin dit gezien de gebruikte drager en de zaken of diensten passend is;
b. (…)
c. de totale prijs van de zaken of diensten, met inbegrip van alle belastingen, of, als door de aard van de zaak of de dienst de prijs redelijkerwijs niet vooraf kan worden berekend, de manier waarop de prijs moet worden berekend, en, voor zover van toepassing, alle extra vracht-, leverings- of portokosten of, indien deze kosten redelijkerwijs niet vooraf kunnen worden berekend, in ieder geval het feit dat er eventueel dergelijke extra kosten verschuldigd kunnen zijn; (…).”
2.15
Art. 6:230m lid 1, onderdelen a en e BW bepaalt:
“1. Voordat de consument gebonden is aan een overeenkomst op afstand of een overeenkomst buiten de verkoopruimte, dan wel aan een daartoe strekkend aanbod, verstrekt de handelaar de consument op duidelijke en begrijpelijke wijze de volgende informatie:
a. de voornaamste kenmerken van de zaken of de diensten, in de mate waarin dit gezien de gebruikte drager en de zaken of diensten passend is;
(…)
e. de totale prijs van de zaken of diensten, met inbegrip van alle belastingen, of, als door de aard van de zaak of de dienst de prijs redelijkerwijs niet vooraf kan worden berekend, de manier waarop de prijs moet worden berekend, en, in voorkomend geval, alle extra vracht-, leverings- of portokosten en eventuele andere kosten of, indien deze kosten redelijkerwijs niet vooraf kunnen worden berekend, het feit dat er eventueel dergelijke extra kosten verschuldigd kunnen zijn. In het geval van een overeenkomst voor onbepaalde duur of een overeenkomst die een abonnement inhoudt, omvat de totale prijs de totale kosten per factureringsperiode. Indien voor een dergelijke overeenkomst een vast tarief van toepassing is, omvat de totale prijs ook de totale maandelijkse kosten. Indien de totale kosten niet redelijkerwijze vooraf kunnen worden berekend, wordt de manier waarop de prijs moet worden berekend, medegedeeld; (…).”
2.16.1
De Hoge Raad heeft in zijn prejudiciële beslissing Arvato I (rov. 3.9) overwogen dat het strookt met de doelstellingen en uitgangspunten van de Richtlijn consumentenrechten om bij de beantwoording van de vragen of de rechter ambtshalve moet onderzoeken of aan de informatieplichten is voldaan en of de rechter bij schending van een informatieplicht ambtshalve tot vernietiging en/of afwijzing van de incassovordering van de handelaar moet overgaan dan wel ambtshalve een andere sanctie moet toepassen, te onderscheiden tussen: (i) de informatieplichten waaraan de wet bij niet-naleving ervan specifieke sancties verbindt, (ii) de informatieplichten waaraan extra gewicht toekomt (hierna: de essentiële informatieplichten), en (iii) overige informatieplichten. Ambtshalve toetsing en, in het verlengde daarvan, ambtshalve toepassing van sancties, dient plaats te vinden met betrekking tot de hiervoor onder (i) en (ii) bedoelde informatieplichten, waarbij opmerking verdient dat sommige informatieplichten waaraan de wet een specifieke sanctie verbindt, tevens essentiële informatieplichten zijn.
2.16.2
Volgens de prejudiciële beslissing volgt uit art. 6:193f onder b BW dat bepaalde informatieplichten extra gewicht hebben en zijn aan te merken als essentiële informatieplichten. Hiertoe kan ook de plicht om informatie over de totale prijs (art. 6:230m lid 1 onder e BW) worden geschaard (rov. 3.1.11). Ten aanzien van deze essentiële informatieplicht moet de rechter ambtshalve onderzoeken of uit de stellingen van de handelaar en de overgelegde stukken genoegzaam blijkt dat daaraan is voldaan op de wijze zoals voorgeschreven in art. 6:230v BW. Indien dat niet het geval is, dient de rechter een doeltreffende, evenredige en afschrikkende sanctie toe te passen (rov. 3.1.12). De rechter kan gehouden zijn om ambtshalve een op afstand of buiten de verkoopruimte gesloten overeenkomst geheel of gedeeltelijk te vernietigen op grond van art. 3:40 lid 2 BW, indien sprake is van een voldoende ernstige schending van een of meer essentiële informatieplichten. Gedeeltelijke vernietiging van de overeenkomst kan bestaan in een vermindering van de verplichtingen, met name de betalingsverplichtingen, van de consument (rov. 3.1.15).
2.17
De prejudiciële beslissing in Arvato I betrof overeenkomsten op afstand of een overeenkomst buiten de verkoopruimte. Het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton (LOVCK) lijkt ervan uit te gaan dat ook de informatieplichten uit art. 6:230l BW ambtshalve moeten worden getoetst en gesanctioneerd.24.In verschillende zaken heeft de feitenrechter inmiddels ambtshalve getoetst of is voldaan aan de informatieplichten uit art. 6:230l BW.25.In de literatuur wordt eveneens aangenomen dat de essentiële informatieplichten van art. 6:230l BW ambtshalve moeten worden getoetst door de rechter en dat een voldoende ernstige schending van deze informatieplichten ambtshalve moet worden gesanctioneerd. Volgens verschillende auteurs zijn er geen goede redenen aan te wijzen waarom dezelfde informatieplicht bij overeenkomsten op afstand of buiten de verkoopruimte wél ambtshalve getoetst (en een eventuele schending wel ambtshalve gesanctioneerd) moet worden, terwijl dat niet het geval is bij overeenkomsten binnen de verkoopruimte.26.
2.18
Tegen deze achtergrond bespreek ik hierna de klachten van het middel.
2.19
Ik bespreek de klachten van de onderdeel IIA hierna afzonderlijk voor zover zij zien op de Richtlijn oneerlijke bedingen dan wel de Richtlijn Consumentenrechten. Het gaat bij deze richtlijnen immers om verschillende vragen waarbij verschillende rechtsgevolgen in beeld kunnen komen.
Onderdeel IIA; Richtlijn oneerlijke bedingen
2.20
Het onderdeel klaagt in de kern: - ten eerste dat het hof heeft verzuimd ambtshalve te toetsen aan de Richtlijn oneerlijke bedingen en, indien het hof dit niet heeft miskend, geen inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang op dit punt (nr. 18); - ten tweede dat de oordelen (in rov. 3.5) dat [de juridische dienstverlener] met de brief van 4 mei 2015 en de algemene voorwaarden (tijdig) afdoende informatie aan [de agente] deed toekomen omtrent de door haar aangegane financiële verplichtingen en (in rov. 3.4) dat [de juridische dienstverlener] aanspraak houdt op loon, getuigen van een onjuiste rechtsopvatting en/of onvoldoende zijn gemotiveerd in het licht van HvJEU 21 december 2023, C-395/21 (Uurtarief advocaat) (nrs. 19-24 en 26); en - ten derde dat het hof miskent (in rov. 3.31) dat [de juridische dienstverlener] voor het sluiten van de overeenkomst duidelijkheid had moeten bieden dan wel tijdens de overeenkomst via een urenverantwoording had moeten geven (nr. 25).
2.21
Het gaat in deze zaak om de afspraak, kort gezegd, dat [de juridische dienstverlener] een uurtarief van € 150 inclusief btw in rekening zou brengen en dat dit tarief in bepaalde gevallen € 240 zou worden (hierna: het kostenbeding). Het kostenbeding betreft een kernbeding in de zin van art. 4 lid 2 Richtlijn oneerlijke bedingen respectievelijk art. 6:231 onder a BW. De prijs van de dienstverlening vormt immers de kern van de (tegen)prestatie.27.Het middel gaat daarvan ook uit (vgl. nr. 6 in de procesinleiding). Een kernbeding waarover niet is onderhandeld (zie art. 3 Richtlijn oneerlijke bedingen), kan slechts op oneerlijkheid worden getoetst, indien het niet voldoet aan het in art. 4 lid 2 van de Richtlijn oneerlijke bedingen bedoelde transparantievereiste.
2.22
Het onderdeel stelt terecht voorop dat de rechter zo nodig ambtshalve dient te onderzoeken of een beding oneerlijk is, indien hij beschikt over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, om te vermoeden dat een beding valt onder de Richtlijn oneerlijke bedingen en oneerlijk is. Dit veronderstelt dat het kostenbeding onder de Richtlijn oneerlijke bedingen valt. Uit de door het hof vastgestelde feiten volgt dat de overeenkomst is gesloten tussen een professioneel handelende partij ( [de juridische dienstverlener] ) en een consument ( [de agente] ). De volgende vraag is of partijen hebben onderhandeld over het kostenbeding.
2.23.1
Over het onderhandelingscriterium van de Richtlijn oneerlijke bedingen heeft het HvJEU overwogen dat art. 3 lid 2 van die richtlijn preciseert dat een beding steeds geacht wordt niet het voorwerp van afzonderlijke onderhandeling te zijn geweest, wanneer het door de verkoper van tevoren is opgesteld en de consument dientengevolge geen invloed op de inhoud ervan heeft kunnen hebben, hetgeen met name het geval is in het kader van een toetredingsovereenkomst. Een voor algemeen gebruik opgesteld beding vormt een contractueel beding waarover niet afzonderlijk onderhandeld is. Het is aan de nationale rechter om, aan de hand van alle omstandigheden, te toetsen of een consument invloed heeft kunnen uitoefenen op de inhoud van een consumentenbeding.28.
2.23.2
Loos stelt in het licht van het bestemmingscriterium van art. 6:231 onder a BW (“bedingen die zijn opgesteld teneinde in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen”) de volgende eisen aan het oordeel dat een beding geen algemene voorwaarde is, namelijk: dat (i) het beding specifiek voor deze overeenkomst is geformuleerd dan wel (ii) dat het beding tijdens de onderhandelingen over totstandkoming van de overeenkomst is aangepast of (iii) de wederpartij daadwerkelijk een reële mogelijkheid heeft gehad om tijdens de onderhandelingen andere bedingen of formuleringen voor te stellen29.en die ook serieus besproken zijn.30.Loos spreekt hier overigens over algemene voorwaarden in het algemeen en niet specifiek over tariefafspraken. Wanneer ik de door Loos geformuleerde criteria toepas op tariefafspraken, zou het bijvoorbeeld kunnen gaan om (i) een tarief dat specifiek voor deze overeenkomst is geformuleerd dan wel (ii)/(iii) een situatie waarin de consument invloed kon uitoefenen op de hoogte van het tarief.
2.23.3
HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1725 (Airbnb) overwoog over een tariefafspraak:31.
“3.4.2 Uit art. 3 lid 1 Richtlijn volgt dat de Richtlijn alleen van toepassing is op bedingen waarover niet afzonderlijk is onderhandeld. De Hoge Raad begrijpt de door de kantonrechter vastgestelde feiten aldus dat partijen met de platformovereenkomst weliswaar zijn overeengekomen dat Airbnb bij boekingen door de huurder loon (‘servicekosten’) aan hem in rekening mag brengen, maar dat pas sprake is van een betalingsverplichting indien de huurder een concreet boekingsvoorstel van Airbnb, waarin de servicekosten zijn begrepen, aanvaardt. Voorts blijkt uit de stellingen van partijen dat de aan de huurder in rekening gebrachte servicekosten van Airbnb in het boekingsvoorstel worden gespecificeerd. Hieruit volgt dat Airbnb en de huurder kunnen worden geacht over de hoogte van de servicekosten te hebben onderhandeld als bedoeld in de Richtlijn. (…)”
In deze context is dus niet de eis gesteld dat de consument invloed kon uitoefenen op de hoogte van het tarief (wat vaak ook niet realistisch zal zijn). Het volstaat dat de kosten concreet waren toegesneden op de mogelijke boeking. De consument kon vervolgens beslissen de boeking al dan niet te doen (het gaat dus niet om een situatie waarin partijen in bepaald opzicht reeds aan elkaar gebonden zijn, zoals bijvoorbeeld bij wijzigingen van langlopende overeenkomsten inzake hypothecair krediet). Het concrete boekingsvoorstel is niet een ‘voor algemeen gebruik opgesteld beding’ in de zin van de rechtspraak van het HvJEU.
2.23.4
In de feitenrechtspraak zijn gevallen te vinden waarin de omstandigheid, kort gezegd, dat een door de (juridische) dienstverlener gebruikelijk gehanteerde tarief aan de consument is medegedeeld en daarover kennelijk verder niet is gesproken, onvoldoende is geacht om aan te nemen dat over het beding is onderhandeld.32.Daarbij speelt wellicht mede de gedachte dat over dergelijke tarieven doorgaans niet wordt onderhandeld,33.dat wil zeggen, neem ik aan, dat de consument geen invloed kan uitoefenen op de hoogte van het tarief. Soms vraagt de rechter om nadere gegevens.34.
2.24.1
In deze zaak heeft de rechtbank in haar vonnis van 5 april 2022, rov. 2.2, onder meer vastgesteld dat “partijen (…) een uurtarief [zijn] overeengekomen van € 240,- inclusief omzetbelasting, waarop een korting zou worden toegepast van € 90,- inclusief omzetbelasting.” Ook het hof is hiervan uitgegaan (rov. 3.1). Het hof heeft voorts overwogen (in rov. 3.5) dat [de juridische dienstverlener] in haar brief van 4 mei 2015 heeft uiteengezet dat haar gebruikelijke uurtarief € 240 inclusief btw is, dat zij ‘in dit geval’ een uurtarief van € 150 inclusief btw zal rekenen, maar dat het hogere tarief zal gelden als de Politie [de agente] kosten vergoedt of bereid is een minnelijke regeling te treffen of wanneer aan [de agente] in een rechterlijke uitspraak een geldelijke vergoeding wordt toegekend. Deze gevallen zijn toegesneden op de onderhavige zaak.
2.24.2
De brief van 4 mei 2015 (productie 1 bij inleidende dagvaarding) vermeldt:
“Naar aanleiding van ons kennismakingsgesprek, ontvangt u hierbij een bevestiging van de voorwaarden van mijn dienstverlening.
(…)
Mijn uurtarief bedraagt 240 euro inclusief BTW. Op dit uurtarief krijgt u een korting van 90 euro inclusief BTW. Deze korting komt te vervallen indien (…).
(…)
Op mijn dienstverlening zijn de meegezonden algemene voorwaarden van toepassing.
Vriendelijk verzoek ik u deze brief te ondertekenen en te retourneren.”
2.25
De brief van 4 mei 2015 strekt ertoe om naar aanleiding van een gesprek tussen [de juridische dienstverlener] en [de agente] de voorwaarden voor de dienstverlening, waaronder het kostenbeding, te bevestigen. Het gaat kennelijk om een tarief dat in dit geval afwijkt van het gebruikelijk door [de juridische dienstverlener] gehanteerde tarief en dat concreet voor deze overeenkomst is geformuleerd. Het stond [de agente] vrij om dit al dan niet te aanvaarden en met [de juridische dienstverlener] in zee te gaan. In het licht van deze omstandigheden is het hof kennelijk van oordeel geweest dat over het kostenbeding is onderhandeld. Dit oordeel is feitelijk van aard en kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het middel klaagt niet met de vereiste precisie over dit oordeel,35.maar houdt het bij een algemene klacht dat het hof heeft miskend dat het ambtshave moest nagaan of de Richtlijn oneerlijke bedingen van toepassing is en, indien het hof dat niet heeft miskend, geen inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang op dit punt (onderdeel IIA in nr. 18).
2.26
Hier komt bij dat het hof zich, anders dan het onderdeel veronderstelt, wel degelijk bewust is geweest van zijn verplichting om zo nodig ambtshalve te onderzoeken of een beding valt onder de Richtlijn oneerlijke bedingen en oneerlijk is. In rov. 3.3 heeft het hof immers ambtshalve geoordeeld dat het vervalbeding van art. 2.6 van de algemene voorwaarden van [de juridische dienstverlener] onredelijk bezwarend is.
2.27
De klachten van onderdeel IIA voor zover die zien op de Richtlijn oneerlijke bedingen, dienen daarom te falen bij gebrek aan feitelijke grondslag.
Onderdeel IIA: Richtlijn consumentenrechten
2.28
Het onderdeel klaagt in de kern: - ten eerste dat het hof heeft verzuimd ambtshalve te toetsen aan de Richtlijn consumentenrechten (art. 230l onder a en c BW en art. 6:230m lid 1 onder a en e BW) en, indien het hof dit niet heeft miskend, geen inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang op dit punt (nrs. 18 en 24); en- ten tweede dat de oordelen (in rov. 3.5) dat [de juridische dienstverlener] met de brief van 4 mei 2015 en de algemene voorwaarden (tijdig) afdoende informatie aan [de agente] deed toekomen omtrent de door haar aangegane financiële verplichtingen en (in rov. 3.4) dat [de juridische dienstverlener] aanspraak houdt op loon, getuigen van een onjuiste rechtsopvatting en/of onvoldoende zijn gemotiveerd in het licht van art. 6:230l onder a en c BW en art. 6:230m lid 1 onder a en e BW (nrs. 19-24 en 26).36.
2.29
Deze klachten lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Anders dan het middel veronderstelt, heeft het hof getoetst aan de in de klachten bedoelde artikelen. Wat betreft art. 6:230l onder a BW respectievelijk art. 6:230m lid 1 onder a BW volgt dit uit rov. 3.4. Wat betreft art. 6:230l onder c BW respectievelijk art. 6:230m lid 1 onder e BW volgt dit uit rov. 3.5, waarin het hof heeft overwogen dat [de juridische dienstverlener] voldoende duidelijkheid heeft verschaft over haar honorering.
2.30
2.31
Het middel richt zijn pijlen op de overwegingen van het hof over de kosten in rov. 3.5 en hamert er in de nrs. 19-24 en 26 op dat [de juridische dienstverlener] geen raming van de totale kosten gaf en geen tussentijdse urenspecificaties verzond en betoogt dat daarmee niet is voldaan aan de eisen die het arrest Uurtarief advocaat stelt. Het middel berust daarmee op een onjuiste rechtsopvatting. Het arrest Uurtarief advocaat betreft de vraag of een kostenbeding waarover niet is onderhandeld voldoende transparant is in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen. Ik denk niet dat deze rechtspraak een-op-een kan worden getransponeerd naar art. 6:230l onder c BW of art. 6:230m lid 1 onder e BW. Zo bepalen art. 6:230l onder c BW en art. 6:230m lid 1 onder e BW, dat als door de aard van de zaak of de dienst de prijs redelijkerwijs niet vooraf kan worden berekend, informatie moet worden gegeven over de manier waarop de prijs moet worden berekend. Dat heeft [de juridische dienstverlener] blijkens rov. 3.5 gedaan.
2.32
Het onderdeel richt voorts (in nr. 25) een rechtsklacht tegen rov. 3.31 voor zover daarin is geoordeeld dat het dat het contact zoeken door [de agente] met [de juridische dienstverlener] , wat [de agente] “ook wel begreep”, het aangeven door [de juridische dienstverlener] niet alle uren te factureren en het compenseren tussen wel en niet geschreven uren, het ontbreken van duidelijkheid over de financiële consequenties kan compenseren.
2.33
Deze klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Rov. 3.31 houdt niet het door de klacht veronderstelde oordeel in. Rov. 3.31 heeft betrekking op de berekening van het aantal uren en het daarmee samenhangende honorarium van [de juridische dienstverlener] .
Onderdeel IIB; Richtlijn consumentenrechten
2.34
2.35
In de eerste plaats klaagt onderdeel IIB (in nr. 27) dat dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd is. Daartoe wordt aangevoerd dat de omvang en inhoud van de werkzaamheden van een juridisch dienstverlener37.met een enkele aanduiding van het geschil en een opsomming van de op dat moment beoogde procedures, onvoldoende duidelijk is, te meer nu ook tussentijdse verantwoording van uren ontbrak en de juridische dienstverlening voor de gemiddelde consument complex is.
2.36
In de tweede plaats voert het onderdeel (in nr. 28) aan dat de informatieplichten van art. 6:230l onder a BW en art. 6:230m lid 1 onder a BW zijn geschonden, omdat met de opdrachtbevestiging en de algemene voorwaarden in mei 2015 slechts een mededeling over het uurtarief en de betalingsvoorwaarden is gegeven, zonder aanduiding over de omvang en inhoud van de opdracht (en de te verwachten financiële consequenties).
2.37.1
Deze klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Zij slagen niet.
2.37.2
Art. 6:230l onder a BW en art. 6:230m lid 1 onder a BW bepalen dat de handelaar voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst op duidelijke en begrijpelijke wijze (en in het geval van de overeenkomst binnen de verkoopruimte, voor zover deze niet reeds uit de context blijkt) informatie over de voornaamste kenmerken van de zaken of diensten moet verstrekken. Deze informatieplicht heeft voornamelijk tot doel de consument op de hoogte te stellen van de inhoud en de uitvoering van de overeenkomst.38.Het hof heeft in rov. 3.4 uitgebreid toegelicht welke dienst [de juridische dienstverlener] zou leveren (het verlenen van juridische bijstand in het conflict met de politie, met als doel het treffen van een regeling) en welke concrete handelingen zij zou uitvoeren (een melding van een misstand doen, een interne klacht indienen, de behandeling van het hoger beroep bij de CRvB, en het assisteren bij onderzoek naar een PTSS-syndroom). Dat oordeel getuigt noch van een onjuiste rechtsopvatting, noch van een onbegrijpelijke motivering.
2.37.3
De klachten gaan verder uit van een onjuiste rechtsopvatting voor zover zij veronderstellen dat de informatieplichten van de art. 6:230l onder a BW en art. 6:230m lid 1 onder a BW ook zien op de te verwachten financiële consequenties van de opdracht. Zij berusten op een onjuiste lezing van het bestreden arrest voor zover zij veronderstellen dat het hof in rov. 3.4 ook daarover een oordeel heeft gegeven en missen in zoverre feitelijke grondslag.Zij missen ook feitelijke grondslag voor zover zij veronderstellen dat het hof in dit verband betekenis heeft toegekend aan de opdrachtbevestiging en de algemene voorwaarden. Het hof heeft zijn oordeel in rov. 3.4 immers niet daarop gebaseerd.
2.38
In de derde plaats betoogt het onderdeel (in nrs. 28-32) dat het voornaamste kenmerk van de overeenkomst, te weten de inhoud van de opdracht, onduidelijk was, kort gezegd, omdat het hof in rov. 3.14, 3.19 en 3.26 oordeelt dat sommige delen van de vermeende opdracht niet zijn komen vast te staan. Het hof overweegt weliswaar over onduidelijkheden omtrent de inhoud en omvang van de opdracht, maar verbindt daaraan ten onrechte niet de conclusie dat voor [de agente] onduidelijk was waardoor de overeenkomst zich nu daadwerkelijk kenmerkte (nr. 33). Anders dan het hof overweegt in rov. 3.4, was er dus onduidelijkheid over de inhoud en omvang van de opdracht en de financiële consequenties daarvan en dus van schending van art. 6:230l onder a BW en art. 6:230m lid 1 onder a BW, zodat het hof had moeten vaststellen dat sprake was van een voldoende ernstige schending van deze informatieplichten en de overeenkomst geheel of gedeeltelijk (ambtshalve) moeten vernietigen op grond van art. 3:40 lid 2 BW (nr. 34).
2.39
Deze klacht slaagt niet. In rov. 3.4 stelt het hof vast dat voldoende duidelijk was welke diensten [de juridische dienstverlener] zou leveren en oordeelt het hof dat [de juridische dienstverlener] [de agente] over de voornaamste kenmerken hiervan voldoende heeft geïnformeerd. In rov. 3.12-3.15 buigt het hof zich over de vraag of de gefactureerde uren voor de uitvoering van die dienst in werkelijkheid zijn gemaakt (rov. 3.12).Dat het hof (in rov. 3.14-3.15) tot het oordeel komt dat niet is komen vast te staan dat sommige van de gedeclareerde uren daadwerkelijk zijn gemaakt (omdat bijvoorbeeld urenspecificaties ontbreken), betekent nog niet dat het voor partijen onduidelijk was wat de voornaamste kenmerken van die dienst was. Dit volgt ook niet uit de enkele vaststelling dat [de juridische dienstverlener] op onderdelen meer gefactureerd heeft dan gerechtvaardigd was. ’s Hofs oordeel getuigt daarom niet van een onjuiste rechtsopvatting, en is ook niet onbegrijpelijk.
2.40.1
Het voorgaande geldt ook voor de onderdelen van de dienstverlening waar het onderdeel meer specifiek naar verwijst.
2.40.2
Tot de afgesproken dienstverlening behoorde blijkens rov. 3.4 dat [de juridische dienstverlener] de behandeling van het hoger beroep bij de CRvB van de vorige dienstverlener zou overnemen. Toen kort daarop daarbij is gekomen dat [de juridische dienstverlener] [de agente] zou assisteren bij onderzoek naar door het werk veroorzaakt PTTS-syndroom, zou [de juridische dienstverlener] in dat kader uitstel vragen voor de behandeling van het hoger beroep bij de CRvB. Anders dan het onderdeel aanvoert (in nr. 29) heeft het hof dus niet overwogen dat slechts het verzoek om uitstel deel uitmaakt van de opdracht. Aan het door het onderdeel bestreden oordeel in rov. 3.4 doet niet af dat bepaalde werkzaamheden niet zijn gespecificeerd (rov. 3.12-3.15) of dat niet duidelijk is of het conceptberoepschrift de uren rechtvaardigt (rov. 3.14).
2.40.3
Volgens het hof is op 4 mei 2015 voor partijen duidelijk dat onderdeel van de opdracht was het indienen van een tuchtklacht tegen [mediator] (rov. 3.4). De door het onderdeel bestreden overweging van het hof in rov. 3.4 ziet (onder meer) op de kenmerken van die dienst. In rov. 3.18 overweegt het hof dat [de agente] onvoldoende heeft betwist dat de opdracht per oktober 2015 is uitgebreid tot het voeren van een civielrechtelijke procedure tegen [mediator] . Het hof oordeelt vervolgens in rov. 3.19 dat daarentegen niet is komen vast te staan dat [de agente] nadien opdracht heeft gegeven tot het starten van een voorlopig getuigenverhoor tegen [mediator] . Anders dan het onderdeel aanvoert (in nr. 30) valt niet in te zien waarom dit laatste oordeel maakt dat onvoldoende informatie is gegeven over de inhoud van de eerdere opdracht, nu het gaat om twee verschillende diensten (enerzijds het indienen van een tuchtklacht en anderzijds het starten van een voorlopig getuigenverhoor). Ook in zoverre is ’s hofs oordeel in rov. 3.4 niet onjuist en niet onbegrijpelijk.
2.40.4
Het onderdeel betoogt in nr. 31 dat de omvang van de opdracht met betrekking tot de inschakeling van de Ombudsman onduidelijk was. Het hof heeft geoordeeld dat [de agente] haar verweer dat zij geen opdracht heeft gegeven tot inschakeling van de Ombudsman onvoldoende heeft toegelicht en dat er geen aanleiding is de door [de juridische dienstverlener] opgevoerde uren voor de contacten met de Ombudsman buiten beschouwing te laten (rov. 3.24). In het licht hiervan valt niet in te zien dat ’s hofs oordeel in rov. 3.4 onjuist of onbegrijpelijk zou zijn.
2.40.5
In rov. 3.25 behandelt het hof de gefactureerde uren met betrekking tot de klacht tegen [betrokkene 4] . Het indienen van deze klacht was volgens het hof (rov. 3.4) geen onderdeel van de eerder overeengekomen opdracht. In rov. 3.26 overweegt het hof dat [de juridische dienstverlener] onvoldoende heeft gereageerd op het verweer van [de agente] dat zij geen opdracht van haar had om klachten tegen [betrokkene 4] in te dienen, zodat er geen reden was om 1,6 uur bij [de agente] in rekening te brengen. Ook hier geldt dat, anders dan het onderdeel (in nr. 32) aanvoert, niet valt in te zien waarom ’s hofs oordeel dat een latere opdracht niet is komen vast te staan, in dit geval maakt dat onvoldoende informatie is gegeven over een andere, eerder overeengekomen opdracht.
2.41
Het onderdeel herhaalt tot slot (in nr. 34) de klacht van nr. 25 van onderdeel IIA. Deze klacht faalt om de eerder in 2.33 gegeven reden.
Onderdeel III
2.42
Dit onderdeel klaagt ten eerste (in nr. 35) dat het onbegrijpelijk is dat het hof in de stellingen van [de agente] die zien op de onduidelijkheid van de inhoud en omvang van de opdracht, alsmede de financiële verplichtingen, geen aanleiding zag hierover anders dan bij een afweging van de verschillende posten te oordelen.
2.43
Deze klacht stuurt in wezen aan op een feitelijke herbeoordeling van de stellingen van [de agente] door de Hoge Raad. Daarvoor is in cassatie geen plaats.
2.44
Het onderdeel klaagt ten tweede (in nr. 36) over de overweging in rov. 3.3 en 3.7 dat [de agente] er in essentie over klaagt dat [de juridische dienstverlener] werkzaamheden heeft gefactureerd waarvoor zij geen opdracht heeft gegeven en dat [de juridische dienstverlener] te veel uren heeft gedeclareerd voor de haar wel opgedragen werkzaamheden. Volgens het onderdeel is deze overweging onbegrijpelijk in het licht van de stellingen van [de agente] over de onduidelijkheid van inhoud en omvang van de opdracht en de financiële verplichtingen.
2.45
Deze klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. In rov. 3.3 overweegt het hof dat “ [de agente] […] [de juridische dienstverlener] onder meer [heeft] verweten dat deze geen duidelijke opdrachtbevestiging heeft gestuurd over de omvang van de door deze te verrichten werkzaamheden.” De beoordeling daarvan vindt plaats in rov. 3.4 e.v. Daarin is het hof ook ingegaan op de stellingen van [de agente] over de over de onduidelijkheid van inhoud en omvang van de opdracht en de financiële verplichtingen.
2.46
Het onderdeel klaagt (in nr. 36) ook dat voor zover het hof de stellingen uit eerste aanleg niet heeft meegewogen in zijn beslissing, het hof tevens de devolutieve werking van het appel heeft miskend en essentiële stellingen van [de agente] onbehandeld heeft gelaten, althans zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd.
2.47
Deze klacht faalt omdat zij niet met bepaaldheid en precisie aangeeft welke stellingen van [de agente] uit de eerste aanleg het hof onbehandeld zou hebben gelaten en waaruit dit zou blijken.
Onderdeel V; slotsom
2.48
Onderdeel V betreft een louter op de voorgaande klachten voortbouwende klacht. Nu de voorgaande klachten niet slagen, geldt hetzelfde voor dit onderdeel.
2.49
De slotsom is dat de klachten van het middel niet slagen, zodat het cassatieberoep moet worden verworpen.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Plv.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 04‑07‑2025
Zie, meer uitgebreid, Rb. Overijssel 5 april 2022, ECLI:NL:RBOVE:2022:1084, rov. 2.1-2.8 en hof Arnhem-Leeuwarden 25 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4271, rov. 2.1 en 3.1.
Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, PB L 95 van 21 april 1993 (zoals gewijzigd door Richtlijn (EU) 2019/2161 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 tot wijziging van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad en Richtlijnen 98/6/EG, 2005/29/EG en 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad wat betreft betere handhaving en modernisering van de regels voor consumentenbescherming in de Unie, PB L 328 van 18 december 2019).
Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van Richtlijn 199/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 85/577/EEG en van Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad, PbEU 2011, L 304/64 ((zoals gewijzigd door Richtlijn (EU) 2019/2161).
HvJEU 12 januari 2023, C-395/21, ECLI:EU:C:2023:14, NJ 2024/268 m.nt. M.B.M. Loos.
HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677, NJ 2022/89 m.nt. C.M.D.S. Pavillon, JOR 2022/52 m.nt. F.P.C. Strijbos, TvC 2022, afl. 3, p. 139 m.nt. T. Jonkers, AA20230282 m.nt. W.H. van Boom.
HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, NJ 2014/274 m.nt. H.B. Krans, JBPr 2014/2 m.nt. F.J.H. van Hovens, AA20140358 m.nt. W.H. van Boom, JIN 2013/179 m.nt. F. Oostlander, TvC 2013/ 6 m.nt. M.B.M. Loos & R.R.M. de Moor, TvPP 2014/3 m.nt. C.M.D.S. Pavillon (Heesakkers/Voets), rov. 3.9.1-3.9.2); HR 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:340, NJ 2017/214 m.nt. H.B. Krans, JBPr 2016/36 m.nt. D.F.H. Stein, JOR 2016/116 m.nt. A.S. Hartkamp, WR 2016/58 m.nt. F. van der Hoek, UDH:TvHB/13182 m.nt. J.M. Winter-Bossink en N. Amiel (Stichting Trudo), rov. 3.4.2-3.4.3.
En voorts moet de overeenkomst binnen het temporele toepassingsbereik van de Richtlijn oneerlijke bedingen vallen. Zie HR 29 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:769, NJ 2018/41 m.nt. H.B. Krans, TBR 2016/193 m.nt. van C.M.D.S. Pavillon en F.J. Vonck, JIN 2016/133 m.nt. E.E. van der Kamp, rov. 5.1.4.
HR 23 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:820, rov. 3.1.2 (Proceskostenbeding). Zie voorts HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1830, NJ 2022/204 m.nt. Jac. Hijma (Euriborhypotheken), rov. 3.2.1 e.v.; HR 10 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:198, NJ 2023/177 m.nt. C.M.D.S. Pavillon (Kinderopvang), rov. 3.8.3-3.8.4.
Zie onder meer HvJEU 21 december 2023, C-395/21, ECLI:EU:C:2023:14, NJ 2024/268 m.nt. M.B.M. Loos, punt 47; HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1830, NJ 2022/204 m.nt. Jac. Hijma (Euriborhypotheken), rov. 2.6.
Ik besprak dit in mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2025:72, onder 5.41 e.v.) voor HT 11 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:72.
M.B.M. Loos in diens noot in NJ 2024/268 onder 8; L.A.D. Keus, Eurpees privaatrecht (Mon. BW A30), 2024/47 (die op p. 85 spreekt van ‘koffiedik kijken’’); J.A. Braspenning, ‘No Pay, No Cure: over de implicaties van HvJ EU 12 januari 2023, C-395/21 voor de relatie tussen advocaten en consumenten in Nederland’, TvC 2023/2, p. 56.
Vgl. M.B.M. Loos, Algemene Voorwaarden, 2024/240i; M.B.M. Loos, in diens noot in NJ 2024/268 onder 8; J.J.A. Braspenning, ‘Enkele observaties bij recente rechtspraak over kostenbedingen in overeenkomsten tussen advocaten en particuliere cliënten’, TvC 2024/2, p. 72; M.B.M. Loos, ‘Glashelder, toch? Het transparantievereiste in het algemene voorwaarden-recht’, NTBR 2023/28, p. 271; J.J.A. Braspenning, ‘No Pay, No Cure: over de implicaties van HvJ EU 12 januari 2023, C-395/21 voor de relatie tussen advocaten en consumenten in Nederland’, TvC 2023, p. 56-57 en 60 -6; M.Y. Schaub, ‘De vergaande gevolgen van oneerlijke (kern)bedingen’, ORP 2023/7 p. 6.
Zie bijvoorbeeld Hof ’s-Hertogenbosch 25 maart 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:822, rov. 6.11; Hof Arnhem-Leeuwarden 19 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1962, rov. 3.8; Rb. Noord-Holland 20 april 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:3398, rov. 2.8.
Hof Amsterdam 25 april 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:949, rov. 2.8, woog mee dat de cliënt uit het verleden al in zekere mate bekend was met juridische dienstverlening door de advocaat en de daarmee samenhangende kosten.
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam 21 februari 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:440, SEW 2023, afl. 4, p. 196, TvPP 2023, afl. 3, p. 105, rov. 2.9.
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam 18 februari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:440, rov. 5.7.
Bijvoorbeeld: Hof Amsterdam 3 mei 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1257, rov. 3.18; Rb. Gelderland 21 mei 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:3496, rov. 4.6; Rb. Midden-Nederland 14 augustus 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:4965, JA 2025/7 m.nt. J.D. Kraaikamp, rov. 2.8; Rb. Rotterdam 1 december 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:11345, rov. 2.6; Rb. Amsterdam 10 november 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:7264, rov. 4.3; Rb. Amsterdam 10 november 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:7265, rov. 3.6; Rb. Amsterdam 16 januari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:2063, rov. 6 en 8.Vgl. voorts Hof Amsterdam 9 januari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:42, rov. 2.1-2.1 (transparant: periodieke facturering en kosteninschatting: Hof Amsterdam 23 januari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:153, rov. 4.7 (niet transparant; uurtarief niet genoemd en geen urenschatting); Hof Arnhem-Leeuwarden 8 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6225, RCR 2025/7, rov. 3.20-3.21 (niet transparant: gespecialiseerde letselschadeadvocaat die zaak overnam had inschatting tijdsbeslag kunnen maken; geen tussentijdse declaratie); Hof ’s-Hertogenbosch 25 maart 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:822, rov. 6.11 (niet transparant; uurtarief niet genoemd en geen urenschatting).
Rb. Amsterdam 20 december 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:8253, Prg. 2024/62, NJF 2024/96, rov. 4.6-4.8.
Rb. Amsterdam 18 januari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:18, rov. 9; Rb. Amsterdam 19 januari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:151, rov. 9.
Volgens J.J.A. Braspenning, TvC 2024/2, p. 72, staat zij haaks op het arrest van het HvJEU.
Vgl. Loos in diens noot in NJ 2024/268 onder 9 (“De door het Hof (in punt 44) gesuggereerde contractuele verplichting tot tussentijdse facturen en verslagen brengt niet mee dat de consument op het moment van contractsluiting al kan inschatten wat bij benadering de totale kosten van de dienstverlening zullen zijn, en lijkt daarmee niet te voldoen aan de eisen die het Hof zelf stelt.”); Rb. Den Haag 12 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:3262, rov. 4.3 (“Dat [handelsnaam] [gedaagde] gedurende het uitvoeren van de opdracht meermaals heeft gewezen op de oplopende kosten en tussentijds heeft gefactureerd, maakt dat niet anders. Daaruit kan immers niet volgen dat [gedaagde] al vóórafgaand aan het sluiten van de overeenkomst het nodige inzicht heeft kunnen krijgen in de financiële consequenties van de overeenkomst.”).
Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 8 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6225, RCR 2025/7, rov. 3.21.
In de toelichting op art. 7.5 Verordening op de advocatuur (Voda) wordt gesteld: “Het Hof van Discipline onderstreept in haar vaste jurisprudentie het belang van artikel 7.5 van de Voda (o.a. in HvD, d.d. 8 juli 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:183 en HvJEU, d.d. 12 januari 2023, C-395/21, ECLI:C:EU:2023:14). Een advocaat is gehouden om belangrijke afspraken, zoals de opdrachtbevestiging en afspraken over het in rekening brengen van het honorarium, schriftelijk vast te leggen.” Zie het Besluit van de algemene raad van 4 november 2024, inhoudende de wijziging van de toelichting op de Verordening op de advocatuur in verband met de periodieke actualisatie van regelgeving (Wijzigingsbesluit toelichting Voda 2024, nr. 2), Stcrt. 2024/41209, art. I onder K.
Richtlijn Sanctiemodel informatieplichten, vastgesteld door het LOVCK op 15 december 2021, laatstelijk gewijzigd op 6 februari 2025 (te raadplegen via de website van de Rechtspraak), p. 1.
Zie bijvoorbeeld hof Amsterdam 13 mei 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1257, rov. 3.17; Rb. Midden-Nederland 8 januari 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:1481, rov. 2.2-2.4; Rb. Noord-Holland 6 maart 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:1413, rov. 2.2; Rb. Oost-Brabant 6 maart 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:1323, RVR 2025/40, rov. 4.8; Rb. Amsterdam 8 april 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:486, rov. 2.2; Rb. Noord-Holland 16 april 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:5626, rov. 2.2; Rb. Gelderland 14 mei 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:3496, rov. 4.11.
C.M.D.S. Pavillon & L.B.A. Tigelaar, ‘Een prijskorting voor de consument bij gebrekkige informatieverstrekking: een onevenredige sanctie’, NTBR 2022/28, p. 232; M.B.M. Loos & C.M.D.S. Pavillon, ‘Civielrechtelijke sancties op de schending van informatieplichten. Handvatten voor ambtshalve toetsingspraktijk aan de Richtlijn consumentenrechten’, NJB 2020/1888, p. 2128; J.W. Rutgers & J.J. Valk, T&C BW, art. 6:230l BW, aant. 4; M.Y. Schaub, GS Verbintenissenrecht, art. 6:230l BW, aant. A; (impliciet) M.B.M. Loos, Algemene voorwaarden, 2024, p. 164; T.J.K. van Santen & S.M. Depman, ‘Het arrest van de Litouwse advocaat en aanneming van werk: een nuancering van de gevolgen van een (oneerlijk) kostenbeding’, Contracteren 2024/3, p. 95; (voorzichtiger) J.J.A. Braspenning, ‘Enkele observaties bij recente rechtspraak over kostenbedingen in overeenkomsten tussen advocaten en particuliere cliënten, TvC 2024-2, p. 75.
HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1725, NJ 2021/396 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, JOR 2022/54 en TvC 2022, p. 197 m.nt. J.J. Dammingh (Airbnb), rov. 3.4.2. Zie voorts HvJEU 21 december 2023, C-395/21, ECLI:EU:C:2023:14, NJ 2024/268 m.nt. M.B.M. Loos (Uurtarief advocaat), punten 32 en 34.
Vgl. HvJEU 15 januari 2015, C537/13, EU:C:2015:14, NJ 2015/331 m.nt. B.J. Drijber (Šiba), punt 31; HvJEU 9 juli 2020, ECLI:EU:C:2020:536 (Ibercaja Banco), punten 35-38; HvJEU 30 mei 2024, ECLI:EU:C:2024:443, RCR 2024/59 (Raiffeisen Bank), punt 45.
Ik heb “voor te stellen” ingevoegd. Een werkwoord ontbreekt in het origineel.
M.B.M. Loos, Algemene voorwaarden, 2024/6c.
HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1725, NJ 2021/396 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, JOR 2022/54 enTvC 2022, p. 197 m.nt. J.J. Dammingh (Airbnb).
Zie bijvoorbeeld Rb. Gelderland 14 mei 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:3496, rov. 2.1-2.3 en 4.5.; Rb. Gelderland 7 mei 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:3738, rov. 2.3 en 4.7; Rb. Midden-Nederland 8 januari 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:1481, rov. 2.6-2.7; Rb. Amsterdam 16 januari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:2063, rov. 5; Rb. Den Haag 12 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:3262, rov. 2.2 en 4.1.
Zo ten aanzien van advocatentarieven Hof Amsterdam 26 november 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:3269, rov. 2.14; Hof ’s-Hertogenbosch 25 maart 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:822, rov. 619.
Zie bijvoorbeeld Rb. Amsterdam 1 maart 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:1225, rov. 5; Rb. Midden-Nederland 3 april 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:2139, rov. 2.7.
Zie HR 5 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6196, NJ 2013/124, JBPr 2011/6 m.nt. R.P.J.L. Tjittes, rov. 3.4.1.
De klacht verwijst in nr. 25 ook naar de nrs. 15-16 van de procesinleiding. Ik denk dat bedoeld is te verwijzen naar nrs. 16-17 over de Richtlijn consumentenrechten.
De klacht spreekt van een advocaat.
Zie mijn conclusie voor Arvato I, ECLI:NL:PHR:2021:758, onder 4.7. Zie voorts de conclusie van AG Drijber, ECLI:NL:PHR:2025:166, onder 3.18 e.v.
Beroepschrift 06‑08‑2024
PROCESINLEIDING VORDERINGSPROCEDURE BIJ DE HOGE RAAD
Eiseres van cassatie:
[de agente], (hierna: [de agente]), wonende te [woonplaats], voor deze zaak domicilie kiezende te (2582 GM) Den Haag aan de Statenlaan 28, ten kantore van Alt Kam Boer advocaten van wie mrs. W.A. Jacobs en H.J.W. Alt, beiden advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, door requirante als zodanig zijn aangewezen om haar als zodanig te vertegenwoordigen in na te melden cassatieprocedure,
stelt cassatieberoep in tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, gewezen in hoger beroep op 25 juni 2024 onder zaaknummer 200.315.299, tussen requirante als geïntimeerde in hoger beroep, alsmede gerequireerde als appellant (hierna: het arrest).
Verweerster in deze is:
[de juridische dienstverlener] B.V. gevestigd in Beilen (hierna: [de juridische dienstverlener]), voor wie in hoger beroep als procesadvocaat is opgetreden mr. J.M.E. Hamming, kantoorhoudende te (9207 KD) Drachten aan het Zilverschoon 62 (Juist Just Advocatuur BV).
Verweerster kan in deze cassatieprocedure ten laatste verschijnen op woensdag 23 oktober 2024. Daarnaast wordt de verweerster erop gewezen dat de enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad der Nederlanden vorderingszaken, zoals de onderhavige, behandelt op vrijdagen om 10.00 uur(zie: art. 3.1.4.4. van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden) in het gebouw van de Hoge Raad der Nederlanden aan het Korte Voorhout 8 te Den Haag.
[de agente] voert tegen het aangevallen arrest het navolgende aan:
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan niet-inachtneming nietigheid medebrengt, doordat het Hof bij het te dezen bestreden arrest heeft overwogen en beslist gelijk in her arrest van het of vermeld — hier als herhaald en ingelast te beschouwen — ten onrechte om één of meer van de navolgende — zo nodig in onderling verband en samenhang te beschouwen — redenen.
A. Kern van de zaak: er is sprake van een oneerlijk beding zodat het hof de vordering geheel had moeten afwijzen en [de juridische dienstverlener] in de kosten moeten veroordelen.
1.
[de juridische dienstverlener], de rechtspersoon via welke de heer F. van de Nadort de praktijk als juridisch adviseur uitoefent, heeft in mei 2015 de juridische bijstand aan [de agente] van een voorganger overgenomen.
2.
Ten tijde van het sluiten van de overeenkomst heeft [de juridische dienstverlener] aan [de agente] in een opdrachtbevestiging met algemene voorwaarden slechts een uurtarief, de reductie daarop en de betalingswijze laten weten. De (omvang van de) te verrichten proceshandelingen en een raming van de daaruit voortvloeiende kosten werden niet gecommuniceerd.
3.
[de agente] ontving tijdens de looptijd van de overeenkomst geen urenoverzichten maar enkel voorschotfacturen, een factuur gedateerd 22 mei 2015 en een factuur die op 18 augustus 2015 werd gevolgd door een tweede, gewijzigde factuur. In deze laatste factuur is meer dan de helft van het in rekening gebrachte aantal uren onterecht in rekening gebracht (zie rov 3.5 van het hof). [de agente] is door de gang van zaken niet, dan wel onvoldoende, in staat geweest de reikwijdte van de overeenkomst en haar financiële verplichtingen in beeld te krijgen.
4.
[de juridische dienstverlener] vordert met een eindafrekening een fors bedrag van [de agente] en het hof wijst dit (gedeeltelijk) toe. Dit oordeel is in strijd met hetgeen geldt op grond van Richtlijn oneerlijke bedingen1. en Richtlijn 2011/83/EU2., de daarop gebaseerde bepalingen in het BW en de jurisprudentie van de HvJEU en de Hoge Raad omtrent (kern)bedingen in overeenkomsten met consumenten zoals [de agente]. Dit leidt dan tot de navolgende klachten.
5.
Behoudens de in deze procedure aan de orde zijnde slotnota heeft [de agente] al € 14.100,87 aan [de juridische dienstverlener] betaald. Zij is er pas onlangs achter gekomen dat zij dit bedrag, zoals uit het navolgende blijk, ten onrechte heeft betaald. Zij behoudt zich uitdrukkelijk het recht voor om dit bedrag al dan niet in een separate procedure te vorderen. Voor zoveel nodig stuit zij hierbij daartoe elke verjaring.
B. Klachten
De klachten I t/m III zijn gericht tegen rovv. 3.3 t/m 3.7, waarin het hof — heel kort gezegd — vaststelt wat de opdracht en het onderwerp van de dienstverlening is en tegen rovv. 3.1, 3.8 t/m 3.37 en het dictum, waarin het hof de vordering van [de juridische dienstverlener] inhoudelijk behandelt en gedeeltelijk toewijst.
Kort samengevat komen de klachten tegen de voornoemde rechtsoverwegingen er onder meer op neer dat het hof heeft miskend dat er, zeker gelet op de vaststellingen door het hof in rovv. 3.3 t/m 3.6 sprake is van een oneerlijk beding, omdat [de agente] de voornaamste kenmerken van de overeenkomst niet duidelijk waren en omdat de afspraak terzake van het honorarium haar niet in staat stelde een inschatting van haar financiële verplichtingen te maken, terwijl tussentijdse urenverantwoording ontbrak. Het hof had dit ambtshalve moeten toetsen en de betreffende bedingen in de overeenkomst ambtshalve buiten toepassing moeten te laten, ook indien dit betekent dat daarom in het geheel geen vergoeding verschuldigd is. Het hof heeft dit miskend en ten onrechte de vordering van [de juridische dienstverlener] tot betaling van haar honorarium deels toegewezen. Het hof had de vorderingen ook in hoger beroep integraal moeten afwijzen.
Ter toelichting en verdere uitwerking dient het navolgende.
Vereisten ten aanzien van de duidelijkheid van een (kosten)beding
I A. Richtlijn oneerlijke bedingen, HvJEU 12 januari 2023, C-395/21 (D.V. (Honoraires d'avocat — Principe du tarif horaire)
6.
Het hof miskent in de hierboven genoemde overwegingen het navolgende. De verplichting van de opdrachtgever om de vergoeding van de advocaat (of zoals in casu: de juridische dienstverlener) te betalen en het tarief daarvoor, behoort tot de bedingen die de kern van de contractuele verhouding bepalen. Volgens art. 4 lid 2 Richtlijn 93/13 moet ook een dergelijk beding duidelijk zijn. Niet volstaat dat een beding formeel en grammaticaal begrijpelijk is: het vereiste moet ruim worden opgevat, zie rov 36 van HvJEU 12 januari 2023, C-395/21 (D.V. (Honoraires d'avocat — Principe du tarif horaire), hierna ‘HvJEU C-395/21’).
7.
Artikel 4, lid 2, van de Richtlijn oneerlijke bedingen moet volgens het HvJEU (rov. 45 HvJEU C-395/21) aldus worden uitgelegd dat een beding in een tussen een advocaat (of juridisch dienstverlener) en een consument gesloten overeenkomst voor het verrichten van juridische diensten waarin de kosten van deze diensten worden vastgelegd op basis van een uurtarief zonder dat de consument, vóórdat de overeenkomst wordt gesloten, informatie ontvangt die hem in staat stelt om met de nodige voorzichtigheid en met volledige kennis van de economische consequenties die het sluiten van deze overeenkomst met zich brengt zijn beslissing te nemen, niet voldoet aan het vereiste dat bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd in de zin van deze bepaling.
Consument moet de financiële consequenties van de opdracht kunnen inschatten
8.
Van [de juridische dienstverlener] mocht verwacht worden (zie rov. 37 HvJEU C-395/21) dat zij in de overeenkomst de concrete werking van het mechanisme waarop het kostenbeding betrekking heeft en de verhouding tussen dit mechanisme en het mechanisme dat is voorgeschreven door andere bedingen, op een transparante wijze uiteenzette. Dit zodat [de agente] op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria de economische gevolgen die er voor haar voortvloeien uit de overeenkomst kan inschatten.
9.
Ook als de uiteindelijke financiële consequenties van de verbintenis afhangen van onvoorzienbare toekomstige gebeurtenissen waarover de advocaat (of in casu de juridische dienstverlener) geen controle heeft, neemt dit volgens het HvJEU (rov 43 HvJEU C-395/21) niet weg dat de informatie die hij moet verstrekken vóórdat de overeenkomst wordt gesloten, de consument in staat moet stellen om met de nodige voorzichtigheid zijn beslissing te nemen, met volledige kennis van de mogelijkheid dat dergelijke gebeurtenissen zich voordoen en de gevolgen die deze kunnen hebben voor de duur van de desbetreffende juridische diensten.
Mededelen uurtarief is onvoldoende
10.
Het enkel mededelen van het uurtarief is onvoldoende, de informatie die de consument van de advocaat of juridische dienstverlener krijgt moet aanwijzingen bevatten die een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument in staat stellen bij benadering de totale kosten van de diensten te ramen (rov 40 HvJEU C-395/21). Het zou daarbij kunnen gaan (rov 44 HvJEU C-395/21) om een raming van het voorzienbare of minimale aantal uren dat nodig is om een bepaalde dienst te verlenen, of een verbintenis om met redelijke tussenpozen tussentijdse facturen of verslagen te bezorgen waarin het aantal reeds gepresteerde werkuren wordt vermeld.
Plicht tot ambtshalve onderzoek door de rechter
11.
Een nationale rechter is gehouden, zo nodig ambtshalve, na te gaan of een contractueel beding valt onder Richtlijn oneerlijke bedingen en, zo ja, te onderzoeken of dit beding oneerlijk is, HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, rov. 3.5.3, bij bedingen die verband houden met het voorwerp van het geding zoals dat door de partijen is omschreven in hun vorderingen en middelen: HvJ EU 11 maart 2020, nr. C-511/17, NJ 2020/374 (Lintner), punt 28. Nu de omvang van de (omvang van de) opdracht aan [de juridische dienstverlener] en de (eind)facturatie door [de juridische dienstverlener] in dit geding aan de orde zijn, had het hof dus moeten nagaan of de in het geding aan de orde zijnde bedingen vielen onder Richtlijn consumentenrechten of de Richtlijn oneerlijke bedingen en had moeten toetsen of het beding oneerlijk is.
Hof heeft dat ambtshalve onderzoek hetzij nagelaten hetzij daarvan geen blijk gegeven
12.
Om na te gaan of het beding oneerlijk is had het hof als nationale rechter, in het licht van alle omstandigheden van het geval, eerst na te gaan of het vereiste van goede trouw is nageleefd en vervolgens of er sprake is van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument. Daarbij is het gebrek aan transparantie één van de factoren die het hof mee had moeten wegen (zie rov 47–49 van het arrest van het HvJEU C-395/21), maar kan dit aspect ook op zichzelf genomen al leiden tot het oordeel dat het beding onredelijk bezwarend (oneerlijk) is, HR 22 november 2018, NJ 2022/204 m.nt. Hijma (ABN AMRO/SDB).
13.
De vaststelling dat een (kosten)beding oneerlijk is leidt er toe dat de nationale rechter dit beding volgens het HVJEU ambtshalve buiten toepassing dient te laten, tenzij de consument zich daartegen verzet. Het is de rechter niet toegestaan de inhoud van een oneerlijk beding aan te passen tot een toelaatbaar beding, het beding moet in zijn geheel buiten toepassing blijven, HvJ EU 14 juni 2012, NJ 2012/512 (Banesto) en HR 22 november 2018, NJ 2022/204 m.nt. Hijma (ABN AMRO/SDB). Het herstel van de situatie waarin de consument zich zonder dat beding zou hebben bevonden betekent in beginsel, ook in het geval dat de diensten reeds zijn verricht, dat de consument bevrijd is van de verplichting om de op basis van dat beding vastgestelde vergoeding te betalen (rov 58 arrest HvJEU C-395/21).
14.
Het HvJEU oordeelde dat indien na de schrapping van het kostenbeding de overeenkomst niet kan voortbestaan, artikel 6, lid 1, van Richtlijn oneerlijke bedingen er niet aan in de weg staat dat de overeenkomst nietig wordt verklaard, ook als de advocaat dan geen vergoeding voor zijn diensten verkrijgt (rov 59 arrest HvJEU C-395/21). Indien de verwijzende rechter vaststelt dat de nietigverklaring van de betrokken overeenkomst in zijn geheel uiterst nadelige consequenties zou hebben voor de consument, kan deze rechter het kostenbeding vervangen door een nationale bepaling van aanvullend consumentenrecht of een nationale bepaling waarover de partijen bij die overeenkomst het eens zijn dat zij wordt toegepast. Dit mag er evenwel niet toe leiden dat de rechter een vergoeding aan de advocaat toekent op grond van een eigen raming (rov 63 arrest HvJEU C-395/21).
15.
Indien (betalings)condities zijn opgenomen in de algemene voorwaarden die in het geval van [de agente] bij de brief van 4 mei 2015 zaten, ingevolge het arrest HvJEU 24 februari 2022, C-536/20 (Tiketa) rovv 45–46 ‘meetellen’ bij de door [de juridische dienstverlener] verschafte informatie geldt het volgende. Voor zover dit beding een wezenlijke prestatie vastlegt die kenmerkend is voor die overeenkomst is dit een bepaling, ook al staat deze in de algemene voorwaarden, die ziet op de essentie van de overeenkomst en valt deze daarmee ook binnen de werkingssfeer van art. 4, lid 2, van Richtlijn oneerlijke bedingen dat ziet op kernbedingen (zie HvJEU 20 september 2017, Andriciuc e.a., C-186/16, EU:C:2017:703, punten 35–41), zodat dit beding in samenhang met de brief van 4 mei 2015 duidelijk moet zijn geformuleerd, zie de in nr 7 hierboven vermelde rov 37 van het arrest HvJEU C-395/21. Voor zover dit beding kwalificeert als een algemene voorwaarde moet het op grond van art. 5 Richtlijn oneerlijke bedingen en art. 6:238 BW eveneens begrijpelijk en duidelijk zijn geformuleerd.
I B. Artikel 6:2301 en art. 230m, HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677
16.
[de juridische dienstverlener] is als opdrachtnemer van de consument [de agente] bovendien gehouden aan de verplichtingen van art. 6:2301 aanhef en onder a en c BW en art. 230m lid 1 aanhef en onder a en e BW, zoals gebaseerd op Richtlijn consumentenrechten, te voldoen. Zowel de informatieplicht omtrent de voornaamste kenmerken van de diensten (art. 230m lid 1 aanhef en onder a BW), als de informatieplicht over de totale prijs (art. 230m lid 1 aanhef en onder e BW) zijn voor een op afstand of buiten de verkoopruimte gesloten overeenkomst door de Hoge Raad aangemerkt als essentiële informatieplichten, zie HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677, NJ 2022/89, m.nt. Pavillon overweging 3.1.11. In de praktijk wordt er van uitgegaan dat de beslissing van de Hoge Raad ook richtinggevend is voor de sanctionering van de schending van de informatieverplichtingen uit art. 6:2301 BW indien de consument de overeenkomst in een verkoopruimte sluit3., zodat ook voor art. 6:230 1 a en e BW geldt dat dit essentiële informatieplichten zijn.4.
17.
Ook met betrekking tot deze essentiële informatieplichten dient door de rechter ambtshalve toetsing en toepassing van sancties plaats te vinden. De verstrekte informatie moet correct, helder en ondubbelzinnig zijn en tijdig voor de sluiting van een schriftelijke overeenkomst of, indien er geen schriftelijke overeenkomst is, vóór de verrichting van de dienst worden meegedeeld of beschikbaar gesteld (art. 6:230 e BW). Het essentiële karakter brengt volgens de Hoge Raad tevens mee dat bij een voldoende ernstige schending van deze informatieplichten de gesloten overeenkomst geheel of gedeeltelijk ambtshalve vernietigd moet worden op grond van art. 3:40 lid 2 BW.
II. Het arrest van het hof voldoet niet aan de in onderdelen IA en IB weergegeven vereisten
II A. Kosten
18.
Het hof miskent in het aangevallen arrest dat het ambtshalve moest nagaan of bedingen uit de overeenkomst tussen [de juridische dienstverlener] en [de agente] vallen onder Richtlijn oneerlijke bedingen (en art. 6:233-6:238 BW) of Richtlijn consumentenrechten (en art. 6:2301 aanhef en onder a en c BW en art. 230m lid 1 aanhef en onder a en e BW) en vervolgens of het op grond van die regelgeving een oneerlijk beding betreft. Indien het hof dat niet heeft miskend, dan heeft het in elk geval geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang op dit punt, zodat het arrest niet toereikend is gemotiveerd. Althans is in dat geval het oordeel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk.
19.
Het hof heeft over de duidelijkheid over de (totale) kosten vastgesteld dat [de juridische dienstverlener] de omvang van de opdracht niet schriftelijk heeft bevestigd (rov. 3.4). Ook stelde het hof vast dat in de brief van 4 mei 2015 over (te verwachten) kosten voor [de agente] niet meer of anders is opgenomen dan (rov. 3.5) het gereduceerde uurtarief en de omstandigheden waarin het gewone tarief weer zou gelden. Voorts stelt het hof vast dat het ontbrak aan tussentijdse urenspecificaties nu [de juridische dienstverlener] weliswaar urenspecificaties overlegde bij dagvaarding, maar tegenover de voldoende uitgewerkte betwisting door [de agente] onvoldoende heeft gesteld over maandelijkse toezending van urenspecificaties aan [de agente] (rovv. 3.3 en 3.10).
20.
Ook in combinatie met de algemene voorwaarden schept [de juridische dienstverlener] geen duidelijkheid voor [de agente] over de (totale) kosten. In art. 2 (productie 1 bij dagvaarding) staan enkel de betalingscondities (waarvan art. 2.6 door het hof in rov. 3.3 onredelijk bezwarend wordt geoordeeld).
21.
Daarnaast overweegt het hof over de periode waarop de factuur van 18 augustus 2015 ziet. In rov. 3.15 overweegt het hof dat [de juridische dienstverlener] (ook in dit geding) geen urenspecificatie heeft overgelegd en onvoldoende stelde op basis waarvan kan worden vastgesteld dat zij de in de factuur gedeclareerde 22,3 uur heeft besteed aan het bewerkstelligen van een aanhouding van de mondelinge behandeling bij de CRvB van 9 juli 2015. Het hof schat dan dat 11 uren als ongeveer de helft van het aantal gedeclareerde uren zijn besteed, zodat 11,3 uren niet voor vergoeding in aanmerking komen.
22.
Het hof overweegt over de voorschotnota 15130 in oktober 2015 (rov. 3.11) dat [de juridische dienstverlener] een voorschot van € 2.420 inclusief btw in rekening heeft gebracht die volgens [de agente] nooit is verantwoord. Het hof stelt vervolgens vast, na een eigen berekening aan de hand van pas in dit geding door [de juridische dienstverlener] gegeven verantwoording, dat het € 600,- van het in rekening gebrachte bedrag plausibel acht.
23.
Daarmee stelt het hof dus vast dat [de juridische dienstverlener]:
- —
geen raming van de totale kosten gaf,
- —
geen tussentijdse urenspecificaties verzond,
- —
tijdens de dienstverlening, die liep van mei 2015 tot en met februari 2016, alleen in mei en augustus 2015 een factuur toezond waarvan de laatste volgens het hof voor meer dan de helft van het bedrag ook in dit geding niet te verantwoorden was,
- —
een voorschotnota die nooit richting [de agente] werd verantwoord en slechts voor een kwart van het aantal uren te verantwoorden was in dit geding, bij [de agente] in rekening bracht.
24.
Met deze vaststellingen, gaat het hof in rov. 3.5 met het oordeel dat [de juridische dienstverlener] desalniettemin met de brief van 4 mei 2015 en de algemene voorwaarden (tijdig) afdoende informatie aan [de agente] deed toekomen omtrent de door haar aangegane financiële verplichtingen en in rov. 3.4 dat [de juridische dienstverlener] aanspraak houdt op loon, uit van een onjuiste rechtsopvatting en/of is dit oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk:
- —
In het oordeel is niet (kenbaar) meegewogen hetgeen op grond van de Richtlijn oneerlijke bedingen art. 4, lid 2 en art. 5 (en art. 6:238 lid 2 BW in verbinding met 6:233 sub a BW) zoals uitgelegd in HvJEU C-395/21 van [de juridische dienstverlener] verwacht mocht worden, zie onder I A nrs 6 tot en met 9.
- —
Ook oordeelde het hof in strijd met hetgeen ingevolge de Richtlijn consumentenrechten (en de artikelen 6:2301 lid 1 aanhef en onder c BW en 6:230m aanhef en onder e BW) van [de juridische dienstverlener] verwacht had mogen worden, zie hierboven nrs. 15 en 16. Het hof had ambtshalve moeten nagaan of [de juridische dienstverlener] aan deze verplichtingen voldeed of dat het oneerlijke bedingen betrof, zie de nrs 10–11 en 15–16 en nu het hof dit naliet gaat het in zijn oordeel uit van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel heeft het zijn oordeel niet voldoende gemotiveerd.
25.
Voor zover het hof in rov. 3.31 oordeelt dat het contact zoeken door [de agente] met [de juridische dienstverlener], wat [de agente] ‘ook wel begreep’, het aangeven door [de juridische dienstverlener] niet alle uren te factureren en het compenseren tussen wel en niet geschreven uren, het ontbreken van duidelijkheid over de financiële consequenties kan compenseren, dan getuigt ook dit van een onjuiste rechtsopvatting nu [de juridische dienstverlener] [de agente] vooraf aan het sluiten van de overeenkomst die duidelijkheid had moten bieden dan wel ten tijde van de overeenkomst via urenverantwoording had moeten geven, zie de nrs 6–9 hierboven.
26.
Na de (ambtshalve) constatering dat het hier, vanwege het volledig achterwege blijven van enige indicatie van de totale kosten en het ontbreken van tussentijdse verantwoording, had het hof ambtshalve (zie hierboven nrs. 11–13 en 15–16) deze bedingen moeten vernietigen. Het maken van een eigen raming van de kosten (of het aanpassen van de overeenkomst zodat deze niet meer strijdig was met de Richtlijn oneerlijke bedingen of de Richtlijn consumentenrechten), zoals het hof vervolgens in de rovv. 3.11–3.35 doet, was het hof niet toegestaan, zie hierboven nrs. 13 en 15–16. Daarmee gaat het hof uit van een onjuiste rechtsopvatting en/of geeft het een onbegrijpelijke beslissing.
II B. Voornaamste kenmerken overeenkomst
27.
Het hof overweegt in rov. 3.4 over art. 6:2301 aanhef en onder a BW en art. 230m lid 1 aanhef en onder a BW dat [de juridische dienstverlener] voldoende informatie heeft verschaft over de voornaamste kenmerken van de diensten die zij zou gaan leveren. Dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en is zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd, gelet op het in onderdelen IA en IB gestelde en gelet op het navolgende. Welke informatie [de juridische dienstverlener] over de kenmerken van de overeenkomst aan [de agente] moet mededelen hangt af van de complexiteit van het product.5. De dienstverlening door een advocaat of andere juridische dienstverlener (zoals [de juridische dienstverlener]) is een voor de gemiddelde consument complexe aangelegenheid. De daadwerkelijke omvang en inhoud van de werkzaamheden van een advocaat is met een enkele aanduiding van het geschil, al dan niet in combinatie met een opsomming van de op dat moment al beoogde procedures, onvoldoende duidelijk. De consument krijgt daarmee (vóór het sluiten van de overeenkomst) geen, althans volstrekt onvoldoende inzicht in wat er aan (proces)handelingen en wat qua tijdsbestek en mogelijke ‘uitdijing’ van de dienstverlening te verwachten of mogelijk is. Nu ook de tussentijdse verantwoording van uren ontbrak (rovv. 3.3 en 3.10) en er geen opdrachtbevestigingen voor de nieuwe procedures in het geding zijn gebracht, kreeg [de agente] die duidelijkheid evenmin tijdens de looptijd van de overeenkomst voorafgaand aan de nieuw door [de juridische dienstverlener] te entameren proceshandelingen.
28.
Anders dan het hof in rov. 3.4 overweegt, is de handelwijze van [de juridische dienstverlener] dan ook in strijd met deze artikelen 6:2301 aanhef en onder a BW en 230m lid 1 aanhef en onder a BW. [de agente] kreeg volgens het hof in rov 3.4 met de opdrachtbevestiging en de algemene voorwaarden in mei 2015 slechts een mededeling over het uurtarief en de betalingsvoorwaarden, zonder enige aanduiding van de omvang en inhoud van de opdracht (en de te verwachten financiële consequenties). Het hof overweegt in rov 3.4 dat de opdracht was om in gesprek met de politie te raken met eventueel een vertrekregeling tot gevolg en dat daaruit de melding van de misstand en een interne klacht over de caucus, het uitstel van het hoger beroep bij de CRvB en later ook het vaststellen van de PTSS bij [de agente]. Desalniettemin overweegt het hof in de rovv. 3.12–3.30 ook nog over delen van de vermeende opdracht en oordeelt in de rovv. 3.14, 3.19, 3.26, dat deze niet zijn komen vast te staan. Alleen al hiermee blijkt dat het voornaamste kenmerk van de overeenkomst, te weten de inhoud van de opdracht, onduidelijk was. Dit blijkt ook uit de hierna in 29–32 te beschrijven overwegingen.
29.
In rov. 3.4 overweegt het hof dat slechts het verzoek om uitstel deel uitmaakt van de opdracht van [de agente]. [de agente] heeft in haar CvA tevens EiR (nrs 22) en nr 11 CvD in conventie, tevens CvR in reconventie gesteld dat [de juridische dienstverlener] ook een beroepschrift voor de CRvB in rekening bracht (en dus kennelijk de opdracht ruimer opvatte dan enkel uitstel bij de CRvB. Het hof oordeelt in de rovv. 3.12–3.15 over deze werkzaamheden dat deze niet zijn gespecificeerd en dat niet duidelijk is of het conceptberoepschrift de uren rechtvaardigt (rov. 3.14) en wijst de post af, zodat ook hier de inhoud van de opdracht onduidelijk blijkt te zijn geweest.
30.
De volgens [de juridische dienstverlener] tot haar opdracht behorende voorlopige getuigenverhoor was volgens het hof in rov. 3.4 en rov. 3.19 en volgens [de agente] geen deel van de overeenkomst maar is door [de juridische dienstverlener] wel in rekening gebracht, zie nr. 27 CvA tevens CvEiR en nr 18 CvD in conventie, tevens CvR in reconventie. Volgens het hof in rov. 3.19 hoefde [de agente], niet te verwachten dat [de juridische dienstverlener] op de dag van ontvangst van de toestemming van DAS een concept voor een verzoekschrift zou versturen, waarvoor zij ook nog eens moest betalen, zodat ook hier de omvang en de inhoud van de opdracht onduidelijk is.
31.
De klacht bij de Ombudsman hoort volgens het hof in rovv. 3.23–3.24 wel tot de opdracht omdat [de agente] daarover met [de juridische dienstverlener] gemaild heeft en het hof citeert een e-mail van [de agente] hierover waarin zij schrijft: ‘Ik vraag me alleen af wie jou gaat betalen voor de uren die voor die gesprekken nodig zijn. Dat ga ik dus niet doen. Want dat zou wel eens behoorlijk kunnen oplopen.’. De door [de juridische dienstverlener] zelfstandig aan de Ombudsman toegezegde medewerking aan gesprekken werd door [de agente] dus niet onderschreven, waarbij uit haar schrik over de ineens oplopende kosten blijkt dat [de juridische dienstverlener] [de agente] vooraf niet inlichtte over deze mogelijke ontwikkeling en al helemaal niet over de (financiële) consequenties van het inschakelen van de Ombudsman. Ook hier is de omvang van de opdracht en de inhoud ervan onduidelijk. Zie ook de stellingen van [de agente] in nr. 31 en nr. 32 van de CvA tevens EiR met producties waaruit blijkt dat [de agente] overvallen wordt door de oplopende kosten en dat [de juridische dienstverlener] op het protest van [de agente] antwoordt dat [de agente] moest betalen of dat [de juridische dienstverlener] anders het dossier zou sluiten (productie 20).
32.
De klacht tegen ambtenaar [betrokkene 4] was volgens [de agente] en het hof in rov. 3.4 geen deel van de opdracht maar is door [de juridische dienstverlener] desalniettemin wel als onderdeel van de opdracht opgevat en in rekening gebracht, zie nr. 38 CvA tevens CvEiR. In rov 3.26 overweegt het hof dat [de juridische dienstverlener] onvoldoende reageerde op het verweer van [de agente] dat zij geen opdracht van haar had om klachten tegen [betrokkene 4] in te dienen, zodat er geen reden was om 1,6 uur bij [de agente] in rekening te brengen. Het hof acht het bezwaar van [de agente] daarom terecht, zodat ook hier de inhoud en omvang van de dienstverlening aan [de agente] niet duidelijk waren.
33.
Het hof overweegt dus, in rovv. 3.23–3.26, weliswaar over onduidelijkheden omtrent de inhoud en de omvang van de opdracht, maar verbindt daaraan ten onrechte niet de conclusie dat voor [de agente] onduidelijk was waardoor de overeenkomst zich nu voornamelijk kenmerkte. Het verweer van [de juridische dienstverlener] is steeds de stelling dat zij wel degelijk de uren maakte die zij heeft opgevoerd en dat de opdracht gaandeweg uitdijde. Maar over de onduidelijkheden in de (reikwijdte van de) opdracht (en de onduidelijkheid over de kosten) behelst het verweer dat een juridisch dienstverlener gaandeweg de opdracht invult en niet verplicht is tussentijds de uren te verantwoorden. In de CvR in conventie tevens CvA in reconventie nr. 22 is het verweer op dit punt niet veel meer dan dat de opdracht van een juridisch dienstverlener niet nader omlijnd hoeft te worden vooral als er, zoals hier, veel aspecten aan de zaak zitten. In de MVA onder 23 dat het ‘nergens verplicht’ is dat de opdrachtnemer maandelijks de uren aan de opdrachtgever laat weten, dit kan volgens [de juridische dienstverlener] ook tweemaandelijks, per kwartaal of achteraf.
34.
Anders dan het hof overweegt in rov. 3.4 is er dus sprake van onduidelijkheid over de inhoud en omvang van de opdracht en de financiële consequenties hiervan en dus van een schending van over art. 6:2301 aanhef en onder a BW en art. 230m lid 1 aanhef en onder a BW. Voor zover het hof in rov. 3.31 meent dat het contact zoeken door [de agente] met [de juridische dienstverlener], dat [de agente] ‘dat ook wel begreep’, dat [de juridische dienstverlener] aangaf niet alle uren te factureren en het vrij willekeurig compenseren tussen wel en niet geschreven uren de onduidelijkheid over inhoud en omvang van de dienstverlening kan compenseren, dan getuigt ook dit van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof had, gezien de onduidelijkheid over de voornaamste kenmerken van de overeenkomst, de werkwijze zoals vermeld in de nrs. 15 en 16 moeten volgen door na een ambtshalve toetsing hiervan bij een voldoende ernstige schending van deze informatieplichten de gesloten overeenkomst geheel of gedeeltelijk (ambtshalve) te vernietigen op grond van art. 3:40 lid 2 BW.
III. Motiveringsklacht
35.
Buiten dat het achterwege laten van een ambtshalve toetsing van de (on)duidelijkheid van de opdracht en de financiële consequenties van de overeenkomst getuigt van een onjuiste rechtsopvatting (zie onderdeel II), is onbegrijpelijk dat het hof de stellingen van [de agente] die op deze onderwerpen (de onduidelijkheid van inhoud en omvang van de opdracht en de financiële verplichtingen) zien geen aanleiding zag hierover anders dan bij een afweging van de verschillende posten te oordelen. [de agente] stelde hierover in de CvA tevens CvEiR nrs 6, 13, 14, 16, 17, 19, 20, 23, 28, 29, 38, 48, 49, 54, in de CvD in conventie tevens CvR in reconventie in de nrs 5, 7, 10, 11, 21, 22, 24, 25 en in de MVA in de nrs 3, 7, 13, 17, 18, 21, 24, 39. 33. [de agente] vat het in nr 3 MvA samen: ‘In de kern is de zaak betrekkelijk eenvoudig. Er is in de visie van [de agente] sprake van een volkomen onduidelijke opdrachtbevestiging van [de juridische dienstverlener] en zij is tussentijds volledig in het ongewisse gelaten over de door [de juridische dienstverlener] aan haar in rekening gebrachte tijd.’
36.
De rovv. 3.3 en 3.7 waarin het hof overweegt dat [de agente] er in essentie over klaagt dat [de juridische dienstverlener] werkzaamheden heeft gefactureerd waarvoor zij geen opdracht heeft gegeven en dat [de juridische dienstverlener] te veel uren heeft gedeclareerd voor de haar wel opgedragen werkzaamheden, zijn gezien deze stellingen onbegrijpelijk. [de agente] klaagt immers ook en vooral over het gebrek aan duidelijkheid over de inhoud en omvang van de dienstverlening en haar financiële verplichtingen door het gebrek aan informatie zowel voorafgaand als tijdens de looptijd en bij het beëindigen van de overeenkomst. Voor zover het hof de stellingen uit de eerste aanleg niet heeft meegewogen in zijn beslissing heeft het hiermee tevens de devolutieve werking van het appel miskend. Het hof heeft daarmee essentiële stellingen van [de agente] onbehandeld gelaten, althans zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd.
V. Voortbouwklacht en afdoening
37.
Het slagen van één of meer klachten vitiëert ook de daarop voortbouwende overwegingen en rovv. 3.1 en 3.8 t/m 3.37 en het dictum. Uw Raad kan de zaak zelf afdoen door de vorderingen van [de juridische dienstverlener] alsnog integraal af te wijzen en haar in de kosten van eerste aanleg, hoger beroep en de cassatieprocedure te veroordelen alles te vermeerderen met de wettelijke rente, ingaande veertien dagen na het te dezen te wijzen arrest.
Mitsdien:
het de Hoge Raad moge behagen op vorenstaande gronden, of op één of meer daarvan, te vernietigen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 juni 2024 gewezen in hoger beroep onder zaaknummer 200.315.299 waartegen het middel is gericht, met afdoening zoals onder V, althans met zodanige verdere beslissing als Uw Raad zal vermenen te behoren, met veroordeling van verweerder in de kosten van het geding in cassatie, te vermeerderen met de wettelijke rente, ingaande veertien dagen na het te dezen te wijzen arrest.
Deze procesinleiding omvat 5169 woorden
advocaten
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 06‑08‑2024
Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB L 95), hierna Richtlijn oneerlijke bedingen.
Richtlijn 2011/83/EURichtlijn consumentenrechten (PBEU 2011, L 304/81) en Richtlijn 2019/2161/EU tot wijziging van 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad wat betreft betere handhaving en modernisering van de regels voor consumentenbescherming in de Unie. Hierna tezamen Richtlijn Consumentenrechten.
C.M.D.S. Pavillon & L.B.A. Tigelaar, Een prijskorting voor de consument bij gebrekkige informatieverstrekking: een onevenredige sanctie, NTBR 2022/28, par. 3.2.
Nu het hof in het midden liet of de overeenkomst in een verkoopruimte dan wel daarbuiten werd gesloten, worden in het vervolg van deze procesinleiding steeds zowel art. art. 6:2301 aanhef en onder a en e BW (binnen verkoopruimte) als art. art. 6:230m lid 1 aanhef en onder a en c BW (buiten verkoopruimte) genoemd.
European Commission, Guidance document concerning Directive 2011/83/EU on Consumer Rights 2014, p. 22