Hof Amsterdam, 09-01-2024, nr. 200.320.109/01
ECLI:NL:GHAMS:2024:42
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
09-01-2024
- Zaaknummer
200.320.109/01
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2024:42, Uitspraak, Hof Amsterdam, 09‑01‑2024; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHAMS:2023:1465, Uitspraak, Hof Amsterdam, 27‑06‑2023; (Hoger beroep)
- Vindplaatsen
Uitspraak 09‑01‑2024
Inhoudsindicatie
Eindarrest nadat appellante bij tussenarrest in de gelegenheid is gesteld te reageren op de vraag of, in het licht van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 januari 2023 (zaak C-395/21, Honoraires d’avocat - Principe du tarif horaire, ECLI:EU:C:2023:14), het beding in de tussen appellante en geïntimeerde gesloten overeenkomst al dan niet voldoet aan het in artikel 4, lid 2 van Richtlijn 93/13 neergelegde transparantievereiste. Het hof is van oordeel dat, alle omstandigheden van dit geval in aanmerking genomen, appellante heeft voldaan aan het transparantievereiste.
Partij(en)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.320.109/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland : 10124906 CV \ EXPL 22-4609
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 januari 2024
inzake
LEGALITAS B.V.,
gevestigd te Hilversum,
appellante,
advocaat: mr. E. van Es te Hilversum,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
niet verschenen.
1. Het geding in hoger beroep
Partijen worden hierna Legalitas en [geïntimeerde] genoemd.
Bij arrest van 27 juni 2023 heeft het hof Legalitas in de gelegenheid gesteld bij akte te reageren op de vraag of, in het licht van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 januari 2023 (zaak C-395/21, Honoraires d’avocat - Principe du tarif horaire, ECLI:EU:C:2023:14), het beding in de tussen Legalitas en [geïntimeerde] gesloten overeenkomst al dan niet voldoet aan het in artikel 4, lid 2 van Richtlijn 93/13 neergelegde transparantievereiste.
Legalitas heeft zich bij akte van 14 augustus 2023, met producties, over voornoemde vraag uitgelaten.
Tenslotte is wederom arrest gevraagd.
2. Beoordeling
2.1
Het hof is van oordeel dat, alle omstandigheden van dit geval in aanmerking genomen, Legalitas heeft voldaan aan het transparantievereiste van artikel 4 lid 2 van Richtlijn 93/13.
2.2
Aan de vereisten van artikel 6:230l sub a en b BW is voldaan, omdat in de afspraakbevestiging van 31 mei 2022 (hierna: de afspraakbevestiging) en in de opdrachtbevestiging van 2 juni 2022 (hierna: de opdrachtbevestiging) zowel de voornaamste kenmerken van de te verlenen diensten, als het adres en de contactgegevens van Legalitas zijn vermeld. Ten aanzien van het vereiste van artikel 6:230l sub c BW (de totale prijs van de diensten of, als door de aard van de dienst de prijs redelijkerwijze vooraf niet kan worden berekend, de manier waarop de prijs moet worden berekend) wordt overwogen dat Legalitas in de afspraak- en opdrachtbevestiging het uurtarief heeft vermeld. In de opdrachtbevestiging heeft Legalitas meegedeeld dat facturering van het honorarium tweewekelijks zal geschieden, waarbij [geïntimeerde] een gespecificeerde factuur ontvangt en de bestede tijd exact wordt bijgehouden in tijdseenheden van zes minuten. Legalitas heeft in hoger beroep een gespreksverslag van 31 mei 2022 overgelegd waarin is vermeld dat zij [geïntimeerde] tijdens een (intake)gesprek op die datum en derhalve vóórdat partijen de overeenkomst met elkaar aangingen een ureninschatting van 35 uur per zaak/procedure heeft gegeven, hetgeen [geïntimeerde] niet heeft betwist. Dat [geïntimeerde] de financiële consequenties ook daadwerkelijk voldoende heeft kunnen overzien wordt overigens naar het oordeel van het hof nog bevestigd door het feit dat [geïntimeerde] – zoals Legalitas heeft gesteld en [geïntimeerde] niet heeft betwist – vervolgens ook geen klachten heeft geuit over de op basis van de opdracht opgemaakte facturen. [geïntimeerde] heeft de verschuldigdheid van die facturen zelfs erkend en slechts aangestuurd op termijnbetaling vanwege het ontbreken van middelen, zo heeft Legalitas onweersproken gesteld.
2.3
Legalitas heeft aldus [geïntimeerde] naar het oordeel van het hof voorafgaand aan het sluiten van de opdracht voldoende duidelijke en begrijpelijke informatie gegeven om [geïntimeerde] in staat te stellen met de nodige voorzichtigheid en met volledige kennis van de financiële consequenties van het aangaan van die opdracht haar beslissing te nemen.
2.4
Het voorgaande betekent dat de grieven slagen. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd en de vordering van Legalitas tot betaling van haar facturen zal alsnog worden toegewezen. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn berekend conform de gebruikelijke staffel en eveneens toewijsbaar, vermeerderd met wettelijke rente. De vordering van Legalitas tot betaling van de volledige proceskosten zal worden afgewezen, reeds omdat Legalitas deze vordering niet heeft onderbouwd.
2.5
De kosten van de procedure in eerste aanleg (begroot op nihil) komen ten laste van Legalitas, omdat zij het hoger beroep had kunnen voorkomen door in eerste aanleg al aan haar stelplicht te voldoen. De kosten van de procedure in hoger beroep komen ten laste van [geïntimeerde] , waarbij maar een punt zal worden berekend, zodat de kosten van de akte voor rekening van Legalitas komen.
3. Beslissing
Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan Legalitas van € 10.514,98 inclusief BTW en de buitengerechtelijke incassokosten van € 880,15 te vermeerderen met wettelijke rente van € 58,88;
veroordeelt Legalitas in de kosten van het geding in eerste aanleg, begroot op nihil en [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Legalitas begroot op € 886,33 aan verschotten en € 1.183,00 voor salaris en op € 173,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 90,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.A.H.M. ten Dam, I.A. Haanappel-van der Burg en F.J. van de Poel en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2024.
Uitspraak 27‑06‑2023
Inhoudsindicatie
Consumentenovereenkomst in de zin van artikel 6:230h lid 1 BW. De zaak dient te worden beoordeeld aan de hand van de maatstaf als gegeven in artikel 6:230l BW. De vraag die het hof dient te onderzoeken is of, in het licht van het arrest van 12 januari 2023 in zaak C-395/21 (ECLI:EU:C:2023:14), het beding in de tussen de handelaar en de consument gesloten overeenkomst al dan niet voldoet aan het in artikel 4, lid 2 van Richtlijn 93/13 neergelegde transparantievereiste. Indien daaraan niet is voldaan, rijst de vraag of, in het licht van alle omstandigheden van het geval, het beding al dan niet als oneerlijk moet worden beschouwd. Omdat de handelaar zich hierover nog niet heeft uitgelaten, wordt zij door het hof hiertoe in de gelegenheid gesteld.
Partij(en)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.320.109/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland : 10124906 CV \ EXPL 22-4609
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 27 juni 2023
inzake
LEGALITAS B.V.,
gevestigd te Hilversum,
appellante,
advocaat: mr. E. van Es te Hilversum,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
niet verschenen.
1. Het geding in hoger beroep
Partijen worden hierna Legalitas en [geïntimeerde] genoemd.
Legalitas is bij dagvaarding van 9 december 2022 in hoger beroep gekomen van een verstekvonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, (hierna: de kantonrechter), van 2 november 2022, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen Legalitas als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis). De dagvaarding bevat de grieven.
Op de dienende dag heeft Legalitas overeenkomstig de dagvaarding geconcludeerd en is [geïntimeerde] verstek verleend.
Ten slotte is arrest gevraagd.
Legalitas heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog [geïntimeerde] zal veroordelen tot betaling van:
- -
de declaratie van € 10.514,98;
- -
de incassokosten van € 880,15 te vermeerderen met wettelijke rente van € 58,88;
- -
de volledige proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep;
- -
de zijdens Legalitas gemaakte buitengerechtelijke kosten en proceskosten, waaronder het salaris van de advocaat en het griffierecht, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest en indien voldoening niet binnen deze termijn plaatsvindt, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de 15e dag na het arrest;
- -
de nakosten, en indien betaling niet binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.
Legalitas heeft in hoger beroep bewijs van haar stellingen aangeboden.
2. Beoordeling
2.1
Legalitas heeft in eerste aanleg gevorderd dat [geïntimeerde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis wordt veroordeeld tot betaling van een hoofdsom van € 10.514,98, alsmede incassokosten van € 880,15 te vermeerderen met wettelijke rente, met veroordeling van [geïntimeerde] in de buitengerechtelijke kosten en proceskosten, waaronder het salaris van de gemachtigde en het griffierecht, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en indien voldoening niet binnen deze termijn plaatsvindt, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de 15e dag na het vonnis en de nakosten, en indien betaling niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.
2.2
Legalitas heeft aan die vordering ten grondslag gelegd dat zij in opdracht van [geïntimeerde] juridische werkzaamheden heeft verricht en dat [geïntimeerde] heeft nagelaten in verband daarmee opgemaakte facturen van in totaal € 10.514,98 te voldoen, te weten (i) declaratienummer [A.] van 7 juli 2022 ten bedrage van € 1.966,25, (ii) declaratienummer [B.] van 19 juli 2022 ten bedrage van € 8.330,25, (iii) declaratienummer [C.] van 25 juli 2022 ten bedrage van € 801,63, (iv) declaratienummer [D.] van 1 augustus 2022 ten bedrage van € 160,33 en (v) declaratienummer [E.] van 9 augustus 2022 ten bedrage van € 256,52 minus een door [geïntimeerde] betaald bedrag van € 1.000,00. Daarnaast is [geïntimeerde] volgens Legalitas € 880,15 aan buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd. [geïntimeerde] is (ook) in eerste aanleg niet verschenen.
2.3
De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis – samengevat weergegeven – geoordeeld dat Legalitas niet heeft gesteld en onderbouwd dat is voldaan aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van Boek 6, titel 5, afdeling 2B van het Burgerlijk Wetboek (BW), hetgeen ambtshalve moet worden getoetst. Omdat de dagvaarding niet overeenkomstig artikel 111 lid 2 sub d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de eis en de gronden vermeldt en Legalitas niet overeenkomstig artikel 21 Rv de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid heeft aangevoerd, is de vordering door de kantonrechter afgewezen. De kantonrechter heeft Legalitas in de proceskosten van [geïntimeerde] veroordeeld, begroot op nihil.
2.4
Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt Legalitas met haar grieven op. In appel heeft Legalitas haar eis bovendien vermeerderd, door ook vergoeding van de volledige proceskosten in eerste aanleg en het hoger beroep te vorderen. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
2.5
Het hof stelt allereerst vast dat tussen partijen een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen waarbij [geïntimeerde] een consument is in de zin van artikel 6:230g lid 1 onder a BW, aangezien [geïntimeerde] een natuurlijk persoon is die handelt voor doeleinden die buiten haar bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen. [geïntimeerde] heeft Legalitas gevraagd juridisch advies te geven omtrent de beëindiging van de samenleving met haar partner, waaronder de beëindiging van een vof. Deze opdracht is Legalitas niet verstrekt vanuit de bedrijfs- of beroepsactiviteit van [geïntimeerde] , maar vanuit haar wens als natuurlijk persoon om de samenleving met haar partner tevens zakenpartner te beëindigen. Grief I faalt in zoverre. Legalitas is een handelaar, zodat sprake is van een consumentenovereenkomst als bedoeld in artikel 6:230h lid 1 BW. Aangezien geen van de uitzonderingen van artikel 6:230h lid 2 BW zich voordoet, is afdeling 6.5.2B BW op de overeenkomst van toepassing. Omdat hier sprake is van een andere overeenkomst dan een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte, dient de zaak te worden beoordeeld aan de hand van de maatstaf als gegeven in artikel 6:230l BW. Daarin is bepaald dat de handelaar de consument op duidelijke en begrijpelijke wijze bepaalde informatie dient te verstrekken, voor zover deze niet reeds duidelijk uit de context blijkt, waaronder (samengevat en voor zover hier van belang): (a) de voornaamste kenmerken van de diensten, (b) de identiteit van de handelaar en (c) de totale prijs van de diensten, met inbegrip van alle belastingen, of, als door de aard van de dienst de prijs redelijkerwijze vooraf niet kan worden berekend, de manier waarop de prijs moet worden berekend.
2.6
In het arrest van 12 januari 2023 (zaak C-395/21, ECLI:EU:C:2023:14) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) zich bij prejudiciële beslissing uitgelaten over de vraag of een beding in een tussen een advocaat en een consument gesloten overeenkomst voor het verrichten van juridische diensten waarin, samengevat, de kosten uitsluitend worden vastgelegd op basis van het gehanteerde uurtarief, zonder verdere precisering, voldoet aan het vereiste dat bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd in de zin van artikel 4 lid 2 van Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: Richtlijn 93/13). Het HvJEU heeft geoordeeld dat het enkel noemen van een uurtarief de gemiddelde, normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument niet in staat stelt om alle financiële consequenties in te schatten die voor hem uit het beding voortvloeien, namelijk het totale bedrag dat hij voor de diensten zal moeten betalen (rov. 40). Volgens het HvJEU dient de advocaat de consument, vóórdat de overeenkomst wordt gesloten, informatie te verstrekken die de consument in staat stelt om met de nodige voorzichtigheid zijn beslissing te nemen (rov. 43). Die informatie dient aanwijzingen te bevatten die de consument in staat stellen bij benadering de totale kosten van die diensten te ramen, zoals een raming van het voorzienbare of minimale aantal uren dat nodig is om een bepaalde dienst te verlenen of een verbintenis om met redelijke tussenpozen tussentijdse facturen of verslagen te bezorgen waarin het aantal reeds gepresteerde werkuren wordt vermeld. Daarbij is het aan de nationale rechter om te beoordelen of de informatie die aan de consument is verstrekt, de consument in staat heeft gesteld om met de nodige voorzichtigheid en met volledige kennis van de financiële consequenties van het sluiten van die overeenkomst, zijn beslissing te nemen (rov. 44). Wat betreft de vraag of sprake is van een oneerlijk beding in de zin van Richtlijn 93/13 heeft het HvJEU overwogen dat het onderzoek van het oneerlijke karakter van een beding in beginsel dient te berusten op een algehele beoordeling, waarbij niet enkel een eventueel gebrek aan transparantie van dat beding in aanmerking dient te worden genomen (rov. 49). Het HvJEU heeft vervolgens geoordeeld dat het enkele feit dat het kostenbeding tussen een advocaat en een consument niet aan het transparantievereiste van artikel 4 lid 2 van Richtlijn 93/13 voldoet, niet betekent dat het beding als oneerlijk moet worden beschouwd, tenzij de lidstaat van het toepasselijke recht overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 93/13 (waarin staat dat lidstaten strengere bepalingen dan die onder Richtlijn 93/13 vallen kunnen aannemen en handhaven, voor zover deze verenigbaar zijn met het Unierecht) er uitdrukkelijk in heeft voorzien dat een beding alleen al daarom als oneerlijk wordt aangemerkt (rov. 52).
2.7
De vraag die het hof dient te onderzoeken is of, in het licht van voormeld arrest van 12 januari 2023 in zaak C-395/21, het beding in de tussen Legalitas en [geïntimeerde] gesloten overeenkomst al dan niet voldoet aan het in artikel 4, lid 2 van Richtlijn 93/13 neergelegde transparantievereiste. Indien daaraan niet is voldaan, rijst de vraag of, in het licht van alle omstandigheden van het geval, het beding al dan niet als oneerlijk moet worden beschouwd.
2.8
Omdat Legalitas zich hierover nog niet heeft uitgelaten, zal het hof haar in de gelegenheid stellen om bij akte te reageren op hetgeen hiervoor is overwogen.
2.9
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3. Beslissing
Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 15 augustus 2023 teneinde Legalitas in de gelegenheid te stellen zich bij akte nader uit te laten over hetgeen in rov. 2.6-2.7 is overwogen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.A.H.M. ten Dam, I.A. Haanappel-van der Burg en F.J. van de Poel en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2023.