Rb. Midden-Nederland, 03-04-2024, nr. 10902032 \ AC EXPL 24-238
ECLI:NL:RBMNE:2024:2139
- Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
- Datum
03-04-2024
- Zaaknummer
10902032 \ AC EXPL 24-238
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBMNE:2024:2139, Uitspraak, Rechtbank Midden-Nederland, 03‑04‑2024; (Eerste aanleg - enkelvoudig, Verstek)
Uitspraak 03‑04‑2024
Inhoudsindicatie
Tussenvonnis, verstek. Vordering tot betaling factuur advocaat. Ambtshalve toetsing.
Partij(en)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Amersfoort
zaaknummer: 10902032 AC EXPL 24-238 SGK/44740
Verstekvonnis van 3 april 2024
inzake
de maatschap
de maatschap [eiseres],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
verder ook te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: R&R Gerechtsdeurwaarders B.V.,
tegen:
[gedaagde] ,
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
verder ook te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.
1. De procedure
1.1.
[eiseres] heeft [gedaagde] op 21 januari 2024 gedagvaard. [gedaagde] heeft niet (op tijd) gereageerd en ook geen uitstel gevraagd om op een later moment alsnog te mogen reageren. Daarom heeft de kantonrechter verstek verleend tegen [gedaagde] .
1.2.
De kantonrechter heeft bepaald dat vandaag uitspraak wordt gedaan.
2. De overwegingen van de kantonrechter
2.1.
[eiseres] stelt dat zij in opdracht van [gedaagde] juridische bijstand heeft verleend. [eiseres] heeft daarvoor facturen naar [gedaagde] gestuurd ter hoogte van in totaal € 3.130,33. [gedaagde] heeft deze facturen tot op heden niet betaald. [eiseres] wil dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van deze facturen vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijk incassokosten en dat [gedaagde] wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure.
2.2.
[gedaagde] heeft geen verweer gevoerd.
Ambtshalve toetsing van informatieverplichtingen
2.3.
De overeenkomst die partijen hebben gesloten, kwalificeert als een overeenkomst van opdracht tussen een handelaar en een consument. Dat betekent dat de kantonrechter ambtshalve moet toetsen of aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van Boek 6, titel 5, afdeling 2B BW is voldaan en, als sprake is van een voldoende ernstige schending van zo’n verplichting, een sanctie moet toepassen (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 12 november 2021, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2021:1677).
2.4.
[eiseres] heeft niet gesteld of zij al dan niet aan de hiervoor bedoelde informatieplichten heeft voldaan. Op basis van de stellingen van partijen en de stukken die zich nu in het procesdossier bevinden, kan de kantonrechter op dit moment niet vaststellen hoe de overeenkomst tot stand is gekomen en of [eiseres] bij of voorafgaand aan het aangaan van de overeenkomst aan de precontractuele informatieverplichtingen heeft voldaan. De kantonrechter heeft kennis genomen van de opdrachtbevestiging in de e-mail die [eiseres] op 8 augustus 2023 naar [gedaagde] heeft gestuurd. In die opdrachtbevestiging is wel het uurtarief vermeld dat aan [gedaagde] in rekening zal worden gebracht, maar er is geen enkele indicatie gegeven van de totale kosten, die [gedaagde] verschuldigd zal zijn, zoals bedoeld in artikel 6:230l onder c (in het geval de overeenkomst anders dan op afstand of buiten de verkoopruimte tot stand is gekomen) dan wel artikel 6:230 m lid 1 onder e BW (in het geval de overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte tot stand is gekomen). Die totale prijs is tevens van belang in het kader van hetgeen hierna wordt overwogen ten aanzien van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 januari 2023. Het ligt op de weg van [eiseres] om ten aanzien van de hiervoor genoemde punten duidelijkheid te scheppen. De kantonrechter zal [eiseres] in de gelegenheid stellen zich hierover bij akte uit te laten.
Ambtshalve toetsing van oneerlijke bedingen
2.5.
De kantonrechter moet ook ambtshalve toetsen of een beding in een consumentenovereenkomst onder de richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29), zoals gewijzigd bij richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 (PB 2011, L 304, blz. 64) (‘de Richtlijn’) valt en, zo ja, of dat beding oneerlijk is. Hoewel de Richtlijn niet rechtstreeks van toepassing is, brengt een richtlijnconforme uitleg mee dat de kantonrechter een oneerlijk beding op grond van artikel 6:233 BW moet vernietigen (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 13 september 2013, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2013:691).
2.6.
In dit geval staat in de e-mail die [eiseres] op 8 augustus 2023 naar [gedaagde] heeft gestuurd “Gelet op het door u opgegeven inkomen, komt u niet in aanmerking voor pro deo rechtsbijstand. De kosten voor mijn rechtsbijstand worden dan ook betalende basis verricht. Sinds dit jaar bedraagt mijn gebruikelijke uurtarief € 250,00 excl. 21% BTW en excl. 5% kantoorkosten. Met u ben ik echter een gematigd uurtarief overeengekomen van € 150,00 excl. 21% BTW en 5% kantoorkosten.
Mocht de strafzaak eindigen in een sepot, vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging, dan geldt ons gebruikelijke uurtarief. Wel bestaat dan de mogelijkheid om een verzoek in te dienen bij de Staat ter vergoeding van de advocaatkosten.“
2.7.
Voor de vraag of sprake is van een beding dat onder de Richtlijn valt is van belang of partijen over de hiervoor geciteerde afspraak hebben onderhandeld. Omdat [eiseres] zich hierover nog niet heeft uitgelaten, zal de kantonrechter haar in de gelegenheid stellen om zich hier bij akte over uit te laten.
2.8.
In het geval sprake is van een beding dat onder de Richtlijn valt, is de prejudiciële uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 12 januari 2023, gepubliceerd onder ECLI:EU:C:2023:14, van belang. In deze uitspraak heeft het HvJ EU zich uitgelaten over de vraag of een beding in een tussen een advocaat en een consument gesloten overeenkomst voor het verrichten van juridische diensten waarin, samengevat, de kosten uitsluitend worden vastgelegd op basis van het gehanteerde uurtarief, zonder verdere precisering, voldoet aan het vereiste dat bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd in de zin van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn. Het HvJ EU heeft geoordeeld dat het enkel noemen van een uurtarief de gemiddelde, normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument niet in staat stelt om alle financiële consequenties in te schatten die voor hem uit het beding voortvloeien, namelijk het totale bedrag dat hij voor de diensten zal moeten betalen (overweging 40). Volgens het HvJ EU moet de advocaat de consument, vóórdat de overeenkomst wordt gesloten, informatie verstrekken die de consument in staat stelt om met de nodige voorzichtigheid zijn beslissing te nemen (overweging 43). Die informatie moet aanwijzingen bevatten die de consument in staat stellen bij benadering de totale kosten van die diensten te ramen, zoals een raming van het voorzienbare of minimale aantal uren dat nodig is om een bepaalde dienst te verlenen of een verbintenis om met redelijke tussenpozen tussentijdse facturen of verslagen te bezorgen waarin het aantal al gepresteerde werkuren wordt vermeld. Daarbij is het aan de nationale rechter om te beoordelen of de informatie die aan de consument is verstrekt, de consument in staat heeft gesteld om met de nodige voorzichtigheid en met volledige kennis van de financiële consequenties van het sluiten van die overeenkomst, zijn beslissing te nemen (overweging 44). Wat betreft de vraag of sprake is van een oneerlijk beding in de zin van de Richtlijn heeft het HvJ EU overwogen dat het onderzoek van het oneerlijke karakter van een beding in principe moet berusten op een algehele beoordeling, waarbij niet enkel een eventueel gebrek aan transparantie van dat beding in aanmerking moet worden genomen (overweging 49). Het HvJ EU heeft vervolgens geoordeeld dat het enkele feit dat het kostenbeding tussen een advocaat en een consument niet aan het transparantievereiste van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn voldoet, niet betekent dat het beding als oneerlijk moet worden beschouwd, tenzij de lidstaat van het toepasselijke recht overeenkomstig artikel 8 van de Richtlijn (waarin staat dat lidstaten strengere bepalingen dan die onder de Richtlijn vallen kunnen aannemen en handhaven, voor zover deze verenigbaar zijn met het Unierecht) er uitdrukkelijk in heeft voorzien dat een beding alleen al daarom als oneerlijk wordt aangemerkt (overweging 52).
2.9.
Het voorgaande leidt ertoe dat, in het geval het beding in de tussen [eiseres] en [gedaagde] gesloten overeenkomst een beding is dat onder de Richtlijn valt, de kantonrechter moet onderzoeken of dat beding al dan niet voldoet aan het in artikel 4 lid 2 van de Richtlijn neergelegde transparantievereiste. Indien daaraan niet is voldaan, rijst de vraag of, in het licht van alle omstandigheden van het geval, het beding al dan niet als oneerlijk moet worden beschouwd (zie ook de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 27 juni 2023, gepubliceerd onder ECLI:NL:GHAMS:2023:1465).
2.10.
Omdat [eiseres] zich hierover evenmin heeft uitgelaten, zal de kantonrechter haar in de gelegenheid stellen om zich ook over dit punt bij akte uit te laten.
2.11.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3. De beslissing
De kantonrechter
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van 1 mei 2024 teneinde [eiseres] in de gelegenheid te stellen zich bij akte nader uit te laten over dat wat in rechtsoverweging 2.3 tot en met 2.7 is overwogen;
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 april 2024.