Procestaal: Roemeens.
HvJ EU, 30-05-2024, nr. C-176/23
ECLI:EU:C:2024:443
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
30-05-2024
- Magistraten
N. Piçarra, N. Jääskinen, M. Gavalec
- Zaaknummer
C-176/23
- Roepnaam
Raiffeisen Bank
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2024:443, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 30‑05‑2024
Uitspraak 30‑05‑2024
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Richtlijn 93/13/EEG — Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten — Artikel 1, lid 2 — Werkingssfeer — Uitsluiting van contractuele bedingen waarin dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn overgenomen — Addendum bij de kredietovereenkomst waarvan het bestaan door de verkoper aan de consument is meegedeeld om aan de nationale regeling te voldoen — Artikel 3, lid 2 — Contractueel beding waarover niet afzonderlijk is onderhandeld — Geen ondertekening van het addendum door de consument — Vermoeden van stilzwijgende aanvaarding van dit addendum — Nationale rechtspraak die de rechterlijke toetsing van het oneerlijke karakter van een contractueel beding in een dergelijk addendum uitsluit
N. Piçarra, N. Jääskinen, M. Gavalec
Partij(en)
In zaak C-176/23,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunal Specializat Mureş (bijzondere rechter van Mureş, Roemenië) bij beslissing van 2 maart 2021, ingekomen bij het Hof op 21 maart 2023, in de procedure
UG
tegen
SC Raiffeisen Bank SA,
wijst
HET HOF (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: N. Piçarra, kamerpresident, N. Jääskinen (rapporteur) en M. Gavalec, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
de Roemeense regering, vertegenwoordigd door R. Antonie, E. Gane en L. Ghiţă als gemachtigden,
- —
de Portugese regering, vertegenwoordigd door P. Barros da Costa, A. Cunha, A. Luz en L. Medeiros als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Boitos en N. Ruiz García als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen UG, een consument, en SC Raiffeisen Bank SA met betrekking tot de constatering dat bepaalde bedingen in een tussen de partijen gesloten kredietovereenkomst oneerlijk zijn.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
De dertiende overweging van richtlijn 93/13 luidt:
‘Overwegende dat de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten waarin bedingen van overeenkomsten met consumenten, direct of indirect, worden vastgesteld, worden geacht geen oneerlijke bedingen te bevatten; dat het bijgevolg niet nodig blijkt bedingen waarin dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn overgenomen dan wel beginselen of bepalingen van internationale overeenkomsten waarbij de lidstaten of de Gemeenschap partij zijn, aan de bepalingen van deze richtlijn te onderwerpen; dat in dat verband onder de [in artikel 1, lid 2, gebruikte] term ‘dwingende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen’ tevens de regels vallen die volgens de wet van toepassing zijn tussen de overeenkomstsluitende partijen wanneer er geen andere regeling is overeengekomen’.
4
Artikel 1, lid 2, van deze richtlijn bepaalt:
‘Contractuele bedingen waarin dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen of bepalingen of beginselen van internationale overeenkomsten waarbij de lidstaten of de Gemeenschap partij zijn, met name op het gebied van vervoer, zijn overgenomen, zijn niet aan deze richtlijn onderworpen.’
5
Artikel 3 van die richtlijn luidt:
- ‘1.
Een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.
- 2.
Een beding wordt steeds geacht niet het voorwerp van afzonderlijke onderhandeling te zijn geweest wanneer het, met name in het kader van een toetredingsovereenkomst, van tevoren is opgesteld en de consument dientengevolge geen invloed op de inhoud ervan heeft kunnen hebben.
Het feit dat sommige onderdelen van een beding of een afzonderlijk beding het voorwerp zijn geweest van een afzonderlijke onderhandeling sluit de toepassing van dit artikel op de rest van een overeenkomst niet uit, indien de globale beoordeling leidt tot de conclusie dat het niettemin gaat om een toetredingsovereenkomst.
Wanneer de verkoper stelt dat een standaardbeding het voorwerp is geweest van afzonderlijke onderhandeling, dient hij dit te bewijzen.’
Roemeens recht
Wet betreffende oneerlijke bedingen
6
Artikel 3 van Lege nr. 193 privind clauzele abuzive din contractele încheiate între profesioniști și consumatori (wet nr. 193 betreffende oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen verkopers en consumenten) van 6 november 2000 (opnieuw gepubliceerd in Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 543 van 3 augustus 2012; hierna: ‘wet betreffende oneerlijke bedingen’) bepaalt in lid 2 dat contractuele bedingen die op grond van andere geldende wettelijke bepalingen zijn vastgesteld, niet aan de bepalingen van deze wet zijn onderworpen.
OUG nr. 50/2010
7
Artikel 37 van Ordonanței de urgență a Guvernului nr. 50, privind contractele de credit pentru consumatori (noodverordening van de regering nr. 50 inzake consumentenkredietovereenkomsten) van 9 juni 2010 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 389 van 11 juni 2010), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: ‘OUG nr. 50/2010’), luidt als volgt:
‘De volgende regels zijn van toepassing op kredietovereenkomsten met een variabele rente:
- a)
het renteprecentage is gekoppeld aan de schommelingen van de referentie-indexen Euribor/ROBOR/LIBOR/basisrente van de BNR [Banca Națională a României (nationale bank van Roemenië)], afhankelijk van de valuta van het krediet, waar de kredietgever een bepaalde vaste marge bij mag optellen, die voor de gehele duur van de overeenkomst ongewijzigd blijft;
- b)
de rentemarge kan alleen worden gewijzigd na wetswijzigingen die deze uitdrukkelijk voorschrijven;
- c)
overeenkomstig het commerciële beleid van elke kredietinstelling kunnen, in afwijking van het bepaalde onder b), de waarde van de marge en de referentie-indexen worden verlaagd;
- d)
de overeenkomst moet uitdrukkelijk de berekeningsmethode vermelden voor de schommelingen van het rentepercentage en aangeven hoe vaak en/of onder welke voorwaarden het rentepercentage naar boven of naar beneden kan worden gewijzigd;
- e)
de onderdelen van de berekeningsmethode voor de schommelingen van het rentepercentage en de waarde van de rente moeten bekend worden gemaakt op de websites en in alle gebouwen van de schuldeisers.’
8
Artikel 95 van OUG nr. 50/2010 bepaalt:
- ‘1.
Voor lopende overeenkomsten zijn de schuldeisers verplicht om binnen een termijn van 90 dagen na de datum van inwerkingtreding van de onderhavige noodverordening de overeenkomst in overeenstemming te brengen met de bepalingen van de onderhavige noodverordening.
- 2.
Lopende overeenkomsten worden binnen een termijn van 90 dagen na de datum van inwerkingtreding van de onderhavige noodverordening gewijzigd door middel van addenda.
- 3.
De schuldeiser moet kunnen bewijzen dat hij zich de nodige moeite heeft gegeven om de consument te informeren over de ondertekening van de addenda.
- 4.
Het is verboden in de addenda andere bepalingen op te nemen dan die welke in de onderhavige noodverordening zijn vermeld. De opname in de addenda van enige andere bepaling dan die welke door de onderhavige noodverordening zijn voorgeschreven, wordt geacht van rechtswege nietig te zijn.
- 5.
Het niet ondertekenen van de in lid 2 bedoelde addenda door de consument wordt als een stilzwijgende aanvaarding beschouwd.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
9
Op 23 maart 2007 heeft UG met Raiffeisen Bank een kredietovereenkomst met een variabel rentepercentage gesloten van 15 300 Zwitserse frank (CHF) (ongeveer 16 048 EUR) (hierna: ‘betrokken kredietovereenkomst’). Op de datum van sluiting van die overeenkomst bedroeg het rentepercentage 5,9 % per jaar, maar volgens de contractuele voorwaarden kon de verkoper dit rentepercentage afhankelijk van de ontwikkelingen op de financiële markt wijzigen door de kredietnemer op de hoogte te stellen van het nieuwe rentepercentage volgens de bepalingen in de algemene voorwaarden.
10
Op 10 september 2010 heeft Raiffeisen Bank UG in kennis gesteld van een addendum bij de betrokken kredietovereenkomst dat nodig was om deze overeenkomst in overeenstemming te brengen met de vereisten van OUG nr. 50/2010. Met deze kennisgeving deelde Raiffeisen Bank UG mee dat de nationale wetgever wijzigingen had opgelegd die golden voor alle met consumenten gesloten kredietovereenkomsten. Er moesten met name wijzigingen worden aangebracht in de contractuele bepalingen betreffende de vaststelling van het variabele rentepercentage, door deze te koppelen aan een objectieve index op basis van de valuta waarin het krediet is verleend, die door de kredietinstelling gedurende de gehele looptijd van de overeenkomst met een vaste marge werd verhoogd. Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat UG dit addendum niet heeft ondertekend, zodat hij overeenkomstig artikel 95, lid 5, OUG nr. 50/2010 werd geacht stilzwijgend daarmee te hebben ingestemd.
11
Op 29 december 2017 heeft UG bij de Judecătorie Sighișoara (rechter in eerste aanleg Sighișoara, Roemenië) een vordering ingesteld tot vaststelling van met name het oneerlijke karakter van de bedingen van de betrokken kredietovereenkomst die betrekking hebben op de mogelijkheid voor de bank om het rentepercentage te wijzigen. UG verzocht de rechter in eerste aanleg tevens om op die grond de absolute nietigheid van deze bedingen en de terugbetaling van de uit hoofde daarvan betaalde bedragen vast te stellen.
12
Bij beslissing van 10 juni 2020 heeft de rechter in eerste aanleg die vordering afgewezen, met name op grond dat hij, gelet op de wet betreffende oneerlijke bedingen, waarbij richtlijn 93/13 in Roemeens recht is omgezet, niet bevoegd was om te onderzoeken of de bedingen van de betrokken kredietovereenkomst die voortvloeien uit de in punt 10 van het onderhavige arrest bedoelde addendum, mogelijk oneerlijk zijn, onder meer omdat zij een verplichting weerspiegelen die voortvloeit uit de dwingende bepalingen van een nationale regelgevingshandeling, namelijk OUG nr. 50/2010.
13
UG heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de Tribunal Specializat Mureş, de verwijzende rechter, waarbij hij met name heeft aangevoerd dat de bepalingen van OUG nr. 50/2010 er uitsluitend op zijn gericht meer consumentenbescherming te bieden en dat, wat de betrokken kredietovereenkomst betreft, de wijzigingen die daarin zijn aangebracht door middel van het door Raiffeisen Bank aan hem ter kennis gebrachte addendum, niet in overeenstemming waren met deze nationale regelgevingshandeling.
14
Volgens Raiffeisen Bank heeft het beding in de betrokken kredietovereenkomst betreffende de vaststelling van het rentepercentage dat aanvankelijk in die overeenkomst was opgenomen, geen effect meer vanaf de datum van inwerkingtreding van het addendum van 10 september 2010, aangezien dat beding op dat moment is vervangen door het beding dat van kracht was op de datum waarop UG zijn vordering heeft ingesteld, waarmee dit rentepercentage voortaan gekoppeld is aan een verifieerbare referentie-index, vermeerderd met een vaste, door de bank vastgestelde marge overeenkomstig de vereisten van OUG nr. 50/2010. Raiffeisen Bank voert aan dat zij aldus de toepasselijke wetgeving heeft nageleefd door de relevante nationale bepalingen uit te voeren.
15
Volgens de verwijzende rechter moet de vraag of hij mag beoordelen of bepaalde contractuele bedingen die binnen de werkingssfeer van OUG nr. 50/2010 vallen, mogelijk oneerlijk zijn, worden onderzocht in het licht van richtlijn 93/13 en de relevante rechtspraak van het Hof, met name in het licht van de restrictieve uitlegging die moet worden gegeven aan artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13, dat een uitzondering vormt op de regeling ter bescherming van consumenten tegen oneerlijke contractuele bedingen.
16
Het is juist, aldus de verwijzende rechter, dat het Hof is uitgegaan van het beginsel dat de nationale wetgever, door aan de partijen een contractueel beding op te leggen waarvan de inhoud een dwingende bepaling van nationaal recht weerspiegelt, een evenwicht tot stand heeft willen brengen tussen alle rechten en verplichtingen van de partijen bij de overeenkomst, zodat het eventueel oneerlijke karakter van een dergelijk beding niet door de rechter kan worden getoetst. De verwijzende rechter is echter van oordeel dat zelfs wanneer een beding in een kredietovereenkomst voldoet aan de vereisten van artikel 37 van OUG nr. 50/2010, de consument nog steeds niet in staat is zich de omvang van de op hem rustende verplichtingen voor te stellen, aangezien deze bepaling enkel bepaalt dat het variabele rentepercentage niet alleen moet worden vastgesteld op basis van een objectieve index, maar ook op basis van een vaste marge die beantwoordt aan de belangen van de verkoper. Bovendien kan deze objectieve index, hoewel hij onafhankelijk van de wil van partijen wordt vastgesteld, onderhevig zijn aan aanzienlijke schommelingen. Volgens deze rechter kan een verkoper, in tegenstelling tot een gemiddelde en geïnformeerde consument, van dergelijke schommelingen profiteren dankzij zijn ervaring en zijn grotere anticipatievermogen.
17
Bijgevolg betwijfelt deze rechter of, bij gebreke van passende mechanismen ter bescherming van de consument, de relevante bepalingen van OUG nr. 50/2010 kunnen worden geacht onafhankelijk van de wil van partijen te kunnen worden uitgevoerd, of automatisch kunnen worden toegepast bij gebreke van enige andere vorm van overeenkomst tussen partijen. De beoordeling of contractuele bedingen die deze bepalingen weerspiegelen oneerlijk zijn, mag daarom niet worden uitgesloten van rechterlijke toetsing, aldus de verwijzende rechter.
18
Die conclusie is echter niet in overeenstemming met de heersende nationale rechtspraak volgens welke contractuele bedingen in door verkopers krachtens OUG nr. 50/2010 opgestelde addenda niet aan een dergelijke toetsing kunnen worden onderworpen.
19
In deze omstandigheden heeft de Tribunal Specializat Mureş de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moeten de voorschriften van artikel 1, lid 2, van richtlijn [93/13], die zijn omgezet in nationaal recht bij artikel 3, lid 2, van [de wet betreffende oneerlijke bedingen],
gelezen in het licht van met name de twaalfde en dertiende overweging van die richtlijn,
maar ook rekening houdend met de artikelen 80 en 81 van [OUG nr. 50/2010],
aldus worden uitgelegd dat zij er niet aan in de weg staan dat nationale rechters de mogelijkheid hebben om ook het vermoedelijk oneerlijke karakter te onderzoeken van contractuele bedingen in addenda bij tussen verkopers en consumenten vóór de inwerkingtreding van de genoemde handeling met kracht van wet gesloten kredietovereenkomsten, te weten [addenda die zijn opgesteld] krachtens artikel 95 van OUG nr. 50/2010, ongeacht of deze uitdrukkelijk zijn aanvaard door de consument overeenkomstig artikel 40, lid 1, van OUG nr. 50/2010 […] dan wel moeten worden geacht stilzwijgend van rechtswege te zijn aanvaard overeenkomstig artikel 40, lid 3, van OUG nr. 50/2010?
- 2)
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, druist het dan, op basis van de hierboven uiteengezette voorwaarden en in de omstandigheden van het bij de nationale rechter aanhangige geschil, in tegen [het Unierecht] dat nationale rechters oordelen dat de uitdrukkelijke aanvaarding van een addendum dat is opgesteld overeenkomstig artikel 40, lid 1, en krachtens artikel 95 van OUG nr. 50/2010 […], automatisch leidt tot de conclusie dat over [dit addendum] is onderhandeld en dat eventuele vermoedens dat de daarin opgenomen bedingen oneerlijk zijn bijgevolg niet mogen worden onderzocht?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
20
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de beoordeling van het oneerlijke karakter van bedingen in een consumentenkredietovereenkomst tussen een consument en een verkoper, wanneer deze verkoper wijzigingen heeft aangebracht in deze bedingen om ervoor te zorgen dat die overeenkomst in overeenstemming is met een dwingende nationale regeling inzake de wijze van vaststelling van het rentepercentage op grond waarvan dat rentepercentage moet worden vervangen door een rentepercentage dat wordt bepaald op basis van een van de in die regeling vastgestelde referentie-indexen, en moet worden vermeerderd met een door die verkoper voor de gehele looptijd van de overeenkomst vastgestelde vaste marge.
21
Om te beginnen moet worden benadrukt dat artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 contractuele bedingen waarin dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn overgenomen, uitsluit van de werkingssfeer van deze richtlijn.
22
Gelet op het door deze richtlijn nagestreefde doel, namelijk de bescherming van de consument tegen oneerlijke bedingen in overeenkomsten met een verkoper, is het voorts zo dat de in artikel 1, lid 2, ingevoerde uitsluiting strikt moet worden uitgelegd (zie in die zin arrest van 21 december 2021, Trapeza Peiraios, C-243/20, EU:C:2021:1045, punt 37).
23
In de eerste plaats blijkt uit vaste rechtspraak dat de uitdrukking ‘dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen’, gelezen in het licht van de dertiende overweging van de voornoemde richtlijn, zowel bepalingen van nationaal recht omvat die onafhankelijk van de keuze van de overeenkomstsluitende partijen tussen hen van toepassing zijn, als bepalingen van aanvullend recht, dat wil zeggen bepalingen die van toepassing zijn bij gebreke van een andersluidende regeling tussen de partijen (arrest van 21 december 2021, Trapeza Peiraios, C-243/20, EU:C:2021:1045, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
24
Wat in de tweede plaats de vraag betreft of er in een contractueel beding in de zin van artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 een dergelijke dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling van nationaal recht is overgenomen, zij eraan herinnerd dat de door deze bepaling geformuleerde uitsluiting haar rechtvaardiging vindt in het feit dat de nationale wetgever een evenwicht tussen alle rechten en plichten van de partijen bij bepaalde overeenkomsten tot stand heeft gebracht, welk evenwicht de Uniewetgever uitdrukkelijk heeft willen handhaven. Bovendien vormt de omstandigheid dat een dergelijk evenwicht tot stand is gebracht, geen voorwaarde voor de toepassing van de in artikel 1, lid 2, bedoelde uitsluiting, maar de rechtvaardiging van deze uitsluiting (arrest van 6 juli 2023, First Bank, C-593/22, EU:C:2023:555, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
25
Om te beoordelen of een contractueel beding waarin een bepaling van OUG nr. 50/2010 is overgenomen, krachtens artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 van de werkingssfeer van deze richtlijn is uitgesloten, staat het in casu dus niet aan de verwijzende rechter om vooraf na te gaan of de nationale wetgever met deze handeling heeft gezorgd voor een evenwicht tussen alle rechten en verplichtingen van de partijen bij de betrokken overeenkomst.
26
Vervolgens blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat een beding in een tussen een consument en een verkoper gesloten overeenkomst dat een bepaling van dwingend nationaal recht weergeeft die niet op die overeenkomst van toepassing is of waarin niet alleen naar een dergelijke bepaling wordt verwezen, maar naar een nationale regeling in haar geheel, niet kan worden geacht een bepaling van dwingend nationaal recht in de zin van artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 weer te geven en dus wel aan rechterlijke toetsing van het eventueel oneerlijke karakter ervan kan worden onderworpen (zie in die zin arresten van 21 maart 2013, RWE Vertrieb, C-92/11, EU:C:2013:180, punt 30, en 3 april 2019, Aqua Med, C-266/18, EU:C:2019:282, punten 35 en 38).
27
Bijgevolg kan een contractueel beding slechts een dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling ‘overnemen’ in de zin van artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 indien dit beding de normatieve inhoud van een op de betrokken overeenkomst van toepassing zijnde dwingende bepaling weergeeft, zodat het beding kan worden geacht concreet dezelfde rechtsregel tot uiting te brengen als die waarnaar in die dwingende bepaling wordt verwezen (arrest van 6 juli 2023, First Bank, C-593/22, EU:C:2023:555, punt 25).
28
In casu staat het aan de verwijzende rechter om de nodige beoordelingen te verrichten om te bepalen of in het in het hoofdgeding aan de orde zijnde contractuele beding de relevante bepalingen van OUG nr. 50/2010 zijn overgenomen in de zin van artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13.
29
Gelet op de gegevens in het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt echter dat de contractuele bedingen in de kredietovereenkomst die in het hoofdgeding aan de orde is, voortvloeien uit de bepalingen van OUG nr. 50/2010. Deze bepalingen hebben de banken immers verplicht om in alle consumentenkredietovereenkomsten bepaalde wijzigingen aan te brengen. Deze wettelijke verplichting had met name betrekking op de bedingen betreffende de wijze van vaststelling van het variabele rentepercentage. Bovendien lijkt OUG nr. 50/2010 de consumenten de mogelijkheid te ontnemen om deze wijzigingen te aanvaarden of te weigeren. OUG nr. 50/2010 bepaalde immers dat indien de consumenten het door de bank ter kennis gebrachte addendum niet ondertekenden, zij geacht werden de voorwaarden ervan stilzwijgend te hebben aanvaard.
30
Hoewel artikel 37, onder a), van OUG nr. 50/2010 bepaalde dat het rentepercentage van kredietovereenkomsten moest worden vervangen door een rentepercentage dat werd bepaald op basis van een referentie-index en een vaste marge die gold voor de gehele looptijd van de overeenkomst, blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat de banken over een beoordelingsmarge beschikten, zowel wat de keuze van de referentie-index als wat de omvang van die vaste marge betreft.
31
In die omstandigheden blijkt, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan, dat de nationale regeling een algemeen kader en de voorwaarden voor de vaststelling van het nieuwe variabele rentepercentage heeft vastgesteld, waarbij aan de kredietinstellingen een beoordelingsmarge is gelaten bij de berekening van dat nieuwe rentepercentage.
32
In zijn arrest van 3 maart 2020, Gómez del Moral Guasch (C-125/18, EU:C:2020:138, punten 33–37), heeft het Hof geoordeeld dat de uitsluiting van artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 niet van toepassing was op een contractueel beding dat bepaalde dat het op de lening toepasselijke rentepercentage was gebaseerd op een van de officiële referentie-indexen waarin de nationale regeling voorzag, wanneer die regeling niet voorzag in de dwingende toepassing van die index, maar de bank de mogelijkheid bood om het variabele rentepercentage op een andere wijze vast te stellen.
33
Hieruit volgt dat de uitsluiting waarin artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 voorziet, niet van toepassing is in een situatie waarin een verkoper wijzigingen heeft aangebracht in bedingen van een consumentenkredietovereenkomst om ervoor te zorgen dat die overeenkomst in overeenstemming is met een nationale regeling die na de sluiting ervan is vastgesteld, indien die regeling slechts een algemeen kader vaststelt voor de vaststelling van het rentepercentage van die kredietovereenkomst en er aan de verkoper een beoordelingsmarge wordt gelaten met betrekking tot zowel de keuze van de referentie-index van dat rentepercentage als de omvang van de vaste marge die daaraan kan worden toegevoegd.
34
Gelet op de door de verwijzende rechter opgeworpen vragen zij er ten slotte volledigheidshalve aan herinnerd dat artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 een objectieve werkingssfeer heeft en dat de toepassing van deze bepaling niet afhankelijk is van bijvoorbeeld de door de verkoper aan de consument verstrekte informatie of de kennis die de consument heeft van de toepasselijke wettelijke bepalingen (arrest van 6 juli 2023, First Bank, C-593/22, EU:C:2023:555, punt 31).
35
De eventuele uitdrukkelijke of stilzwijgende aanvaarding door de consument van wijzigingen van de betrokken overeenkomst kan dus geen invloed hebben op de vraag of de contractuele bedingen waarop die wijzigingen betrekking hebben, krachtens artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 van de werkingssfeer van deze richtlijn zijn uitgesloten.
36
Gelet op een en ander dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen de beoordeling van het oneerlijke karakter van bedingen in een consumentenkredietovereenkomst tussen een consument en een verkoper wanneer de verkoper wijzigingen heeft aangebracht in deze bedingen om ervoor te zorgen dat die overeenkomst in overeenstemming is met een dwingende nationale regeling inzake de wijze van vaststelling van het rentepercentage, indien die regeling slechts een algemeen kader vaststelt waarmee voor deze overeenkomst de rente kan worden bepaald, en er aan de verkoper een beoordelingsmarge wordt gelaten met betrekking tot zowel de keuze van de referentie-index voor die rente als de omvang van de vaste marge die daaraan kan worden toegevoegd.
Tweede vraag
37
Volgens vaste rechtspraak dient het Hof, in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof de voorgelegde vragen indien nodig te herformuleren. Voorts kan het Hof bepalingen van het Unierecht in aanmerking nemen waarvan de nationale rechter in de formulering van zijn vraag geen melding heeft gemaakt (arrest van 15 juli 2021, Ministrstvo za obrambo, C-742/19, EU:C:2021:597, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38
Het staat in dit verband aan het Hof om uit alle door de verwijzende rechter verschafte gegevens, en met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de elementen van het Unierecht te putten die, gelet op het voorwerp van het geschil, uitlegging behoeven [arrest van 21 maart 2024, Profi Credit Bulgaria (Nevendiensten bij een kredietovereenkomst), C-714/22, EU:C:2024:263, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
39
In casu zijn de contractuele bedingen in het in het hoofdgeding aan de orde zijnde addendum vooraf vastgesteld door Raiffeisen Bank en heeft verzoeker in het hoofdgeding niet de mogelijkheid gehad om over de bedingen te onderhandelen of om invloed uit te oefenen op de inhoud ervan. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat in de heersende nationale rechtspraak wordt geoordeeld dat contractuele bedingen in addenda die door verkopers op grond van OUG nr. 50/2010 zijn opgesteld, niet kunnen worden getoetst op hun mogelijk oneerlijke karakter, ook niet wanneer er over die bedingen niet met de consument is onderhandeld.
40
In deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn tweede vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 3 van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale rechtspraak volgens welke de wijzigingen die een verkoper in de bedingen van een consumentenkredietovereenkomst aanbrengt om ervoor te zorgen dat die overeenkomst in overeenstemming is met een nationale regeling, die de verkoper een beoordelingsmarge laat, niet kunnen worden getoetst op hun oneerlijke karakter, ook al is over die bedingen niet met de consument onderhandeld.
41
In dit verband kan overeenkomstig artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 alleen een beding in een overeenkomst tussen een verkoper en een consument waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, aan een rechterlijke toetsing worden onderworpen om na te gaan of het oneerlijk is.
42
Artikel 3, lid 2, van die richtlijn specificeert bovendien dat een beding steeds geacht wordt niet het voorwerp van afzonderlijke onderhandeling te zijn geweest, wanneer het door de verkoper van tevoren is opgesteld en de consument dientengevolge geen invloed op de inhoud ervan heeft kunnen hebben, wat noodzakelijkerwijs het geval zal zijn als het een toetredingsovereenkomst is.
43
Het staat weliswaar aan de verwijzende rechter om alle omstandigheden in aanmerking te nemen waarin een dergelijk beding aan de consument is voorgelegd, teneinde vast te stellen of de consument invloed heeft kunnen uitoefenen op de inhoud ervan (zie in die zin arrest van 9 juli 2020, Ibercaja Banco, C-452/18, EU:C:2020:536, punt 35), maar het Hof heeft reeds geoordeeld dat de enkele ondertekening van een overeenkomst tussen een consument en een verkoper waarin is bepaald dat die consument door de overeenkomst te ondertekenen alle vooraf door de verkoper opgestelde contractuele bedingen aanvaardt, niet leidt tot weerlegging van het vermoeden dat over dergelijke bedingen niet afzonderlijk is onderhandeld (beschikking van 24 oktober 2019, Topaz, C-211/17, EU:C:2019:906, punt 51).
44
Het Hof heeft ook geoordeeld dat een wijziging van een rentebeding in het kader van het algemene beleid van heronderhandeling van hypothecaire leningsovereenkomsten met een variabele rente teneinde dat beding in overeenstemming te brengen met een beslissing van een hoogste rechter, een aanwijzing kan vormen dat de consument geen invloed heeft kunnen uitoefenen op de inhoud van dat beding. Bovendien volstaat de omstandigheid dat de consument zijn handtekening heeft laten voorafgaan met een met de hand geschreven vermelding dat hij het mechanisme van dat beding had begrepen, niet om aan te tonen dat daarover afzonderlijk is onderhandeld (zie in die zin arrest van 9 juli 2020, Ibercaja Banco, C-452/18, EU:C:2020:536, punten 36 en 38).
45
Hieruit volgt dat het feit dat over een beding in een kredietovereenkomst tussen een verkoper en een consument is onderhandeld, niet op een louter vermoeden kan worden gebaseerd, zonder dat is bewezen dat de consument daadwerkelijk over dat beding heeft kunnen onderhandelen en dus invloed heeft kunnen uitoefenen op de inhoud ervan.
46
Gelet op een en ander dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 3 van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale rechtspraak volgens welke de wijzigingen die een verkoper in de bedingen van een consumentenkredietovereenkomst aanbrengt om ervoor te zorgen dat die overeenkomst in overeenstemming is met een nationale regeling, die de verkoper een beoordelingsmarge laat, niet kan worden getoetst op hun oneerlijke karakter, ook al is over die bedingen niet met de consument onderhandeld.
Kosten
47
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich niet verzet tegen de beoordeling van het oneerlijke karakter van bedingen in een consumentenkredietovereenkomst tussen een consument en een verkoper wanneer de verkoper wijzigingen heeft aangebracht in deze bedingen om ervoor te zorgen dat die overeenkomst in overeenstemming is met een dwingende nationale regeling inzake de wijze van vaststelling van de rente, indien die regeling slechts een algemeen kader vaststelt waarmee voor deze overeenkomst de rente kan worden bepaald, en er aan de verkoper een beoordelingsmarge wordt gelaten met betrekking tot zowel de keuze van de referentie-index voor die rente als de omvang van de vaste marge die daaraan kan worden toegevoegd.
- 2)
Artikel 3 van richtlijn 93/13
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich verzet tegen nationale rechtspraak volgens welke de wijzigingen die een verkoper in de bedingen van een consumentenkredietovereenkomst aanbrengt om ervoor te zorgen dat die overeenkomst in overeenstemming is met een nationale regeling, die de verkoper een beoordelingsmarge laat, niet kunnen worden getoetst op hun oneerlijke karakter, ook al is er over die bedingen niet met de consument onderhandeld.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 30‑05‑2024