Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/8.2
8.2 De oorzaken van het ontstaan van denkfouten bij oordeels- en besluitvorming
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS457857:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Kahneman 2011, p. 97-99. In rechterlijke uitspraken gebeurt dit ook met enige regelmaat. Een voorbeeld is Rb. Den Haag 4 november 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BK5629 (Amstelhuys/A. c.s.). In deze zaak moest de rechter oordelen of een taxateur onzorgvuldig had gehandeld bij het taxeren van een appartement toen dat anderhalf jaar na de taxatie op een veiling ongeveer 60% van de getaxeerde executiewaarde opbracht. De rechtbank substitueerde de moeilijke maatmantoets door de makkelijker te beantwoorden vraag of de executieopbrengst meer dan 25% van de taxatiewaarde afweek. De taxateur ontkwam desondanks in eerste aanleg aan aansprakelijkheid vanwege de omstandigheid dat het appartement in die periode was uitgewoond, hetgeen het verschil tussen de executieopbrengst en de taxatie kon verklaren. In hoger beroep heeft het hof dit vonnis terecht vernietigd en de taxateur alsnog veroordeeld tot betaling van schadevergoeding. Zie Hof Den Haag 26 april 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ7495 (Amstelhuys/A. c.s.). is dat een oordeel van onderzoekers (of, in de tweede fase van de enquêteprocedure, van de Ondernemingskamer) dat onder invloed van heuristics en biases tot stand komt, daardoor onjuist kan zijn. En zelfs als het oordeel juist is, doet de gemankeerde motivering ervan afbreuk aan het gezag van het onderzoeksverslag zelf én aan de onderzoekers die het onderzoek hebben uitgevoerd respectievelijk de Ondernemingskamer.
Enneking, Giesen & Rijnhout 2013, p. 1018.
Kahneman 2011, p. 19-30. Kahneman benadrukt dat het spreken over Systeem 1 en Systeem 2 een – nuttige – fictie is. Het toerekenen van gedragingen aan Systeem 1 en Systeem 2 is een beschrijving, en niet een verklaring, van denkprocessen. Zie p. 28-29 en p. 415-418.
Enneking, Giesen & Rijnhout 2013, p. 1019.
Vgl. het beruchte vonnis van de president van de Rechtbank Almelo over het “niemendalletje”, 3 augustus 1983, Prg. 1984/2039 (Koekenberg/Loohuis c.s.).
Voor de invloed van andere heuristics en biases op bewijswaarderingen in het civiele recht verwijs ik naar Enneking, Giesen & Rijnhout 2013. Een algemene beschouwing over waarheidsvinding in het aansprakelijkheidsrecht waarin het voorkomen van diverse denkfouten uitvoerig aan de orde komt, biedt Giard 2016.
Wetenschappers op het gebied van de cognitieve en sociale psychologie houden zich al enige decennia bezig met de bewuste en onbewuste denkprocessen die de basis vormen voor de oordelen die wij vellen en de keuzes die wij maken. Uit dit onderzoek blijkt dat onze oordeels- en besluitvorming in veel gevallen niet tot stand komt op basis van een uitgebreide en rationele analyse van alle betrokken feiten en omstandigheden, maar op basis van zogenoemde heuristics. Dit zijn mentale short cuts die de cognitieve last van het nemen van een beslissing verlichten: men kan denken aan vuistregels, gezond verstand, intuïtie en educated guesses. Wat beoordelaars ook vaak doen, is het substitueren van een moeilijk te beantwoorden vraag door een makkelijker te beantwoorden vraag.1 Deze heuristics, die een belangrijke en zeer nuttige rol spelen, vooral in situaties waarin wij onder tijdsdruk oordelen moeten vellen en besluiten moeten nemen met betrekking tot complexe problemen en/of op basis van onvolledige informatie, maken deel uit van wat aangeduid kan worden als ons ‘automatisch systeem’ van denken. Dit systeem gaat snel, instinctief en associatief te werk en is automatisch, in die zin dat wij het niet kunnen uitzetten en dat wij er ons vaak niet eens van bewust zijn dat het onze gedachtevorming beïnvloedt. Het vormt daarmee de tegenhanger van ons ‘reflectieve systeem’ van denken, dat systematischer, weloverwogener en rationeler te werk gaat, maar daarmee ook een stuk langzamer en inspannender is.2 Deze twee denkprocessen worden in de cognitieve psychologie wel aangeduid als ‘Systeem 1’ en ‘Systeem 2’.3
Besluitvorming op basis van heuristics is soms onvermijdelijk, bijvoorbeeld als een bestuurder onder hoge druk en op basis van incomplete informatie een beslissing moet nemen. Maar als onderzoekers of rechters op basis van heuristics tot een oordeel komen, kan dat leiden tot onjuiste uitkomsten. Dit is vooral het geval waar heuristics aanleiding geven tot biases: cognitieve illusies of vertekeningen, denkfouten in een bepaalde richting of systematic errors die leiden tot een oordeel of besluit dat niet rationeel is, dat wil zeggen niet strookt met objectief vast te stellen feiten of met algemeen geaccepteerde mathematische, logische of statistische regels.4 Daarmee is niet gezegd dat een intuïtief oordeel altijd inferieur is aan een beredeneerd, systematisch oordeel. Een voorbeeld van een rechterlijk oordeel waarbij afgaan op intuïtie wel eens beter kan zijn dan proberen beredeneerd een beslissing te nemen, is het geven van een oordeel over de betrouwbaarheid van een getuige. Een dergelijke beslissing is immers niet altijd te rationaliseren. Het is ook niet zo dat een oordeel dat berust op denkfouten onjuist behoeft te zijn. Het eindresultaat kan hetzelfde zijn als dat van een oordeel dat wel op een deugdelijke analyse berust.5 Waar het om gaat,
Het aantal heuristics en biases dat in verband wordt gebracht met oordelen in een juridische context is schier eindeloos.6 In dit hoofdstuk beperk ik mij tot hindsight bias.7