Einde inhoudsopgave
RvdW 2025/726
Telen van hennep (art. 3 onder B Opiumwet) en aanwezig hebben van hennep (art. 3 onder C Opiumwet). Hof heeft verdachte n-o verklaard in zijn hoger beroep, omdat het te laat is ingesteld, art. 408 lid 2 Sv. Kan uit omstandigheid dat verdachte gehoor heeft gegeven aan bevel OvJ tot afname van celmateriaal t.b.v. DNA-onderzoek, in welk bevel is vermeld dat verdachte ‘op 09 maart 2011 door Rb Rotterdam is veroordeeld t.z.v. van art. 3 onder B jo art. 11 Opiumwet’, en i.v.m. deze veroordeling wangslijm van hem is afgenomen, worden afgeleid dat sprake is van omstandigheid waaruit voortvloeit dat einduitspraak de verdachte bekend is a.b.i. art. 408 lid 2 Sv? Hof heeft kennelijk aangenomen dat geen sprake is van omstandigheid a.b.i. art. 408 lid 1 Sv. O.g.v. art. 408 lid 2 Sv moet verdachte in dat geval binnen 14 dagen nadat zich omstandigheid voordoet waaruit voortvloeit dat einduitspraak de verdachte bekend is, h.b. instellen tegen vonnis Rb. Van ‘omstandigheid waaruit voortvloeit dat einduitspraak de verdachte bekend is’, is sprake als verdachte op de hoogte wordt gesteld van datgene wat voor hem van belang is voor besluitvorming t.a.v. instellen van h.b., zoals aard of zwaarte van de bij vonnis opgelegde straf(fen) of maatregel(en) (vgl. HR 12 februari 2013, NJ 2013/131). ’s Hofs oordeel dat zich op 17 augustus 2011 omstandigheid heeft voorgedaan a.b.i. art. 408 lid 2 Sv, is niet zonder meer begrijpelijk. Verdachte heeft gehoor gegeven aan bevel OvJ van 18 april 2011 tot afname van celmateriaal ten behoeve van DNA-onderzoek, in welk bevel is vermeld dat verdachte ‘op 09 maart 2011 door Rb Rotterdam is veroordeeld t.z.v. art. 3 onder B jo art. 11 Opiumwet’, waardoor op 17 augustus 2011 i.v.m. deze veroordeling wangslijm van hem is afgenomen. Dat brengt echter nog niet met zich dat verdachte op (uiterlijk) die laatstgenoemde datum op de hoogte is geraakt van datgene wat voor hem van belang is voor besluitvorming t.a.v. instellen van h.b. Volgt vernietiging en terugwijzing.
HR 27-05-2025, ECLI:NL:HR:2025:813
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
27 mei 2025
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, C. Caminada, F. Posthumus
- Zaaknummer
22/04429
- Conclusie
plv. A-G mr. M.E. van Wees
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Rechtsmiddelen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:813, Uitspraak, Hoge Raad, 27‑05‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:330, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 18‑03‑2025
Essentie
Telen van hennep (art. 3 onder B Opiumwet) en aanwezig hebben van hennep (art. 3 onder C Opiumwet). Hof heeft verdachte n-o verklaard in zijn hoger beroep, omdat het te laat is ingesteld, art. 408 lid 2 Sv. Kan uit omstandigheid dat verdachte gehoor heeft gegeven aan bevel OvJ tot afname van celmateriaal t.b.v. DNA-onderzoek, in welk bevel is vermeld dat verdachte ‘op 09 maart 2011 door Rb Rotterdam is veroordeeld t.z.v. van art. 3 onder B jo art. 11 Opiumwet’, en i.v.m. deze veroordeling wangslijm van hem is ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.