Vgl. eerst (verspreid over een vooropstelling en een toepassingsverweging) in HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1940, rov. 2.3 en 2.5, onder verwijzing naar HR 3 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9722, waarna herhaald - als vooropstelling - in HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2011, rov. 2.4.1, HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:930, rov. 2.4.1 en HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1933, rov. 2.4.1. Vgl. voorts - voor een gesplitste benadering - HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3353, rov. 2.3-2.4. En vgl. HR 22 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:746, rov. 2.4.
HR, 27-05-2025, nr. 22/04429
ECLI:NL:HR:2025:813
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
27-05-2025
- Zaaknummer
22/04429
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:813, Uitspraak, Hoge Raad, 27‑05‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:330
ECLI:NL:PHR:2025:330, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 18‑03‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:813
- Vindplaatsen
Uitspraak 27‑05‑2025
Inhoudsindicatie
Telen van hennep (art. 3.B Opiumwet) en aanwezig hebben van hennep (art. 3.C Opiumwet). Hof heeft verdachte n-o verklaard in zijn hoger beroep, omdat het te laat is ingesteld, art. 408.2 Sv. Kan uit omstandigheid dat verdachte gehoor heeft gegeven aan bevel OvJ tot afname van celmateriaal t.b.v. DNA-onderzoek, in welk bevel is vermeld dat verdachte “op 09-03-2011 door Rb Rotterdam is veroordeeld t.z.v. van art. 3/B jo 11 Opiumwet”, en i.v.m. deze veroordeling wangslijm van hem is afgenomen, worden afgeleid dat sprake is van omstandigheid waaruit voortvloeit dat einduitspraak de verdachte bekend is a.b.i. art. 408.2 Sv? Hof heeft kennelijk aangenomen dat geen sprake is van omstandigheid a.b.i. art. 408.1 Sv. O.g.v. art. 408.2 Sv moet verdachte in dat geval binnen 14 dagen nadat zich omstandigheid voordoet waaruit voortvloeit dat einduitspraak de verdachte bekend is, h.b. instellen tegen vonnis Rb. Van “omstandigheid waaruit voortvloeit dat einduitspraak de verdachte bekend is”, is sprake als verdachte op de hoogte wordt gesteld van datgene wat voor hem van belang is voor besluitvorming t.a.v. instellen van h.b., zoals aard of zwaarte van de bij vonnis opgelegde straf(fen) of maatregel(en) (vgl. HR:2013:BZ1940). ’s Hofs oordeel dat zich op 17-8-2011 omstandigheid heeft voorgedaan a.b.i. art. 408.2 Sv, is niet zonder meer begrijpelijk. Verdachte heeft gehoor gegeven aan bevel OvJ van 18-4-2011 tot afname van celmateriaal ten behoeve van DNA-onderzoek, in welk bevel is vermeld dat verdachte “op 09-03-2011 door Rb Rotterdam is veroordeeld t.z.v. art. 3/B jo 11 Opiumwet”, waardoor op 17-8-2011 i.v.m. deze veroordeling wangslijm van hem is afgenomen. Dat brengt echter nog niet met zich dat verdachte op (uiterlijk) die laatstgenoemde datum op de hoogte is geraakt van datgene wat voor hem van belang is voor besluitvorming t.a.v. instellen van h.b. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/04429
Datum 27 mei 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 21 november 2022, nummer 22-001916-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing naar het gerechtshof Den Haag, teneinde op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de verdachte niet-ontvankelijk is in het hoger beroep omdat het te laat is ingesteld.
2.2.1
De stukken die voor de beoordeling van het cassatiemiddel van belang zijn, houden het volgende in. De verdachte is in eerste aanleg bij verstek veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand en een taakstraf van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis, voor het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod en het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod. De inleidende dagvaarding is niet in persoon aan de verdachte uitgereikt. Het vonnis in eerste aanleg is uitgesproken op 9 maart 2011 en namens de verdachte is hoger beroep ingesteld op 27 juli 2020.
2.2.2
Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en daartoe overwogen:
“Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroepIn het dossier bevindt zich een aan de verdachte gericht bevel van de officier van justitie van het arrondissementsparket te Rotterdam van 18 april 2011. In de desbetreffende brief staat onder meer het volgende:
‘Datum 18 april 2011
Ons kenmerk 10-812224-10
Onderwerp Bevel tot DNA onderzoek (art. 2, lid 1 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden)
De officier van justitie beveelt, gelet op artikel 2, lid 1 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, dat van
Naam [verdachte]
Voornamen [verdachte]
Geboren [geboortedatum] 1965, te [geboorteplaats]
Wonende te [a-straat 1]
[plaats]
die op 09-03-2011 door de rechtbank te Rotterdam is veroordeeld ter zake van art. 3/B jo 11 Opiumwet, celmateriaal wordt afgenomen ten behoeve van een DNA-onderzoek.
U dient zich op 01-06-2011 te 12:30 uur (Oproep verzet naar 03-08-2011 te 13:30 uur, meneer vertelde dat hij beginnende longontsteking heeft/ Oproep verzet naar 17-08-2011 te 13:30 uur, hij moet 2 aug. naar het ziekenhuis) op onderstaand adres te melden voor het afnemen van het celmateriaal:
Pol. [...]
[b-straat 1]
[plaats]
Voorts bevindt zich in het dossier een proces-verbaal van afname van DNA-materiaal, d.d. 17 augustus 2011, opgemaakt door de [verbalisant] , inhoudende dat, ingevolge het hiervoor genoemde bevel, op 17 augustus 2011 te 13:35 uur wangslijm van de verdachte is afgenomen.
Op basis van deze feiten en omstandigheden stelt het hof vast dat de verdachte gehoor heeft gegeven aan het bevel van de officier van justitie, zoals neergelegd in de hierboven gedeeltelijk weergegeven brief van 18 april 2011. Dit brengt mee dat de verdachte kennis heeft genomen van de in de brief opgenomen mededelingen, waaronder ook de mededeling dat hij op 9 maart 2011 door de rechtbank te Rotterdam is veroordeeld ter zake van art. 3/B jo 11 Opiumwet.
Derhalve was de verdachte in ieder geval (uiterlijk) op 17 augustus 2011, toen van hem in verband met deze veroordeling wangslijm is afgenomen, op de hoogte van dat vonnis, althans van datgene wat voor hem van belang was voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep, zoals de aard van de bij het vonnis van 9 maart 2011 opgelegde straf (max straf 2 jaar).
De verdachte had derhalve op grond van artikel 408, lid 2, van het Wetboek van Strafvordering, uiterlijk binnen 14 dagen na 17 augustus 2011 hoger beroep moeten instellen. De verdachte heeft echter eerst op 27 juli 2020 hoger beroep ingesteld, zodat hij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.”
2.3
Artikel 408 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) luidt, voor zover hier van belang:
“1. Het hoger beroep moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:
a. de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend;
b. de verdachte op de terechtzitting of nadere terechtzitting is verschenen;
c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was;
(...)
2. In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is.”
2.4
Het hof heeft kennelijk aangenomen dat geen sprake is van een omstandigheid, vermeld in artikel 408 lid 1 Sv. Op grond van artikel 408 lid 2 Sv moet de verdachte in dat geval binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid voordoet waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is, hoger beroep instellen tegen het vonnis van de rechtbank. Van een ‘omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is’, is sprake als de verdachte op de hoogte wordt gesteld van datgene wat voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep, zoals de aard of zwaarte van de bij het vonnis opgelegde straf(fen) of maatregel(en). (Vgl. HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1940.)
2.5
Het oordeel van het hof dat zich op 17 augustus 2011 een omstandigheid heeft voorgedaan als bedoeld in artikel 408 lid 2 Sv, is niet zonder meer begrijpelijk. De verdachte heeft gehoor gegeven aan het bevel van de officier van justitie van 18 april 2011 tot afname van celmateriaal ten behoeve van een DNA-onderzoek, in welk bevel is vermeld dat de verdachte “op 09-03-2011 door de rechtbank te Rotterdam is veroordeeld ter zake van art. 3/B jo 11 Opiumwet”, waardoor op 17 augustus 2011 in verband met deze veroordeling wangslijm van hem is afgenomen. Dat brengt echter nog niet met zich dat de verdachte op (uiterlijk) die laatstgenoemde datum op de hoogte is geraakt van datgene wat voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep.
2.6
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2025.
Conclusie 18‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie plv. AG. Is verdachte terecht N-O verklaard in h.b. omdat zich een omstandigheid heeft voorgedaan (i.c. DNA-onderzoek bij veroordeelde) waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend was? Plv. AG meent dat middel slaagt. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/04429
Zitting 18 maart 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 21 november 2022 door het gerechtshof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben een middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
2.1
Het middel bevat de klacht dat het hof de verdachte onterecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep.
2.2
Uit een zich tussen de stukken van het geding bevindende Aantekening mondeling vonnis blijkt dat de verdachte op 9 maart 2011 door de politierechter van de rechtbank Rotterdam in de zaak met parketnummer 10/812224-10 is veroordeeld tot een taakstraf van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis, wegens het “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod” (feit 1) en het “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod” (feit 2).
2.3
Tegen dit vonnis is namens de verdachte op 27 juli 2020 hoger beroep ingesteld, naar ik begrijp (uit een aan de akte rechtsmiddel gehechte bijlage) nadat de verdachte in een e-mail gericht aan de “executie-administratie” van het arrondissementsparket Rotterdam had aangegeven hiertegen “bezwaar” te willen aantekenen.
2.4
Het gerechtshof heeft de niet-ontvankelijkheid als volgt gemotiveerd:
“Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
In het dossier bevindt zich een aan de verdachte gericht bevel van de officier van justitie van het arrondissementsparket te Rotterdam van 18 april 2011 In de desbetreffende brief staat onder meer het volgende:
‘Datum 18 april 2011
Ons kenmerk 10-812224-10
Onderwerp Bevel tot DNA onderzoek (art. 2, lid 1 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden)
De officier van justitie beveelt, gelet op artikel 2, lid 1 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, dat van
Naam [verdachte]
Voornamen [verdachte]
Geboren [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats]
Wonende te [a-straat 1]
[plaats]
Die op 09-03-2011 door de rechtbank te Rotterdam is veroordeeld terzake van art. 3/B jo 11 Opiumwet, celmateriaal wordt afgenomen ten behoeve van een DNA-onderzoek.
U dient zich op 01-06-2011 te 12:30 uur (Oproep verzet naar 03-08-2011 te 13:30 uur, meneer vertelde dat hij beginnende longontsteking heeft/ Oproep verzet naar 17-08-2011 te 13:30 uur, hij moet 2 aug. naar het ziekenhuis) op onderstaand adres te melden voor het afnemen van het celmateriaal:
Pol-R'dam-Rijnmond, be. Maashaven
Noordzijde 5
3072 AE Rotterdam’
Voorts bevindt zich in het dossier een proces-verbaal van afname van DNA-materiaal, d.d. 17 augustus 2011, opgemaakt door de verbalisant [verbalisant] , inhoudende dat, ingevolge het hiervoor genoemde bevel, op 17 augustus 2011 te 13:35 wangslijm van de verdachte is afgenomen.
Op basis van deze feiten en omstandigheden stelt het hof vast dat de verdachte gehoor heeft gegeven aan het bevel van de officier van justitie, zoals neergelegd in de hierboven gedeeltelijk weergegeven brief van 18 april 2011. Dit brengt mee dat de verdachte kennis heeft genomen van de in de brief opgenomen mededelingen, waaronder ook de mededeling dat hij op 9 maart 2011 door de rechtbank te Rotterdam is veroordeeld ter zake van art. 3/B jo 11 Opiumwet.
Derhalve was de verdachte in ieder geval (uiterlijk) op 17 augustus, 2011, toen van hem in verband met deze veroordeling wangslijm is afgenomen, op de hoogte van dat vonnis, althans van datgene wat voor hem van belang was voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep, zoals de aard van de bij het vonnis van 9 maart 2011 opgelegde straf (max straf 2 jaar).
De verdachte had derhalve op grond van artikel 408 lid 2, van het Wetboek van Strafvordering, uiterlijk binnen 14 dagen na 17 augustus 2011 hoger beroep moeten instellen. De verdachte heeft echter eerst op 27 juli 2020 hoger beroep ingesteld, zodat hij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.”
Cassatieklachten
2.5
Tegen deze overweging van het hof wordt door de stellers van het middel opgekomen met de klacht dat hieruit niet blijkt dat de verdachte op 17 augustus 2011 bekend was met de “daadwerkelijke aard of zwaarte van de aan hem opgelegde straf”. In dat verband wijzen zij ook op het feit dat in de brief die aan de verdachte is gestuurd alleen wordt gesproken over een veroordeling ter zake van feit 1 (overtreding van art. 3 onder B Opiumwet) en niet over feit 2 (overtreding van art. 3 onder C Opiumwet).
Juridisch kader
2.6
Art. 408 lid 2 Sv bepaalt - kort gezegd - dat indien zich geen omstandigheid voordoet op grond waarvan vaststaat dat de verdachte met de dag van de terechtzitting in eerste aanleg bekend was, hoger beroep moet worden ingesteld “binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is.” Het hof heeft toepassing gegeven aan deze bepaling.
2.7
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat “[v]an een 'omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is' (…) sprake [is] als de verdachte op de hoogte wordt gesteld van datgene wat voor hem van belang is voor de besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep (…) zoals de aard of zwaarte van de bij het vonnis opgelegde straf(fen) of maatregel(en)”1..
2.8
Uit de diverse arresten waarin deze regel is toegepast, blijkt dat in beginsel onvoldoende is dat de verdachte weet heeft van een (veroordelend) vonnis.2.Daaruit volgt immers niet dat de opgelegde straf de verdachte bekend is. Dat geldt ook indien op de mededeling vonnis die de verdachte heeft bereikt een parketnummer wordt vermeld maar niet de opgelegde straf, waardoor de verdachte dit zelf had kunnen navragen.3.Evenmin voldoende is het als de opgelegde straf wel aan de verdachte bekend is geworden, maar niet de last tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf.4.
2.9
Wel genoeg was het toen het hof op basis van de rapportage van de reclassering had vastgesteld dat de verdachte op een bepaalde datum telefonisch contact had gehad met een reclasseringsmedewerker over de uitvoering van de werkstraf die aan de verdachte was opgelegd de strafzaak die toen aan de orde was.5.En wanneer op de mededeling vonnis abusievelijk als datum van het vonnis de datum van de mededeling staat vermeld, brengt dat niet zonder meer mee dat de veertiendagentermijn pas vanaf die datum gaat lopen.6.
Beoordeling van het cassatiemiddel
2.10
In de onderhavige zaak heeft het hof vastgesteld dat de verdachte op de hoogte moet zijn geweest van een veroordelend vonnis omdat hij is opgeroepen voor een DNA-onderzoek als gevolg van die veroordeling.7.Meer specifiek heeft het hof vastgesteld dat de verdachte op de hoogte is gesteld van het feit waaraan hij schuldig is bevonden (althans één van de twee feiten), de oproeping vermeldt immers een veroordeling “ter zake van art. 3/B jo 11 Opiumw”. Het hof heeft niet vastgesteld dat de verdachte op de hoogte is gesteld van de aan hem concreet opgelegde straf. Voor het hof is klaarblijkelijk voldoende dat aan de verdachte de relevante wetsartikelen zijn medegedeeld terwijl deze feiten in abstracto bedreigd worden met een maximumstraf van 2 jaar gevangenisstraf.
2.11
Gelet op deze vaststellingen meen ik dat het oordeel van het hof dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan als bedoeld in art. 408 lid 2 Sv niet begrijpelijk is. Uit de hiervoor door mij besproken jurisprudentie volgt immers dat geëist wordt dat de verdachte de straf is medegedeeld die in de aan de orde zijnde zaak concreet is opgelegd. Dat veel mensen, indien zij kennisnemen van een hen treffende veroordeling ter zake van een (Opiumwet-)feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, wellicht zelf onderzoek zullen doen naar de overige inhoud van dit vonnis maakt dit voor mij niet anders, nu uit de hiervoor besproken jurisprudentie volgt dat dergelijk onderzoek niet van de verdachte wordt gevergd.
Afronding
3.1
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 23 november 2022. Indien de Hoge Raad mij volgt en het eerste middel laat slagen, kan dit eventueel na terugwijzing bij het hof aan de orde worden gesteld.
3.2
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing naar het gerechtshof Den Haag, teneinde op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 18‑03‑2025
HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1940. HR 22 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:746
HR 22 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:746. Vgl. in dit verband de daaraan voorafgaande conclusie van AG Vellinga (CAG van 27 maart 2018, ECLI:NL:PHR:2018:246, onder 11), die - onder verwijzing naar HR 20 april 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BL7689) - schrijft dat de opvatting dat de verdachte met die informatie zelf had moeten informeren naar de uitspraak, geen steun vindt in het recht.
HR 3 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9722. Of andersom, is de start van de tenuitvoerlegging van de in eerste aanleg opgelegde straf op zichzelf niet voldoende om aan te nemen dat de verdachte op de hoogte was van alle voor hem relevante omstandigheden, vgl. HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:930.
HR 2 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1821.
HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1933.