Einde inhoudsopgave
RvdW 2025/741
Oplichting, art. 326 lid 1 Sr. 1. Bewijsklacht. Kon hof in zijn bewijsoverweging betekenis toekennen aan gegeven dat naam die verdachte heeft genoemd bij zijn ‘babbeltruc’ een bekende zou zijn van aangever, terwijl uit bewijsmiddelen niet volgt dat deze persoon inderdaad een bekende is? 2. Bewijsklacht bewegen tot afgifte van geldbedrag. Verweer dat aangever zijn onderzoeksplicht heeft verzaakt. HR: art. 81 lid 1 RO.
HR 27-05-2025, ECLI:NL:HR:2025:768
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
27 mei 2025
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, A.L.J. van Strien, C.N. Dalebout
- Zaaknummer
23/04961
- Conclusie
plv. A-G mr. M.E. van Wees
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:768, Uitspraak, Hoge Raad, 27‑05‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:341, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 18‑03‑2025
Essentie
Oplichting, art. 326 lid 1 Sr. 1. Bewijsklacht. Kon hof in zijn bewijsoverweging betekenis toekennen aan gegeven dat naam die verdachte heeft genoemd bij zijn ‘babbeltruc’ een bekende zou zijn van aangever, terwijl uit bewijsmiddelen niet volgt dat deze persoon inderdaad een bekende is? 2. Bewijsklacht bewegen tot afgifte van geldbedrag. Verweer dat aangever zijn onderzoeksplicht heeft verzaakt. HR: art. 81 lid 1 RO.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04961
Datum 27 mei 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.