RvdW 2025/755:Diefstal (art. 310 Sr), eenvoudige belediging van ambtenaar (art. 266 lid 1 jo. art. 267 lid 1 onder 2 Sr) en bedreiging (art. 285 lid 1 Sr). Aanhoudingsverzoek voorafgaand aan tz. in hoger beroep per e-mail gedaan door raadsman op de grond dat verdachte is weggestuurd bij station en geen geld heeft voor treinkaartje omdat hij dakloos is, door hof afgewezen o.g.v. belangenafweging. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR 12 november 2019, NJ 2020/230, m.nt. P.A.M. Mevis, m.b.t. beoordelingskader aanhoudingsverzoeken. Raadsman heeft aan aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegd dat verdachte van plan was om op zitting te verschijnen maar eerder die ochtend was weggestuurd bij station en geen geld voor treinkaartje had omdat hij dakloos is. Hof heeft kennelijk deze aan verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid aannemelijk geacht maar geoordeeld dat belang dat niet alleen verdachte maar ook samenleving heeft bij doeltreffende en spoedige berechting zwaarder weegt dan belang van verdachte bij zijn aanwezigheidsrecht. Bij dat oordeel heeft hof in aanmerking genomen dat verzoek pas erg laat is gedaan, dat verdachte het vervoersprobleem eerder had moeten signaleren en had kunnen oplossen en dat het onduidelijk is wanneer verdachte wel geld zal hebben voor treinkaartje. Hof heeft dit oordeel ontoereikend gemotiveerd, nu hiervoor genoemde omstandigheden niet zonder meer met zich brengen dat verdachte niet op tz. aanwezig wilde zijn of dat belang van verdachte om aanwezig te zijn bij onderzoek ttz. ontbreekt. Hof heeft daarnaast uitsluitend ‘maatschappelijk belang om zaak tijdig af te doen’ in aanmerking genomen, zonder echter dat belang voor deze zaak (aan de hand van andere factoren zoals procesverloop, gewicht van zaak en belangen van eventuele benadeelde partijen die zich hebben gevoegd) te concretiseren. Hof heeft daarom in onvoldoende mate blijk gegeven van afweging van alle bij aanhouding van onderzoek ttz. betrokken belangen. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met RvdW 2025/757.