Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/8.7
8.7 Een model van oordeelsvorming
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS451833:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De Ondernemingskamer moet daarnaast het gevoerde beleid kwalificeren, iets waarvan de onderzoekers zich mijns inziens behoren te onthouden. Zie § 5.3.4.
Uiteraard is er veel meer over te zeggen dan ik in deze paragraaf kan doen. Ik realiseer mij dan ook dat mijn betoog wat kort door de bocht is. Ik wil ook geenszins suggereren dat de hier beschreven modellen de enige zijn die in de literatuur worden genoemd.
Guthrie, Rachlinski & Wistrich 2007, p. 102, met verdere verwijzingen; Rachlinski 2012b; Ten Velden & De Dreu 2012.
Zie § 8.2.
Kahneman & Frederick 2002, p. 51.
Guthrie, Rachlinski & Wistrich 2007, p. 103 en p. 106-112; Rachlinski 2012b. Zie hierover kritisch Posner 2013, p. 312-314. Dit model lijkt enigszins op de door Scholten beschreven sprong van het zedelijke oordeel van de rechter naar de verantwoording daarvan in de motivering van zijn beslissing (maar dan zonder de psychologische verklaring (die hij in 1931, toen de eerste druk van het Algemeen Deel van de Asser-serie verscheen, nog niet kon kennen)). Zie Asser/Scholten 1974, p. 130. Vgl. over rechterlijke intuïtie ook Soeharno 2005, die Scholtens intuïtieleer vergelijkt met een alternatief model van Aristoteles.
Guthrie, Rachlinski & Wistrich 2007, p. 103 en p. 123-126.
Voor de goede orde merk ik op dat veel rule-based beslissingen (zoals bijvoorbeeld of een rechtshandeling paulianeus is) vergen dat de rechter beoordeelt of aan de voorwaarden voor toepassing daarvan is voldaan. Dat kan ook een beoordeling van een business-beslissing vergen (bijvoorbeeld: had de rechtspersoon voldoende liquide middelen om een reorganisatie uit te voeren en hoe waarschijnlijk was het dat die reorganisatie succesvol zou zijn).
Hindsight bias bij het beoordelen van het handelen van ondernemingen is aangetoond door Stallard & Worthington 1998. Zie ook Teichman 2014, p. 357.
US Court of Appeals, Second Circuit, 4 november 1982, 692 F.2d 880, (Joy v. North et al.), r.o. 20. Er zijn talloze vergelijkbare beslissingen van Amerikaanse rechters. Vgl. Assink 2007.
Om te kunnen bespreken hoe de onderzoekers het oordelen met hindsight bias kunnen voorkomen, moet ik eerst kort bespreken hoe zij tot hun oordeel komen. Ik heb echter geen literatuur kunnen vinden waarin specifiek is onderzocht hoe onderzoekers en andere deskundigen tot hun oordeel komen. Er is daarentegen wel overvloedige literatuur over rechterlijke oordeelsvorming. In § 5.3.3 heb ik betoogd dat de onderzoekers het door de rechtspersoon gevoerde beleid moeten beoordelen. Wat betreft de beoordeling van het door de rechtspersoon gevoerde beleid is er dus geen verschil tussen de onderzoekers en de Ondernemingskamer.1 Om die reden meen ik dat het model van rechterlijke oordeelsvorming ook kan worden gebruikt als model van oordeelsvorming door de onderzoekers.
Traditioneel worden hierbij twee modellen onderscheiden: het formalistische en het realistische model.2 Volgens het formalistische model passen rechters het recht op de feiten toe in een logische, mechanische en weloverwogen manier: da mihi facta, dabo tibi ius. Het realistische model staat hiermee in schril contrast. Volgens de realisten bereiken rechters conclusies volgens een intuïtief en associatief proces, dat zij pas later rationaliseren met een weloverwogen motivering.3 Beide modellen zijn, zoals onder meer blijkt uit de cognitieve psychologie, oversimplificaties van de werkelijkheid. Kahneman & Frederick hebben een model ontwikkeld dat verklaart hoe Systeem 1 en Systeem 24 samenwerken.5 Systeem 1 verschaft snelle, intuïtieve en associatieve antwoorden op beoordelingsproblemen terwijl zij opkomen en Systeem 2 bewaakt de kwaliteit van de antwoorden en kan deze ondersteunen, corrigeren of terzijde stellen. Guthrie, Rachlinski & Wistrich hebben onderzocht of dit, zoals zij het noemen, intuitive override-model ook verklaart hoe rechters tot hun oordeel komen. Zij beargumenteren dat rechters in het algemeen intuïtief tot een beslissing komen, maar soms het intuïtieve oordeel terzijde stellen met een beredeneerd oordeel.6 Toegespitst op hindsight bias hebben zij in experimenteel onderzoek met rechters aangetoond dat wetenschap van de uitkomst een ex post beoordeling van de ex ante waarschijnlijkheid van mogelijke uitkomsten beïnvloedt. Ook hebben zij aangetoond dat rechters hun neiging om met hindsight bias te oordelen in sommige gevallen kunnen weerstaan. Dat is het geval als het gaat om complexe rule-based oordelen. Zij verklaren deze bevinding aldus dat bij complexe technisch- juridische problemen rechters zich ervan bewust zijn dat hun intuïtieve oordeel mogelijk niet overeenstemt met het geldende recht en zij daardoor langer nadenken alvorens te beslissen.7
Als het goed is vormt de motivering van de uitspraak de vastlegging van het beredeneerde oordeel van de rechter. Nu uit het onderzoek van Guthrie, Rachlinski & Wistrich blijkt dat een beredeneerd oordeel de intuïtief genomen beslissing niet altijd terzijde stelt, betekent dit dat, anders dan Giesen recentelijk heeft betoogd, het motiveren van een beslissing niet in alle gevallen een voldoende waarborg biedt tegen oordelen met hindsight bias.8
De oordelen die de onderzoekers over het handelen van de rechtspersoon moeten geven, gaan in belangrijke mate over business-beslissingen. Deze beslissingen vergen echter juist geen rule-based, in rechtsregels te vatten, beoordeling.9 Zoals het onderzoek van Guthrie, Rachlinski & Wistrich uitwijst, zijn immers dit soort oordelen bij uitstek vatbaar voor hindsight bias.10 Van dit besef is de Amerikaanse rechter doordrongen:
“(…) courts recognize that after-the-fact litigation is a most imperfect device to evaluate corporate business decisions. The circumstances surrounding a corporate decision are not easily reconstructed in a courtroom years later, since business imperatives often call for quick decisions, inevitably based on less than perfect information. The entrepreneur’s function is to encounter risks and to confront uncertainty, and a reasoned decision at the time made may seem a wild hunch viewed years later against a background of perfect knowledge.”11
Geldt dit ook voor de onderzoekers en de Ondernemingskamer?