Het onderzoek in de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/12.9:12.9 Conclusie
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/12.9
12.9 Conclusie
Documentgegevens:
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS451811:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Bijlage 1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De conclusie van mijn onderzoek is dat er nog een hoop te verbeteren valt, waardoor er tegemoet kan worden gekomen aan de stevige kritiek die er is op de wijze waarop het onderzoek kan worden uitgevoerd. De belangrijkste aanbevelingen die ik in dit verband doe, zijn de volgende:
Er moet een opleiding komen voor onderzoekers, te organiseren door de stichting Rimari.
Om de transparantie te bevorderen en partijen meer te betrekken bij de benoeming van onderzoekers moet de Ondernemingskamer de lijst met mogelijk te benoemen OK-functionarissen openbaar maken, onverminderd haar bevoegdheid om in bijzondere gevallen ad hoc onderzoekers te benoemen die niet op de lijst staan.
De Ondernemingskamer moet bij de aanvang van het onderzoek meer sturing geven aan het onderzoek door de onderzoeksopdracht duidelijker te formuleren.
De Ondernemingskamer moet, om te voorkomen dat dit in de praktijk een slag in de lucht blijkt te zijn, niet op eigen houtje een onderzoeksbudget vaststellen, maar de onderzoekers vragen om een begroting te maken, waarna zij het onderzoeksbudget vaststelt.
De Ondernemingskamer laat de onderzoekers te veel de vrije hand om het onderzoek naar eigen goeddunken uit te voeren en staat onvoldoende open voor kritiek van partijen op de uitvoering daarvan. Dat geldt zowel tijdens het onderzoek zelf als in de tweedefaseprocedure. Partijen hebben niet ten onrechte soms de indruk met een kluitje in het riet te worden gestuurd.
De Ondernemingskamer moet de Aandachtspunten, aanbevelingen en suggesties voor onderzoekers aanzienlijk aanscherpen en dwingender vastleggen hoe de onderzoekers in bepaalde omstandigheden moeten handelen, met dien verstande dat de regels ook voldoende flexibel moeten zijn om te voorkomen dat in kleinere, curatieve, enquêtes het onderzoek te veel wordt gejuridiseerd. De Aandachtspunten moeten in het vervolg ‘Richtlijnen voor de onderzoeker in de enquêteprocedure’ worden genoemd, wat zij in wezen nu ook al zijn.
De onderzoekers moeten het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon wel beoordelen, maar niet juridisch kwalificeren. Dit betekent dat zij zich er niet over moeten uitlaten of er sprake is van wanbeleid en zij geen voorstellen moeten doen voor door de Ondernemingskamer te treffen voorzieningen.
De onderzoekers moeten zich alleen uitlaten over de vraag wie verantwoordelijk is voor mogelijk blijkend wanbeleid indien de Ondernemingskamer hun dat uitdrukkelijk heeft verzocht, waarbij zij zich moeten beperken tot de verantwoordelijkheid van de onderscheiden organen van de rechtspersoon. De Ondernemingskamer moet zeer terughoudend zijn de onderzoekers te vragen zich hierover uit te laten.
Er kan een efficiencyvoordeel worden behaald als de raadsheer-commissaris een grotere rol krijgt en een aantal zaken waarin nu de Ondernemingskamer beslissingen neemt, aan hem wordt overgedragen.
Het is niet nodig om de wet fundamenteel te wijzigen om de rechtsbescherming van partijen bij het onderzoek te verbeteren. Slechts op ondergeschikte punten is een wetswijziging wenselijk.
De onderzoekers en, in de tweedefaseprocedure, de Ondernemingskamer moeten zich ervan bewust zijn dat zij onvermijdelijk oordelen met hindsight bias. Om de gevolgen van hindsight bias zoveel als mogelijk is te mitigeren, moeten de onderzoekers een gestructureerd werkproces toepassen. De Ondernemingskamer moet zich ervan bewust zijn dat toepassing van bepaalde rechtsregels het risico op oordelen met hindsight bias kan vergroten of beperken, en moet daar bij het formuleren van deze rechtsregels rekening mee houden.
Een volledige lijst met aanbevelingen heb ik als bijlage1 bijgevoegd.
Toen ik aan mijn onderzoek begon, had ik de indruk dat de Ondernemingskamer het onderzoek op een betere manier kan aansturen en dat dat kan leiden tot onderzoeken die kwalitatief beter zijn en sneller kunnen worden uitgevoerd. Het eerste deel van mijn hypothese is juist gebleken. De Ondernemingskamer kan het onderzoek beter aansturen. De belangrijkste wijzen waarop de Ondernemingskamer dat zou kunnen doen, heb ik hierboven weergegeven. De onderzoeksmethode die ik heb gekozen, maakt het evenwel niet mogelijk de juistheid van het tweede deel van mijn hypothese te verifiëren. Om dat te kunnen doen zou allereerst de Ondernemingskamer mijn aanbevelingen ter zake moeten overnemen en uitvoeren. Vervolgens zou empirisch onderzoek moeten worden gedaan om te bezien of door die nieuwe werkwijze onderzoeken sneller en goedkoper kunnen worden uitgevoerd, de kritiek op de wijze van uitvoering van het onderzoek afneemt en de tevredenheid onder de afnemers van de enquêteprocedure toeneemt.