Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/7.2.8.2
7.2.8.2 Compensatie voor de door de verdachte betwiste onderdelen van de getuigenverklaring?
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Zie daarover § 2.5.2 van hoofdstuk 6.
Verklaringen die voor het overige betrouwbaar zijn, kunnen ten aanzien van het door de verdediging betwiste punt onbetrouwbaar zijn.
De verdachte voerde aan dat hij vroeger een pistool had gehad, maar dat had ingeleverd bij de politie. Er bestonden aanwijzingen dat hij rond de tijd van de moord een pistool in zijn bezit had gehad, maar het ging in de procedure om de vraag of hij het moordwapen aan de medeverdachte had geleverd.
EHRM 17 september 2013, appl.no. 23789/09 (Brzuszczyń ski/Polen), § 55, 89 en 90. Zie ook de analyse van dit arrest door AG Knigge, in onderdeel 5.18 van zijn conclusie bij HR 10 december 2013, NJ 2014, 313.
Bij de vaststelling of een getuigenverklaring zoveel steun vindt in ander bewijsmateriaal dat deze als niet-beslissend wordt beschouwd, is van belang wat de verdachte heeft betwist. Het steunwijs zal dikwijls betrekking moeten hebben op de door hem betwiste onderdelen van de getuigenverklaring.1 Op het eerste gezicht lijkt het voor de hand te liggen dat dezelfde benadering zou worden gekozen ten aanzien van compensatie: de compenserende factoren zouden dan de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring moeten aantonen ten aanzien van de betwiste aspecten.2 Uit de jurisprudentie van het ehrm blijkt echter dat compensatie niet gekoppeld is aan de procespositie van de verdediging. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de overwegingen met betrekking tot compensatie in het arrest Brzuszczyń ski. De verdachte was veroordeeld wegens medeplichtigheid aan moord, door een pistool te leveren. Hij ontkende echter het pistool in zijn bezit te hebben gehad. Zijn medeverdachte was de beslissende getuige in deze zaak. Deze had verklaard over het aandeel van de verdachte.3 Het ehrm oordeelde dat voldoende compensatie bestond. Deze bestond voornamelijk uit de zorgvuldige analyse van de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring door de nationale rechter. Naar nationaal recht was het gebruik van verklaringen van medeverdachten onderworpen aan strenge voorwaarden. De rechter achtte in het bijzonder van belang dat de medeverdachte niet alleen de verdachte, maar ook zichzelf had belast. Hij had zichzelf zelfs in sterkere mate belast dan de verdachte, over wie hij had verklaard dat hij het moordwapen had geleverd en had aangeboden het lijk te verbergen. De rechter betrok in zijn overwegingen met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaring van de medeverdachte voorts steunbewijs. Dat bestond onder andere uit de bevestiging van de omstandigheden waaronder het slachtoffer om het leven was gebracht, medische documentatie en de verklaring van een wapendeskundige. Het ehrm accepteerde deze compenserende factoren. Lang niet alle factoren hielden verband met de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring ten aanzien van de betrokkenheid van de verdachte bij de moord. Voldoende lijkt te zijn geweest dat mocht worden aangenomen dat de verklaring van de medeverdachte in het algemeen betrouwbaar was.4