Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/7.2.8.5
7.2.8.5 Meer compensatie naarmate de beperking groter is
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 10 april 2012, appl.nos. 46099/06 & 46699/06 (dec.) (Ellis, Simms & Martin/ Verenigd Koninkrijk), § 74.
Zie daarover de noot van Mols onder EHRM 2 juli 2002, EHRC 2002, 91. Mols meende dat tegen de achtergrond van de beslissendheid van de getuigenverklaring het ter zitting afspelen van een video-opname van een verhoor en een audio-opname van een ander verhoor niet voldoende compensatie bood. Röttgering 2013, p. 240 spreekt juist van ‘stevige compensatie’ in die zaak.
In EHRM 3 maart 2011, appl.no. 31240/03 (Zhukovskiy/Oekraïne), § 45 was de omgekeerde redenering van toepassing. De verdachte was tijdens het voorbereidend onderzoek in staat gesteld getuigen te ondervragen. Deze omstandigheid betrok het EHRM bij de beoordeling van de compensatie. In deze zaak waren de getuigen van beslissende betekenis. Dat de verdachte tijdens het vooronderzoek de getuigen aan een cross-examination had kunnen onderwerpen en dat videoregistraties van de getuigenverhoren ter zitting waren afgespeeld, beschouwde het EHRM niet als voldoende compensatie. In de zaak waren de getuigenverklaringen nogal beslissend en had de verdachte een aanzienlijke straf opgelegd gekregen, wegens moord. Was dan anders geweest, dan is denkbaar dat het EHRM met de geboden compensatie akkoord zou zijn gegaan, omdat de verdachte niet in hoge mate beperkt was geweest in zijn ondervragingsrecht. Het was overigens opmerkelijk dat het EHRM compensatie onderzocht, aangezien toentertijd het EHRM een strikte sole or decisive rulepleegde te hanteren. Zie daarover § 2.2.2.
In deze zaak zou, zo kan uit de overwegingen van het EHRM worden afgeleid, alleen een ondervraging ter zitting een effectieve ondervragingsgelegenheid hebben opgeleverd. Zie daarover § 2.2.1 van hoofdstuk 4. Tegen deze achtergrond kan worden gesteld dat de verdediging in de uitoefening van het ondervragingsrecht beperkt was, omdat geen directe ondervraging ter zitting kon plaatsvinden. In § 2.3.6 van hoofdstuk 3 heb ik betoogd dat het ondervragingsrecht mijns inziens reeds niet geschonden was omdat een adequate ondervragingsgelegenheid was geboden. Het is de verantwoordelijkheid van de verdediging om een geboden gelegenheid te benutten.
EHRM 19 februari 2013, appl.no. 61800/08 (Gani/Spanje), § 48-49.
EHRM 12 juni 2014, appl.no. 30265/09 (Doncěv & Burgov/Macedonië), § 57-58. Zie daarover uitvoeriger de laatste alinea’s van § 2.2.1 van hoofdstuk 4.
Wanneer in het geheel geen ondervraging heeft plaatsgevonden, is de verdediging aanzienlijk meer beperkt in de uitoefening van haar verdedigingsrechten dan wanneer wel enige vorm van ondervraging heeft plaatsgevonden. Het ligt dan ook voor de hand dat meer compensatie vereist is naarmate de inbreuk op het ondervragingsrecht groter is. Ten aanzien van anonieme getuigen heeft het ehrm deze benadering omarmd: wanneer informatie over de getuige is bekendgemaakt, zonder dat zijn identiteit volledig is onthuld, is de verdediging in mindere mate beperkt dan wanneer helemaal geen informatie over de getuige is onthuld. In dat geval kan met minder compensatie worden volstaan.1 Met betrekking tot niet-anonieme getuigen heeft het ehrm nog niet expliciet een soortgelijke overweging gehanteerd.2 In de ehrm-jurisprudentie kunnen echter wel aanwijzingen worden gevonden in deze richting.3
In de zaak Gani had de verdediging verzocht om een ondervragingsgelegenheid. Deze werd ook geboden, ten overstaan van een onderzoeksrechter, maar de verdediging maakte er geen gebruik van. Het is duidelijk dat de verdediging onder die omstandigheden niet wezenlijk beknot is geweest in de uitoefening van het ondervragingsrecht, ook al is geen gelegenheid tot directe ondervraging ter zitting geboden.4 De verklaring van de betwiste getuige was van beslissende betekenis (the sole direct evidence). Vanwege het gewicht van de getuigenverklaring zou normaliter veel compensatie moeten worden geboden. Daarvan was echter geen sprake. De compensatie bestond in deze zaak slechts uit de zorgvuldige analyse van het bewijsmateriaal door de rechter en de (benutte) mogelijkheid voor de verdachte om de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring te betwisten bij de zittingsrechter. Dat zijn niet de sterkste compenserende factoren. Het ehrm achtte de positie van de verdediging voldoende gecompenseerd. Bij dat oordeel betrok het ook de omstandigheid dat de verdediging een ondervragingsgelegenheid had gekregen, maar deze niet had benut.5 In de zaak Doncěv & Burgov stelde het ehrm zelfs vast dat voldoende was gecompenseerd om de enkele reden dat een geboden ondervragingsgelegenheid niet was benut.6