Bewijsrechtelijke verhoudingen in het verzekeringsrecht
Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/4:HOOFDSTUK 4 DE MEDEDELINGSPLICHT BIJ HET AANGAAN VAN DE VERZEKERINGSOVEREENKOMST
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/4
HOOFDSTUK 4 DE MEDEDELINGSPLICHT BIJ HET AANGAAN VAN DE VERZEKERINGSOVEREENKOMST
Documentgegevens:
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS354689:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Inleidend
Op het moment dat een verzekeraar en een aspirant-verzekeringnemer overwegen met elkaar een overeenkomst aan te gaan, rust op de aspirantverzekeringnemer vóór het sluiten van de overeenkomst een mededelingsplicht. De achterliggende gedachte is duidelijk: voor de verzekeraar, van wie verwacht wordt dat hij door het sluiten van de overeenkomst een risico van de verzekeringnemer overneemt, is het over te nemen risico in de regel onbekend. Teneinde hem in staat te stellen een hem aangeboden risico op de verzekerbaarheid daarvan te beoordelen vloeit uit het bepaalde in art. 7:928 BW voor de verzekeringnemer een mededelingsplicht voort bij het sluiten van de overeenkomst, die in het eerste lid van genoemd artikel als volgt wordt omschreven:
'De verzekeringnemer is verplicht vóór het sluiten van de overeenkomst aan de verzekeraar alle feiten mede te delen die hij kent of behoort te kennen, en waarvan, naar hij weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar of, en zo ja, op welke voorwaarden, hij de verzekering zal willen sluiten, afhangt of kan afhangen.'
In dit artikel zijn alle aspecten van de verzwijgingsregeling neergelegd, die bepalend zijn voor de beantwoording van de vraag of de verzekeraar zich er met recht op kan beroepen dat de mededelingsplicht niet is nagekomen, te weten het kenbaarheidsvereiste, het kennisvereiste, de relevantie van de verzwijging en de eis van verschoonbaarheid.
In dit hoofdstuk zal ik nagaan in hoeverre zich bewijsrechtelijke vragen voordoen in het kader van de invulling van voornoemde aspecten, alsook in het kader van de rechtsgevolgen van het niet-naleven van de mededelingsplicht. Bijzondere aandacht verdienen in dat verband het zgn. moreel risico, het risico van onbetrouwbaarheid van de verzekerde, en de bekendheidsclausule. Tot slot komen de rol van het deskundigenbericht en de (bewijsrechtelijke) positie van het elektronische aanvraagformulier bij een beroep op verzwijging door de verzekeraar aan de orde.
4.1 De verplichting tot het mededelen van feiten vóór het sluiten van de overeenkomst4.2 Bewijsrechtelijke problematiek van de onderscheiden vereisten4.3 De gevolgen van het niet-nakomen van de mededelingsplicht4.4 Het morele risico4.5 Bewijsrechtelijke aspecten van de bekendheidsclausule4.6 Verzekeren zonder gebruik van het 'klassieke' aanvraagformulier