Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/8
HOOFDSTUK 8 BIJZONDERE VERPLICHTINGEN IN HET LICHT VAN DE AANSPRAKELIJKHEIDSVERZEKERING
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS360653:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wansink 2006, p. 354.
Illustratief is de hiervoor onder 5.2.1 weergegeven zaak over de afgebroken lier (Rb. Rotterdam, 14 december 2000, rolnr. HA ZA 97-1472, n.g., te kennen uit N. van Tiggele-van der Velde, Wansink-bundel 2006, p. 444). In deze zaak was de verzekerde werkgever de aansprakelijk gestelde partij (ex 7:658 BW), maar voorstelbaar is eveneens dat de aansprakelijkheid voor het voorval zou zijn terug te voeren op de producent of degene die de lier in onderhoud heeft. Verzekeraar, op wie uiteindelijk de verplichting rust om de door een derde geleden schade te vergoeden, dient juist in dit licht in een zo vroeg mogelijk stadium op de hoogte worden gesteld van het voorval.
Wansink 2006, p. 357.
Inleidend
De op de verzekeringnemer of de verzekerde rustende verplichtingen bij verwezenlijking van het risico zijn voor de aansprakelijkheidsverzekering goeddeels gelijk aan die voor andere verzekeringsvormen: ook bij de aansprakelijkheidsverzekering gelden de verplichtingen tot beredding, tot melding van de verwezenlijking van het verzekerd risico en die tot het verstrekken van gegevens. Grotendeels volgen de verplichtingen de reguliere lijnen, zoals deze hiervoor geschetst zijn.
Dat geldt ook voor de meldingsplicht ingevolge art. 7:941 BW, nu deze niet verplicht tot het melden van schade zodra deze is ontstaan, zoals onder het oude recht in art. 283 K (oud), maar reeds op de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde rust zodra deze van de verwezenlijking van het risico op de hoogte is of behoort te zijn. Daarmee speelt niet langer de complicatie die aan de aansprakelijkheidsverzekering eigen is dat de verzekeraar uiteindelijk de schade vergoedt die de verzekerde in zijn vermogen lijdt en dat die eerst wordt geleden zodra vaststaat dat de verzekerde voor een door een derde geleden schade aansprakelijk kan worden gehouden. Verdedigbaar is dat - in de woorden van Wansink - het risico zich bij de aansprakelijkheidsverzekering al begint te verwezenlijken vanaf het ogenblik waarop een gebeurtenis plaatsvindt waaruit door (vermeend) toedoen van de verzekerde voor derden schade ontstaat en de verzekerde er in redelijkheid rekening mee moet houden dat hij tot vergoeding daarvan aangesproken kan worden.1 Dat doet recht aan het eigen (onderzoeks)belang van de verzekeraar dat vaak in dat vroege stadium al speelt; een ongeval waarvoor onder de polis dekking gevraagd wordt, kan immers (mede) zijn oorzaak hebben in een omstandigheid die aan een ander toe te rekenen valt.2Veelal wordt juist ook vanwege dit belang een scherp geformuleerde meldingsplicht opgenomen in de polisvoorwaarden, waarbij uitgegaan wordt van een meldingsplicht op grond van 'een gebeurtenis waaruit voor de maatschappij de verplichting tot schadevergoeding kan voortvloeien', of 'op grond waarvan de verzekerde tot vergoeding van de op de polis verhaalbare schade gehouden zou kunnen zijn'. Onder dergelijke bepalingen -ik verwijs hiervoor graag naar de behandeling van de meldingsplicht onder 5.2.1 - komt het dus aan op de beantwoording van de vraag of de verzekerde redelijkerwijs moet kunnen verwachten dat hij aansprakelijk wordt gesteld. Daartoe zullen de omstandigheden van het schadegeval, zoals de (kenbare) gevolgen en de reactie van de betrokken derde(n), mede bepalend kunnen zijn.3 De stelplicht ter zake rust op de verzekeraar omdat zij onderdeel uitmaakt van de vraag of de melding 'te laat' is in de zin van de polis.
8.1 Verbod tot erkenning