Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/2
HOOFDSTUK 2 DE ONDERLINGE COMMUNICATIE TUSSEN DE VERZEKERAAR EN DE VERZEKERINGNEMER/VERZEKERDE
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS360645:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De term 'schriftelijk' in art. 7:933 lid 1, eerste volzin ziet blijkens de toelichting uit 1986 -Kamerstukken II1985/86, 19 529, nr. 3, p. 14 - op 'alle vormen die de modernste techniek kent'.
MvA, Kamerstukken I 2004/2005, 19 529, B, p. 9. De rechtshandeling die niet in de - ex 7:943 lid 2 BW dwingend - voorgeschreven vorm is verricht, is op grond van art. 3:39 BW nietig.
De verzekeringsrechtelijke wetgeving in de ons omringende landen kent niet een met art. 7:933 BW vergelijkbare algemene regel. Wel kent die wetgeving in een aantal gevallen vormvoorschriften voor met name genoemde berichten, zoals nog hieronder zal blijken.
Dat de verzekeraar zich bij het doen van mededelingen kan houden aan de laatste bij hem bekende woonplaats van de geadresseerde is niet meer dan een wettelijke uitwerking van het al bestaande algemene beginsel, neergelegd in art. 3:37 lid 3 BW. Zie Asser/Clausing & Wansink 2007, nr. 216. De niet meegedeelde verhuizing die hier bijvoorbeeld mee 'gevangen' wordt, zou bij ontbreken van de onderhavige bepaling onder de noemer van de 'uitzonderingen' van art. 3:37 lid 3 'voor rekening van' de geadresseerde komen. Zie over deze materie nader onder 2.1.4. In het kader van de directe actie ex art. 7:954 BW mag onder 'de geadresseerde' ook worden gerekend de benadeelde die immers de vordering van de verzekerde tegenover diens aansprakelijkheidsverzekeraar te gelde maakt.
Onder voorwaarden is bij Besluit van 8 februari 2008, Stb. 2008, 45, houdende regels inzake de verzending van mededelingen langs elektronische weg in het kader van een verzekeringsovereenkomst, inmiddels toegestaan dat de verzekeraar bepaalde mededelingen ook langs elektronische weg kan verzenden. Zie later in de hoofdtekst.
De gekozen manier van communiceren kan onder omstandigheden eveneens grote gevolgen hebben ingeval de verzekeraar een aanbod tot het sluiten van een verzekeringsovereenkomst afwijst. Omdat die situatie zich met name voordoet ingeval door de verzekeraar een clausule wordt gehanteerd die bedoelt iets te zeggen over de (on)herroe-pelijkheid van een gedaan aanbod - en zij daarmee zeer specifiek te noemen is - heb ik ervoor gekozen om deze situatie te bespreken in het hoofdstuk waar met het onderwerp de meeste aanknopingspunten te vinden zijn. Zie daarvoor onder 3.2.2.
Stb. 2008, 45. Naast de mededelingen waartoe de overeenkomst de verzekeraar aanleiding geeft (art. 7:933 BW), heeft het besluit - blijkens de Nota van Toelichting - betrekking op mededelingen als bedoeld in art. 929, 934, 936, derde lid, 938, tweede lid, 940, vierde lid, 954, derde lid, 966, tweede lid, 980, eerste lid en 983, derde lid van boek 7 BW.
Inleidend
Op het punt van de onderlinge communicatie tussen de verzekeraar en de verzekeringnemer kent titel 7.17 BW een enkele bepaling, te weten art. 7:933 BW. Daarin wordt allereerst aangegeven dat alle mededelingen waartoe de bepalingen van die titel of de overeenkomst de verzekeraar aanleiding geven, schriftelijk geschieden.1 De bepaling richt zich uitdrukkelijk op de verplichting(en) van de verzekeraar en het uitgangspunt is daarmee duidelijk: vanuit het belang van bescherming van de verzekeringnemer en de uitkeringsgerechtigde wordt - dwingendrechtelijk - afgeweken van de voor het burgerlijk recht in art. 3:37 BW gegeven hoofdregel dat verklaringen, met inbegrip van mededelingen, in iedere vorm mogen geschieden.23Art. 7:933 BW is daarnaast - in de tweede volzin - uitgesproken over de woonplaats waar verzekeraar bij het doen van schriftelijke mededelingen vanuit mag gaan: de verzekeraar kan zich houden aan de laatste hem bekende woonplaats van de geadresseerde.4
De in algemene bewoordingen gestelde bepaling dat 'alle mededelingen' schriftelijk dienen te geschieden aan de laatst bekende woonplaats is vanzelfsprekend met name relevant in die gevallen waarin aan een door de verzekeraar gedane mededeling (verstrekkende) gevolgen verbonden zullen (kunnen) zijn.5 In die zin laat de bepaling van art. 7:933 BW zich bewijsrechtelijk 'vertalen' naar de aanmaning tot premiebetaling (art. 7:934), de (tussentijdse) terhandstelling van de algemene voorwaarden (mede in het licht van art. 7:940 lid 4 BW) en de (waarschuwing bij mogelijke) tussentijdse opzegging (art. 7:940 lid 3).6 Aan elk van deze punten zal ik hieronder onder 2.1 aandacht besteden. Ondanks dat titel 7.17 BW zelf niet expliciet ingaat op aan de verzekeringnemer te stellen vereisten voor communicatie, zal ik ook ingaan op enkele bewijsrechtelijke aspecten ingeval de algemene voorwaarden van de verzekeraar daaromtrent (wel) nadere regels stellen (2.2). Tot slot komt aan de orde het in een laat stadium van de wetgevingsprocedure aan art. 7:933 BW toegevoegde tweede lid, dat bepaalt dat ten aanzien van de verzending van mededelingen langs elektronische weg bij AMvB van lid 1 afwijkende regels kunnen worden gesteld. Afwijkingen die in het Besluit van 8 februari 2008, houdende regels inzake de verzending van mededelingen langs elektronische weg in het kader van een verzekeringsovereenkomst, inmiddels vorm hebben gekregen op een wijze als hierna onder 2.3 weergegeven.7
2.1 De vorm en werking van de schriftelijke verklaring2.2 Afwijkingen van art. 3:37 BW ten nadele van de verzekerde2.3 Verzenden van mededelingen langs elektronische weg