Bewijsrechtelijke verhoudingen in het verzekeringsrecht
Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/4.6:4.6 Verzekeren zonder gebruik van het 'klassieke' aanvraagformulier
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/4.6
4.6 Verzekeren zonder gebruik van het 'klassieke' aanvraagformulier
Documentgegevens:
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS357058:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vanaf het einde van de vorige eeuw is intensief gediscussieerd over de mogelijkheid om verzekeringen langs elektronische weg af te sluiten zonder dat daaraan ten grondslag ligt een aanbod van de aspirant-verzekeringnemer in de vorm van een 'papieren' door hem ondertekend aanvraagformulier. Het is duidelijk dat het streven naar deze vorm van verzekering vooral werd ingegeven door de wens bij verzekeraars om tot kostenbesparing te komen. Tegelijkertijd werd wel de noodzaak onderkend de daaraan verbonden bewijsrechtelijke aspecten met name in het licht van de mededelingsplicht bij het sluiten van de verzekering voor de aspirant-verzekeringnemer te bezien.
Inmiddels leert de praktijk dat elektronisch verzekeren zonder gebruik van het 'klassieke' aanvraagformulier dat de aspirant-verzekering voor het sluiten van de verzekering invult en vervolgens ondertekent, ruim ingang heeft gevonden. Veel verzekeringen worden - in het kader van 'direct writing' - gesloten zonder specifieke toets door de verzekeraar, naar aanleiding van door de verzekeringnemer telefonisch gegeven informatie op een aantal punten. In het kader van dit boek is het met name interessant na te gaan op welke wijze met de daaraan verbonden bewijsrechtelijke aspecten in het licht van de mededelingsplicht bij het sluiten van een verzekeringsovereenkomst ex art. 7:928 BW rekening is gehouden.
Alvorens op die 'nieuwe praktijk' binnen het circuit van de 'direct writing' in te gaan, is het goed aandacht te besteden aan de casus die ten grondslag ligt aan de - voor zover ik kan nagaan - enige uitspraak van de Raad van Toezicht Verzekeringen op dit gebied.1 Het betreft een autoverzekering die op kantoor van de tussenpersoon met de verzekeraar wordt afgesloten. De tussenpersoon heeft daarbij gebruik gemaakt van een elektronische vragenlijst waarvan het programma door verzekeraar ter beschikking is gesteld. Bij de vraag naar het strafrechtelijke verleden heeft de tussenpersoon het antwoord 'nee' aangeklikt. Na het beantwoorden van de vragen heeft de aspirant-verzekeringnemer een voorgedrukt formulier ondertekend dat is voorzien van het woord 'polis' en waarop, voorzover hier van belang, het volgende is vermeld:
(...) 'Schade-verleden/opgezegde cq geweigerde verzekering: Nee
Feiten 251: Nee
Art. 251 Wetboek van Koophandel bepaalt dat een verzekeringsovereenkomst ongeldig kan worden verklaard, indien u bij het aanvragen van deze verzekering onjuiste of onvolledige informatie hebt verstrekt (kortom bij 'verzwijging'). Uw plicht om informatie te verschaffen omvat alles wat voor de maatschappij van belang kan zijn voor de beoordeling van het te verzekeren risico (en de persoon van de aanvrager en/of verzekerde).
(... )
Ondergetekende verklaart alle gegevens terzake van deze verzekering volledig en naar waarheid te hebben verstrekt en akkoord te gaan met het bovenstaande
en met het vermelde inzake Art. 251 WvK en het Reglement Persoonsregistraties.'
Problemen ontstaan wanneer de aspirant-verzekeringnemer twee maanden later bij het zelfde kantoor van de tussenpersoon een rechtsbijstandsverze-kering aanvraagt en bij die gelegenheid mededeelt dat hij een strafrechtelijk verleden heeft. Verzekeraar heeft daarop de rechtsbijstandsverzekering geweigerd en vervolgens de eerder gesloten autoverzekering met terugwerkende kracht beëindigd met een beroep op verzwijging door de verzekeringnemer van zijn strafrechtelijke verleden.
De (aspirant-)verzekeringnemer maakt hier tegen bezwaar en in zijn klacht tegen de verzekeraar bij de Raad van Toezicht Verzekeringen, verklaart hij het volgende:
'Hij heeft bij het sluiten van de autoverzekering aan de medewerker van de tussenpersoon alle gegevens doorgegeven, waaronder die met betrekking tot zijn strafrechtelijke verleden. De medewerker van de tussenpersoon is hierop niet verder ingegaan. Aan hem is geen vragenlijst overhandigd. Toen hij bij de tussenpersoon een rechtsbijstandsverzekering wilde sluiten, heeft hij wederom alle gegevens, waaronder die over zijn strafrechtelijke verleden, medegedeeld. Volgens hem heeft de medewerker die de aanvraag van de autoverzekering heeft behandeld, de vraag naar het strafrechtelijke verleden verkeerd op het beeldscherm ingevuld. Deze medewerker heeft verklaard dat de aspirant-verzekeringnemer de vraag naar het strafrechtelijke verleden niet heeft begrepen in verband met taalproblemen. Hij betwist dit; hij kan de Nederlandse taal goed verstaan.
Indien het gaat om belangrijke vragen op grond waarvan een verzekeraar de nietigheid van de verzekeringsovereenkomst kan inroepen, moeten die vragen schriftelijk worden voorgelegd en door de aanvrager worden ondertekend. Hij heeft geen uitdraai ontvangen of een stuk ondertekend waarop dergelijke vragen staan vermeld. In dit geval is dit niet gebeurd. Zonder ondertekende uitdraai wordt het voor hem erg moeilijk te controleren en te bewijzen dat hij bij het sluiten van de autoverzekering het strafrechtelijke verleden wel degelijk heeft opgegeven, aangezien de gegevens op het beeldscherm door andere geautoriseerde medewerkers kunnen worden gewijzigd. Het belang van een schriftelijk en ondertekend stuk blijkt uit de geldende jurisprudentie die inhoudt dat met betrekking tot een strafrechtelijk verleden geen spontane meldingsplicht geldt. Het is ook om die reden van belang dat duidelijk kan worden geconstateerd op welke wijze, bevestigend of ontkennend, een verzekeringnemer vragen omtrent een strafrechtelijk verleden heeft beantwoord.
Op grond van het voorgaande is hij van mening dat hij niets heeft verzwegen aan verzekeraar, omdat de tussenpersoon bij wie hij de autoverzekering heeft gesloten, voor verzekeraar optreedt. Hij verzoekt de klacht gegrond te verklaren en verzekeraar de aanwijzing te geven de verzekering per 12 oktober 2001 te laten ingaan.'
In zijn verweer wijst de verzekeraar er allereerst op dat de aspirant-verzekeringnemer na de invulling van de elektronische vragen lijst een schriftelijke versie van een akkoordverklaring heeft ondertekend waarop is vermeld dat hij deze vragen naar waarheid heeft beantwoord. Dat verzekeraar aan de tussenpersoon in plaats van een (schriftelijke) vragenlijst een digitale versie daarvan ter beschikking heeft gesteld, doet daaraan niet af. Vervolgens heeft hij uitdrukkelijk betwist dat andere medewerkers van de assurantietussenpersoon of van verzekeraar, buiten de betrokken behandelaar van de aanvraag, geautoriseerd zijn om de gegevens aan te passen. Het elektronisch systeem laat dit niet toe. Na het afsluiten van de aanvraagprocedure worden de ingevoerde gegevens vastgelegd en zijn ze niet meer te wijzigen.
Ten slotte raakt de verzekeraar in zijn verweer aan de bewijsproblematiek, stellende:
'Het geautomatiseerde systeem is in het onderhavige geval door, dan wel namens de aspirant-verzekeringnemer ingevuld. De Raad heeft in zijn uitspraak 2002/52 Mo van 9 september 2002 het gevaar onderkend dat de door verzekeraar gestelde vragen niet goed worden begrepen of genoteerd, zodat de verzekeraar niet mag volstaan met het noteren van de door de aanvrager gegeven antwoorden, maar aan hem de schriftelijke bevestiging dient te vragen dat de antwoorden juist en volledig zijn. In dit geval legde niet verzekeraar, maar een onafhankelijke tussenpersoon de vragen aan de aspirant-verzekeringnemer voor. Deze wist zich bij de uitleg van de vragen en het invullen daarvan gesteund door de zelfde onafhankelijke tussenpersoon wiens taak het is inlichtingen te verstrekken en te controleren of de aspirant verzekerde de vragen begrijpt en of diens antwoorden juist zijn weergegeven. De tussenpersoon heeft schriftelijk verklaard dat de vraag naar het strafrechtelijke verleden, met extra uitleg zijnerzijds, door de aspirant-verzekeringnemer met 'nee ' is beantwoord. Gelet op het voorgaande ziet verzekeraar geen gronden om zijn standpunt te herzien.'
En dan het oordeel van de Raad van Toezicht Verzekeringen dat mijns inziens als richting gevend moet worden beschouwd voor de wijze waarop een redelijk handelend verzekeraar in het licht van de mededelingsplicht bij het op afstand - al dan niet elektronisch - sluiten van een overeenkomst van verzekering ex art. 7:928 BW rekening behoort te houden met de daaraan verbonden bewijsrechtelijke aspecten.
De Raad stelt voorop dat juist als het gaat om een beroep op verzwijging - gelet op de ernstige consequenties die daaraan voor de verzekeringnemer verbonden kunnen zijn - op de verzekeraar een zorgplicht tegenover de verzekeringnemer rust om bewijsgeschillen te vermijden. Dat betekent dat 'van hem moet worden verwacht dat hij in staat is aan te tonen welk antwoord de aspirant verzekeringnemer op welke vraag heeft gegeven. Bijzondere omstandigheden daargelaten, zal dit veelal slechts kunnen blijken uit een schriftelijk door de verzekeringnemer ondertekend stuk.'
Vervolgens overweegt de Raad dat het door de verzekeraar gehanteerde formulier niet aan die eis voldoet nu daarin de voor een geslaagd beroep op vernietiging vereiste specificatie van de vermelde gegevens ontbreekt en dat ook als onvoldoende moet worden beschouwd een schriftelijke verklaring van de tussenpersoon, waarin deze aangeeft dat hij aan de aspirantverzekeringnemer uitleg heeft gegeven over de betekenis van de vraag naar het strafrechtelijke verleden en dat deze laatste daarop ontkennend heeft geantwoord:
'De Raad heeft in zijn uitspraak 2002/52 Mo van 9 september 2002 overwogen in een geval waarin de verzekeraar de aanvrager van een verzekering in de gelegenheid stelde zijn aanvraag mondeling (telefonisch) te doen en waarbij deze de door de verzekeraar gestelde vragen moest beantwoorden en de verzekeraar de gegeven antwoorden in zijn geautomatiseerde systeem invoerde, dat de kans dan niet is uit te sluiten dat de door de verzekeraar gestelde vragen door de aanvrager niet goed worden begrepen en ook dat de door de aanvrager gegeven antwoorden niet goed door de verzekeraar worden begrepen of worden ingevoerd. De Raad oordeelde dat de verzekeraar daarom niet mocht volstaan met het noteren (invoeren) van de door de aanvrager gegeven antwoorden, maar ook van de aanvrager een schriftelijke bevestiging moest vragen dat de genoteerde antwoorden juist en volledig zijn. Dit is niet anders in een geval als het onderhavige waarbij de aanvrager en de tussenpersoon een elektronische, door verzekeraar ter beschikking gestelde vragenlijst doornemen en de tussenpersoon de antwoorden invoert.
In het formulier dat door klager op 12 oktober 2001 voor akkoord is ondertekend, wordt weliswaar (met een verwijzing naar art. 251 van het Wetboek van Koophandel) vermeld dat alle gegevens ter zake van de autoverzekering volledig en naar waarheid zijn verstrekt, maar ontbreekt de voor een geslaagd beroep op vernietiging vereiste specificatie van die gegevens. Evenmin is gesteld of gebleken dat klager is gevraagd een ander stuk (bijvoorbeeld een uitdraai) te ondertekenen waaruit blijkt welke vragen op het beeldscherm zijn gesteld en welke antwoorden in het systeem zijn opgenomen. Verzekeraar kan niet worden gevolgd in zijn stelling dat, zo uit het voorgaande niet zou blijken dat klager zijn strafrechtelijke verleden heeft verzwegen, zulks dan toch volgt uit de schriftelijke verklaring van de medewerker van de tussenpersoon, welke verklaring inhoudt dat aan klager op 12 oktober 2001 nog uitleg is gegeven over de betekenis van de vraag naar het strafrechtelijke verleden en dat klager daarop ontkennend heeft geantwoord, nu klager juist deze lezing van de tussenpersoon heeft betwist en de verklaring niet dezelfde waarborgen biedt als de onder 2 bedoelde schriftelijke bevestiging van de aanvraag dat de door klager gegeven antwoorden juist en volledig zijn genoteerd.'
Verzekeren op afstand zonder gebruik van het 'klassieke' aanvraagformulier komt, als gezegd, in de praktijk ook veelvuldig voor in de wereld van zgn. 'direct writing' waarin de tussenkomst van een bemiddelende tussenpersoon juist ontbreekt. Naar verluidt worden daar negen van de tien verzekeringen telefonisch afgesloten. Vanuit efficiency- en commerciële overwegingen wordt het in meer algemene zin, maar zeker ook op het punt van het strafrechtelijk verleden onmogelijk geacht om telefonisch uitgebreide vragen te stellen. Commercieel speelt daarbij de gedachte bij verzekeraars dat het merendeel van de klanten te goeder trouw het uitgebreide vragen naar een strafrechtelijk verleden als zeer onprettig zal ervaren.2 Tegelijkertijd wil de verzekeraar een beroep op verzwijging (van een strafrechtelijk verleden) in voorkomende gevallen niet opgeven.
Hoe nu de bewijsproblematiek verbonden aan het niet-gebruiken van een 'klassiek' aanvraagformulier vóór het sluiten van de verzekering in een dergelijk geval te omzeilen? Telefonische navraag bij de grootste direct writer leert dat de volgende 'oplossing' in de praktijk gehanteerd wordt: aan de telefoon worden geen (lastige) (moraliteits)vragen gesteld. De verzekering wordt afgesloten (m.a.w. er wordt geen voorlopige dekking verleend). Vervolgens stuurt de verzekeraar aan de klant een bevestiging van het gesprek, voorwaarden, etc. inclusief een door de klant te ondertekenen 'retourblad' met daarin een aantal voor de beoordeling van het risico van belang geachte vragen, dat de verzekeringnemer na invulling binnen 14 dagen ondertekend moet retourneren. Als de door de klant verstrekte informatie op zichzelf juist en volledig, maar voor de verzekeraar niet acceptabel is, beëindigt de verzekeraar de overeenkomst. Wanneer (later) blijkt dat de klant via het retourblad aan de verzekeraar onvolledige en/of onjuiste informatie heeft verstrekt en de verzekeraar de klant bij kennis van de ware stand van zaken niet had willen accepteren, beëindigt zij de overeenkomst eveneens.
Hoe nu over deze oplossing te oordelen? Op zichzelf is juist dat de verzekeraar op deze wijze de bewijsproblematiek verbonden aan het niet-gebrui-ken van een 'klassiek' aanvraagformulier vóór het sluiten van de verzekering omzeilt. Immers, wel degelijk is sprake van een door de verzekeringnemer ondertekend vragenformulier dat de verzekeringnemer dient in te vullen en dat vervolgens na ondertekening aan de verzekeraar dient te worden terug gezonden. Echter, de verzekeraar kan slechts dan een beroep op schending van de mededelingsplicht ex art. 7:928 BW doen indien het gaat om het niet of niet volledig dan wel onjuist beantwoorden van vragen, gesteld vóór of bij het sluiten van de verzekering. Daarvan lijkt hier toch geen sprake. De verzekering is reeds gesloten voordat de (moraliteits)vra-gen worden gesteld. Daarmee wordt onduidelijk wat de juridische grondslag is voor een recht tot beëindiging van de verzekering bij niet-nakoming van de verplichting tot het opgeven van een strafrechtelijk verleden, zoals verlangd in de schriftelijke bevestiging. Indien de verzekeraar zich in de polisregeling het recht op opzegging voorbehoudt en daarbij niet de toetsnorm op basis van art. 7:929 hanteert, is toch alleszins verdedigbaar de stelling dat de verzekeraar - in ieder geval bij consumentenverzekeringen - op deze wijze, zij het indirect, in strijd handelt met het dwingendrechtelijk karakter van de regeling in art. 7:928 e.v. BW. Een beroep op de polisregeling voor zover deze in strijd is met voornoemde regeling, leidt dan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid tot een onaanvaardbare uitkomst in de zin van art. 6:248 BW, zo een beding als hier aan de orde niet reeds vernietigbaar is op grond van art. 3:40 lid 2 BW. Het lijkt erop dat hier toch alleen de 'klassieke' procedure van het verlenen van voorlopige dekking een juridisch waterdichte oplossing biedt.