Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/10
HOOFDSTUK 10 RISICOVERZWARING
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS361925:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 6 november 1992, NJ 1994, 150. De toevoeging 'buiten de wet om' zoals deze door mij in de hoofdtekst is opgenomen, is ontleend aan Mendel, die in zijn noot bij genoemd arrest verwijst naar art. 293 K (oud). In dit (vervallen) artikel (zie later in de hoofdtekst) was een specifieke regeling getroffen voor risicoverzwaring voor de brandverzekering. Hoewel dit artikel vervallen is, houdt het betekenis voor verzekeringen die vóór invoering van titel 7.17 BW zijn gesloten, vandaar de opneming tussen haakjes.
HR 6 november 1992, NJ 1994, 150, m.nt. MMM. Zie in breder verband, waaronder over het evenmin bescherming bieden van de algemene regeling van onvoorziene omstandigheden ex art. 6:258 BW, Asser/Clausing & Wansink 2007, nr. 391.
Dat is anders in het buitenland. Zie voor België art. 26 Wet op de Landverzekerings-overeenkomst (mededelingsplicht), voor Duitsland par. 23-27 VVG 2008 (mededelingsplicht), Frankrijk art. L 113-2 Code des Assurances (mededelingsplicht) en Engeland art. 33 Marine Insurance Act 1906 (Warranties). Het Duitse recht kent in par. 23 abs. 1 VVG 2008 zelfs een verbodsbepaling: 'Der Versicherungsnehmer darf nach Abgabe seiner Vertragserklärung ohne Einwilligung des Versicherers keine Gefahrerhöhung vornehmen oder deren Vornahme durch einen Dritten gestatten.'
Scheltema/Mijnssen 1998, nr. 5.47, stelt het scherp door aan te geven dat een verzekeraar die het niet nodig acht zich middels polisbepalingen te wapenen tegen risicoverzwaring, geen bescherming verdient.
In zijn uitspraak van 29 mei 2007, NJ F 2007, 326, heeft het Hof Den Haag zich uitgelaten over de vraag hoe de regeling ex art. 293 K (oud) zich verhoudt tot een op basis van de verzekeringsovereenkomst tussen partijen geldende meldingsplicht bij risicowijziging: 'Hetgeen partijen verdeeld houdt is het antwoord op de vraag of de regeling van art. 13 AV derogeert aan die van art. 293 K (oud) in dier voege dat, indien een belangrijke verandering van het risico in de zin van art. 13 AV tevens kan worden gekwantificeerd als een brandgevaar verhogende bestemmingswijziging in de zin van art. 293 K (oud), uitsluitend de regeling van art. 13 AV van toepassing is en geen plaats is voor toepasselijkheid van de regeling van art. 293 K (oud)'. Langs de weg van uitleg van de polisbepaling komt het hof tot het oordeel dat 'uitsluitend de regeling van art. 13 AV en niet die van art. 293 K (oud) van toepassing is.' Op zichzelf zou deze vraag bewijsrechtelijk van belang kunnen zijn nu de wijze waarop de verzekerde zich tegen een beroep op risicoverzwaring van de verzekeraar kan verweren, voor elk van deze regelingen verschillend is. Zie hieronder in 10.1.2 en 10.2.2. Het is evenwel de vraag of daaraan na invoering van titel 7.17 BW nog wordt toegekomen, gelet op het bepaalde in art. 221 lid 9 Ow NBW. Alhoewel de wetstekst dat niet met zo veel woorden zegt, blijkt uit de Toelichting duidelijk dat de overgangsregeling op grond waarvan art. 293 K (oud) gelding blijft houden voor 'oude' polissen, bedoeld is met het oog op die gevallen waarin die oude polissen geen specifieke regeling ter zake van een tussentijdse bestemmingswijziging bevatten en moet worden aangenomen dat partijen beoogd hebben om de regeling van art. 293 K (oud) in deze te laten gelden. Dat nu was in deze zaak niet aan de orde.
Voor een overzicht van uitspraken over dit onderwerp verwijs ik naar Asser/Clausing & Wansink 2007, nr. 393 e.v. en R. Feunekes, Risicoverzwaring bij schadeverzekeringen (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2001, p. 170 e.v.
Inleidend
Na het sluiten van de verzekeringsovereenkomst kunnen zich omstandigheden voordoen die het verzekerd risico zodanig verhogen dat de verzekeraar de overeenkomst niet of niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten indien het aldus verzwaarde risico reeds bij het sluiten daarvan zou hebben bestaan. Een verzwaring van het risico als hier bedoeld, rechtvaardigt niet - zo wordt algemeen aanvaard - aan te nemen dat (buiten de wet om) de gehoudenheid van de verzekeraar om het risico te lopen, een einde neemt.1 Ook kan naar het oordeel van de Hoge Raad niet worden aanvaard dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat de verzekeringnemer of de verzekerde gehouden is aan de verzekeraar mededeling te doen van verzwaring van het risico.2 Uit dit voorgaande volgt dat -gegeven het feit dat in titel 7.17 BW elke wettelijke regeling omtrent (de rechtsgevolgen van) risicoverzwaring ontbreekt3 - de verzekeraar die zich op (het ontbreken van dekking bij) risicoverzwaring wil kunnen beroepen, zich in de polisvoorwaarden tegen risicoverzwaring dient te wapenen.4
Dat was voor een deel anders onder het oude recht, omdat daarin in art. 293 K (oud) een voor de brandverzekering specifieke regeling was opgenomen voor risicoverzwaring door bestemmingswijziging: indien een verzekerd gebouw een andere bestemming verkrijgt en daardoor aan groter brandgevaar wordt blootgesteld, zodanig dat de verzekeraar bij kennis daarvan dit gebouw niet of niet op dezelfde voorwaarden zou hebben verzekerd, dan is hij niet tot dekking gehouden. Met de invoering van titel 7.17 BW is deze regeling en de eigen invulling die zij had binnen het verzekeringsrecht, vervallen. Omdat de regeling ingevolge art. 221 lid 9 Ow NBW wel haar betekenis houdt voor verzekeringen die vóór het tijdstip van het in werking treden van de wet zijn gesloten, verdienen de bewijsrechtelijke aspecten van deze in de oude wet opgenomen bescherming tegen risicoverzwaring toch nadere aandacht. Daarnaast zal ik ingaan op de door de verzekeraar in de praktijk veelal gehanteerde methoden van bescherming tegen de gevolgen van risicoverzwaring in de polisvoorwaarden en de bewijsrechtelijke implicaties die de keuze voor één van die methoden mee-brengt.5 Ik zal me daarbij in de structuur van dit boek beperken tot een bespreking van die (delen van) arresten over risicoverzwaring die bewijsrechtelijk relevante aanknopingspunten bieden.6
10.1 De (enige) wettelijke regeling: art. 293 K (oud)10.2 Bescherming op polisniveau: een drietal methoden