Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/7.2.8.10
7.2.8.10 Sterk casuïstische oordelen
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Van Zeben heeft een hele lijst van maatregelen opgesteld, die er zijns inziens tezamen voor zouden zorgen dat een zaak Straatsburg-proof is. Deze maatregelen zijn echter niet allemaal gebaseerd op de EHRM-jurisprudentie, terwijl ten aanzien van een aantal factoren, zoals de motivering van de afwijzing van een getuigenverzoek door de rechter, kan worden betwijfeld of het EHRM er wel een compenserende factor in zou zien. Zie Van Zeben 2006, p. 12-13 en Van Zeben 2005, p. 96.
EHRM 2 april 2013, appl.no. 25307/10 (dec.) (D.T./Nederland); EHRM 19 december 2013, appl.no. 26540/08 (Rosin/Estland).
In de zaak Rosin had de verdachte zelf een gedeeltelijk bekennende verklaring afgelegd. In de zaak D.T. had de verdachte slechts verklaard dat zijn dochter naast hem in een bed had geslapen. Het seksuele misbruik had hij ontkend.
EHRM 18 juli 2013, appl.no. 59632/09 (Vronchenko/Estland), § 61.
Vgl. EHRM 3 maart 2011, appl.no. 31240/03 (Zhukovskiy/Oekraïne), § 45.
Hiervoor is gebleken dat de vereiste hoeveelheid steunbewijs afhankelijk is van diverse factoren. Daar komt nog bij dat de specifieke compenserende factoren per zaak verschillen. Er hebben zich nog geen twee zaken voorgedaan waarin het ehrm precies dezelfde compenserende factoren betrok bij de beoordeling van de zaak, laat staan dat het gewicht van getuigenverklaring én de mate waarin het ondervragingsrecht kon worden uitgeoefend vergelijkbaar waren. De verschillende uitspraken zijn daardoor moeilijk te vergelijken. Alleen wanneer zaken wél in hoge mate op elkaar lijken, maar het ehrm in het ene geval een schending vaststelt en in het andere niet, kan min of meer worden vastgesteld bij welke set van factoren in een bepaalde situatie voldoende compensatie kan worden aangenomen en welke combinatie van factoren onvoldoende is als alternatief voor een rechtstreekse en onbeperkte ondervraging.1
Ik zal het casuïstische karakter van oordelen over compensatie illustreren aan de hand van twee zaken waarin een beslissende getuige geheel niet door de verdediging kon worden ondervraagd. In de zaken D.T. en Rosin was sprake van een minderjarig slachtoffer van een zedendelict. De klacht in de zaak D.T. werd kennelijk ongegrond verklaard en in de zaak Rosin werd een schending van het ondervragingsrecht vastgesteld.2
In de zaak D.T. was het slachtoffer 5 jaar oud ten tijde van het delict en in de zaak Rosin 11 jaar oud. In de zaak D.T. lijkt minder steunbewijs te hebben bestaan dan in de zaak Rosin, waardoor in die zaak meer compensatie noodzakelijk zou zijn.3 In beide zaken was het slachtoffer tijdens het voorbereidend onderzoek gehoord door de politie en was van dat verhoor een video-opname gemaakt, die ter zitting was afgespeeld. In beide zaken was de verdachte al bekend op het moment waarop het studioverhoor werd afgenomen, maar was hij niet uitgenodigd om dat verhoor bij te wonen. In beide zaken was de verdediging nalatig geweest. In de zaak D.T. doordat pas in hoger beroep voor het eerst een getuigenverzoek was gedaan4 en in de zaak Rosin doordat de verdediging geen bezwaar had gemaakt tegen het besluit van de rechter om de ter zitting aanwezige getuige toestemming te geven de zittingszaal te verlaten. In de zaak D.T. hadden deskundigen zich uitgelaten over de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring, terwijl de deskundige in de zaak Rosin slechts een rapport had uitgebracht over de vraag of het welzijn van het slachtoffer geschaad zou worden wanneer het ter zitting zou worden ondervraagd. In de zaak D.T. waren verklaringen van de moeder en oma van het slachtoffer beschikbaar. Dergelijk bewijsmateriaal, dat als steunbewijs kon worden gebruikt in het kader van de vaststelling of voldoende was gecompenseerd, ontbrak in de zaak Rosin weliswaar, maar in die zaak had de verdachte wel een gedeeltelijk bekennende verklaring afgelegd, die als steunbewijs kon dienen.
Op basis van deze factoren kan worden beredeneerd dat in de zaak D.T. meer compensatie moest worden gevonden dan in de zaak Rosin. In de zaak D.T. was het slachtoffer namelijk veel jonger – wat de kans op onbetrouwbare verklaringen groter maakte – en was de getuigenverklaring vrijwel het enige bewijsmateriaal op grond waarvan de schuld van de verdachte kon worden vastgesteld. Vermoedelijk zou in geen van beide zaken het enkele ter zitting tonen van een videoregistratie van het studioverhoor voldoende zijn geweest.5 In de zaak D.T. was een flink aantal compenserende factoren beschikbaar. In de zaak Rosin was het aantal compenserende factoren minder groot. In die zaak lijkt een cruciale overweging te zijn geweest dat de verdediging niet was uitgenodigd voor het studioverhoor. Precies dezelfde omstandigheid was aan de orde in de zaak D.T., maar in die zaak werd zij niet genoemd door het ehrm.
Hoewel de beide zaken sterke gelijkenissen vertonen, zijn de uitspraken van het ehrm niet hetzelfde, noch wat betreft het dictum, noch wat betreft de motivering. Verschillen in de feiten van de zaken hebben tot verschillende beslissingen geleid. Op voorhand was in beide zaken moeilijk voorspelbaar welke beslissing het ehrm zou nemen.
In verreweg de meeste zaken waarin het ehrm bij beslissende getuigenverklaringen compensatie heeft onderzocht, stelde het vast dat onvoldoende compensatie was geboden. In veel minder zaken oordeelde het dat voldoende compensatie was geboden en het ondervragingsrecht om die reden niet was geschonden. Hieruit lijkt te mogen worden afgeleid dat het ehrm niet snel genoegen neemt met compenserende factoren.