De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift
Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/6.3.5.2.2:3.5.2.2 De overdracht tegen een verwaarloosbare tegenprestatie
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/6.3.5.2.2
3.5.2.2 De overdracht tegen een verwaarloosbare tegenprestatie
Documentgegevens:
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948187:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Verstappen & Burgerhart, Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen deel A 2020, p. 139-140; Asser/Perrick 4 2021/262; L.C.A. Verstappen, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 684; F.J.W.M. Schols, Schenking en gift (Mon. BW nr. B82) 2011/8; C.A. Kraan, Handboek huwelijksvermogensrecht 2022, p. 133 en G. Meghelsen & J.B. Vegter, ‘Schenking volgens Titel 7.3’, WPNR 1995/6187, p. 471.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
317. In geval van een overdracht tegen een verwaarloosbare tegenprestatie wordt over het algemeen aangenomen dat het object van de gift het overgedragen goed zélf is, en dat dus van een schenking kan worden gesproken.1 Dat volgt ook uit de uitspraak van de Hoge Raad van 6 december 1968, ECLI:NL:HR:1968:AB7278, NJ 1969/310. In die uitspraak ging het om de inkorting ten behoeve van legitimarissen onder de werking van het oud BW. De Hoge Raad oordeelde:
“O. dat in deze zaak de vraag rijst in hoeverre de vervreemding van een onroerend goed tegen een prijs beneden de werkelijke waarde met de bedoeling de verkrijger te bevoordelen, moet leiden tot inkorting ten behoeve van legitimarissen;
dat bij de beantwoording van deze vraag moet worden onderscheiden tussen het geval, dat het goed is verkocht voor een weliswaar lage maar toch reële koopprijs, en het geval dat de bedongen tegenprestatie van zo geringe betekenis is, dat zij niet als een werkelijke koopprijs kan worden beschouwd;
dat in het eerste geval de verkrijger is bevoordeeld met het bedrag waarmede de waarde die het goed ten tijde van de verkoop had de koopprijs overtreft, en voor de berekening van het wettelijk erfdeel ten hoogste dit bedrag als bevoordeling in aanmerking komt;
dat in het tweede geval moet worden aangenomen, dat het goed zelf is geschonken, hetgeen medebrengt, dat bij de bepaling van de hoegrootheid van het wettelijk erfdeel ingevolge art. 968 BW het goed in aanmerking moet worden genomen naar zijn waarde op het ogenblik van het overlijden van de gever.”
De gedachte en techniek achter dit oordeel van de Hoge Raad is dat bij een verkoop tegen een verwaarloosbare prestatie per saldo geen sprake is van een koopovereenkomst. Aldus is geen sprake van een wederkerige overeenkomst, maar van een eenzijdige overeenkomst die de schenker verplicht tot overdracht zonder tegenprestatie, en dus van een overeenkomst om niet. Is degene die een goed tegen een verwaarloosbare tegenprestatie heeft verkregen in de wettelijke gemeenschap van goederen gehuwd, dan zal derhalve het goed zélf op grond van artikel 1:94 lid 2 sub a BW/artikel 1:94 lid sub a oud BW rechtstreeks van de werking van boedelmenging zijn uitgezonderd, waarbij bij de algehele wettelijke gemeenschap van goederen aan de schenking van het goed dan wel een uitsluitingsclausule verbonden moet zijn.