Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/6.3.5.3
3.5.3 Uitzonderingen op grond van artikel 1:94 lid 2 sub c BW
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948284:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Asser/Perrick 4 2021/279-281 en 588, L.C.A. Verstappen, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 694 en F.J.W.M. Schols, Schenking en gift (Mon. BW nr. B82) 2011/17.1.
Voor een dergelijke uitsluitingsclausule gelden dan wel vormvereisten. Zie paragraaf 5.2.2 hierna, mede onder verwijzing naar Van Mourik & Schols, Relatievermogensrecht (Mon. Pr. nr. 12) 2021/47.3 en Asser/Perrick 4 2021/279-281.
Zie Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2023/297; Verstappen & Burgerhart, Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen deel A 2020, p. 137 en De Bruijn/Huijgen & Reinhartz, Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht 2019, p. 229.
327. In de vorige paragrafen hebben de verkrijgingen krachtens gift centraal gestaan die onder de werking van artikel 1:94 lid 2 sub a BW/artikel 1:94 lid 2 sub a BW vallen. Artikel 1:94 lid 2 sub c BW zondert van de beperkte huwelijksgemeenschap echter ook nog uit ‘hetgeen wordt verkregen ingevolge artikel 126, eerste lid en twee lid, onderdelen a en c, van Boek 4 BW’. Artikel 4:126 BW heeft betrekking op de zogenoemde ‘quasi-legaten’ of ‘giften ter zake des doods’. Dat zijn giften waaruit voor de begiftigde(n) vorderingen voortvloeien die zeer op legaten lijken. Het gaat daarbij met name om giften die de strekking hebben dat zij pas na het overlijden van de schenker of gever worden uitgevoerd, en die niet reeds tijdens het leven van de schenker of gever uitgevoerd zijn.1 Artikel 4:126 lid 1 BW handelt over deze ‘giften ter zake des doods’. De wetgever heeft hier echter niet mee volstaan, en in het tweede lid van artikel 4:126 BW ook een aantal rechtsfiguren genoemd die geen giften ter zake des doods zijn, maar voor hetgeen in Boek 4 BW is bepaald omtrent de inkorting en vermindering van legaten toch ook met een legaat gelijk worden gesteld.2 Op grond van artikel 1:94 lid 2 sub c BW zijn beide categorieën van de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen uitgezonderd. Voor de algehele wettelijke gemeenschap van goederen ontbreekt een dergelijke bepaling. Uit artikel 1:94 lid 2 sub a oud BW volgt echter dat ook aan giften ter zake des doods een uitsluitingsclausule kan worden verbonden. Het artikel spreekt immers generiek over ‘bij de gift’, zodat bij de algehele wettelijke gemeenschap van goederen ook giften ter zake des doods van de huwelijksgemeenschap zijn uitgezonderd wanneer aan die gift een uitsluitingsclausule is verbonden.3
328. Alhoewel de wetgever in artikel 1:94 lid 2 sub c BW de verkrijgingen ingevolge artikel 4:126 lid 1 en 2 BW als afzonderlijke uitzondering op de werking van boedelmenging formuleert, is het belangrijk om goed voor ogen te houden dat ook deze verkrijgingen als giften kwalificeren, en dus eigenlijk op grond van artikel 1:94 lid 2 sub a BW al van de werking van boedelmenging zijn uitgezonderd. Ondanks dat de wetgever dergelijke giften in bepaalde opzichten met een legaat gelijk stelt, kwalificeren deze dusniet als erfrechtelijke verkrijgingen. In de huwelijksvermogensrechtelijke literatuur wordt dat niet altijd onderkend, en worden de quasi-legaten van artikel 4:126 lid 1 en 2 BW als ‘erfrechtelijke aanspraken’ aangeduid.4 Dat is dus niet terecht. Dat is met name van belang wanneer de gift de kwijtschelding van een verschuldigde (tegen)prestatie behelst, of als een materiële bevoordeling kwalificeert. In paragraaf 3.2.3 is reeds uiteengezet dat wanneer sprake is van een sublegaat het krachtens legaat verkregen goed hoe dan ook buiten de huwelijksgemeenschap valt, ongeacht de omvang van de tegenprestatie die daarvoor is verschuldigd, en ongeacht uit welk vermogen die tegenprestatie is voldaan. In een dergelijk geval is immers het goed zélf krachtens legaat – en dus krachtens erfrechtelijke titel – verkregen, zodat dit in alle gevallen buiten de huwelijksgemeenschap valt waarin de legataris is gehuwd. In de vorige paragrafen is gebleken dat dit bij giften aanzienlijk genuanceerder ligt. Als daar sprake is van een overdracht van een goed tegen een niet-verwaarloosbare tegenprestatie, dan is niet dat goed zélf krachtens gift verkregen, maar ligt de gift besloten in de directe of indirecte kwijtschelding van (een deel van) die tegenprestatie, of in de materiële bevoordeling. In dat geval kan het verkregen goed slechts via de omweg van artikel 1:95 lid 1 BW alsnog buiten de huwelijksgemeenschap vallen. Dit geldt dus óók wanneer de kwijtschelding of materiële bevoordeling als een ‘gift ter zake des doods’ kwalificeert. Het aldus verkregen goed zal dan niet in alle gevallen buiten de beperkte huwelijksgemeenschap vallen, maar slechts indien en voor zover aan de vereisten van artikel 1:95 lid 1 BW is voldaan, en wel op dezelfde wijze als voor de ‘gewone’ overdracht tegen een (gedeeltelijk) kwijtgescholden tegenprestatie of materiële bevoordeling geldt. Verwezen wordt naar hetgeen over die ‘gewone’ overdracht in de paragrafen 3.5.2.3 en 3.5.2.4 reeds is opgemerkt.