De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift
Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/6.6:6 Conclusie
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/6.6
6 Conclusie
Documentgegevens:
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948227:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
379. In dit hoofdstuk is de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen onderzocht in verhouding tot erfrechtelijke verkrijgingen en verkrijgingen krachtens gift. Daarbij zijn zowel de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen als de algehele wettelijke gemeenschap van goederen aan de orde gekomen. Voor de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen geldt dat met de door artikel 1:94 lid 2 sub a en c BW uitgezonderde erfrechtelijke verkrijgingen alle goederen en rechten die een erfgenaam, legataris, langstlevende echtgenoot of kind uit hoofde van het in Boek 4 geregelde erfrecht kan verkrijgen van de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen zijn uitgezonderd. Daarbij mag worden aangenomen dat voor zover het erfrechtelijke wilsrechten betreft niet alleen die wilsrechten rechtstreeks van de werking van boedelmenging zijn uitgezonderd, maar óók de vordering die door uitoefening van die wilsrechten ontstaat, en hetgeen op die vordering wordt geïnd. Met betrekking tot giften is gebleken dat het voor de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen telkens van belang is om vast te stellen wat het object van die gift precies is. Als een echtgenoot een goed verkrijgt zal dat alléén rechtstreeks van de werking van boedelmenging zijn uitgezonderd wanneer tegenover de verkrijging van dat goed géén, dan wel een verwaarloosbare, tegenprestatie staat. Alleen dan is sprake van een verkrijging ‘om niet’ waardoor het goed zelf geschonken is en dat goed op grond van artikel 1:94 lid 2 sub a BW rechtstreeks van de werking van boedelmenging is uitgezonderd. Gaat het om de verkrijging van een goed waarbij de verschuldigde tegenprestatie wordt voldaan middels geleende gelden en waarbij die lening gelijktijdig geheel of gedeeltelijk wordt kwijtgescholden (een ‘indirecte’ kwijtschelding), dan is het object van die gift de (gedeeltelijke) kwijtschelding van die lening, waardoor het verkregen goed zélf niet rechtstreeks van de werking van boedelmenging is uitgezonderd. Alsdan zal op grond van artikel 1:95 lid 1 BW vastgesteld moeten worden of het verkregen goed toch niet alsnog van de werking van boedelmenging is uitgezonderd. Dat zal het geval zijn wanneer de verkrijging en kwijtschelding gelijktijdig hebben plaatsgevonden, en deze kwijtschelding méér bedraagt dan de helft van de in totaal verschuldigde tegenprestatie voor de verkrijging van het goed. Precies hetzelfde geldt wanneer de verschuldigde tegenprestatie bij de verkrijging van het goed rechtstreeks voor meer dan de helft is kwijtgescholden (een ‘directe’ kwijtschelding), of wanneer het goed is overgedragen tegen een niet verwaarloosbare, maar wel te lage tegenprestatie (een zogenoemde ‘materiële bevoordeling’). Ook in die gevallen is het verkregen goed niet rechtstreeks van de werking van boedelmenging uitgezonderd, maar zal dit alsnog op grond van artikel 1:95 lid 1 BW van de huwelijksgemeenschap zijn uitgezonderd wanneer de kwijtschelding of het netto voordeel méér bedraagt dan de helft van de totale tegenprestatie of de helft van de werkelijke waarde van het betreffende goed.
380. Is sprake van een algehele wettelijke gemeenschap van goederen, dan zullen verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift in beginsel in de huwelijksgemeenschap vallen. In dit hoofdstuk is gebleken dat de gevolgen daarvan op een aantal belangrijke onderdelen worden gemitigeerd. Dat gebeurt door de bestuursregeling van artikel 1:97 lid 1 BW. Op grond van de bijzondere verknochtheid die aan deze regeling ten grondslag ligt voor goederen die een echtgenoot krachtens erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift heeft verkregen kan worden aangenomen dat deze goederen niet alleen vóór ontbinding van de huwelijksgemeenschap onder het exclusieve bestuur staan van de echtgenoot die deze heeft verkregen, maar dat dit exclusieve ‘bestuur’ zich ook ná ontbinding van de huwelijksgemeenschap voortzet. Daardoor worden na ontbinding de gebruikelijke regels van Titel 3.7 BW doorkruist. Alhoewel dit uit de tekst van artikel 1:97 BW niet kan worden afgeleid geldt dit ook voor de wilsrechten van artikel 4:19-4:22 BW, de legitieme en de andere wettelijke rechten van Afdeling 4.3.2 BW.
381. Wat betreft schulden die krachtens erfrechtelijke titel of gift kunnen opkomen, zijn in dit hoofdstuk artikel 1:94 lid 7 sub a tot en b BW en artikel 1:94 lid 5 sub a oud BW aan de orde gekomen. Onder deze categorieën vallen alleen schulden die rechtstreeks verband houden met de eigendom of het beheer van goederen die van de gemeenschap zijn uitgezonderd. Schulden die weliswaar verband houden met goederen die van de gemeenschap zijn uitgezonderd, maar daar niet direct uit voortvloeien, zoals een schuld die is aangegaan om kosten van onderhoud of verbetering te kunnen betalen, vallen niet onder deze uitzonderingen van artikel 1:94 lid 7 sub a/artikel 1:94 lid 5 sub a oud BW. Onder de categorie ‘schulden die rechtstreeks verband houden met goederen die van de gemeenschap zijn uitgezonderd’ vallen ook schulden die zijn aangegaan in verband met de verwerving van een goed dat op grond van artikel 1:95 lid 1 BW van de huwelijksgemeenschap is uitgezonderd. Daarbij past dan wel de belangrijke kanttekening dat dit alléén geldt wanneer het geleende geld rechtstreeks door de geldverstrekker aan de verkoper van het betreffende goed is voldaan. Is dat niet het geval dan zijn de geleende gelden tot vermogen van de betreffende echtgenoot gaan behoren, en vervolgens krachtens boedelmenging in de huwelijksgemeenschap gevallen. De daartegenover staande schuld is dan ook in de huwelijksgemeenschap gevallen. Dat resultaat kan dan niet meer veranderen, ook niet als de geleende gelden direct daarna zijn besteed voor de gedeeltelijke voldoening van de tegenprestatie van een goed dat op grond van artikel 1:95 lid 1 BW buiten de huwelijksgemeenschap is gevallen.
382. In het laatste deel van dit hoofdstuk zijn de in- en uitsluitingsclausule aan de orde gekomen. Daarbij is gebleken dat deze clausules niet alleen aan de verkrijging van goederen kan worden verbonden, maar ook aan de kwijtschelding van een lening of verschuldigde tegenprestatie voor de verkrijging van een goed, alsmede aan het netto voordeel dat in de verkrijging van een goed tegen een te lage tegenprestatie besloten ligt. Daarbij is het niet mogelijk dat de gever zelf bepaalt waar de in- of uitsluitingsclausule op ziet. De clausule is verbonden aan de gift, waarbij de aard van de bevoordelende rechtshandeling bepaalt wat het object van de gift is. Ten aanzien van de in- en uitsluitingsclausule is verder bepleit dat het niet mogelijk is om een goederenrechtelijk werkende voorwaardelijke in- of uitsluitingsclausule te maken. Het gesloten stelsel van het goederenrecht staat daaraan in de weg.