De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift
Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/6.3.5.1:3.5.1 Inleidende opmerkingen
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/6.3.5.1
3.5.1 Inleidende opmerkingen
Documentgegevens:
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948131:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Asser/Perrick 4 2021/279-281 en 588; L.C.A. Verstappen, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 694 en F.J.W.M. Schols, Schenking en gift (Mon. BW nr. B82) 2011/17.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
312. Hiervóór zijn de verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel aan de orde gekomen. In deze paragraaf komen de verkrijgingen krachtens gift aan de orde. Op grond van artikel 1:94 lid 2 sub a BW zijn van de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen uitgezonderd goederen die ‘krachtens gift’ zijn verkregen. Daarnaast bepaalt artikel 1:94 lid 2 sub c BW dat van de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen is uitgezonderd ‘hetgeen wordt verkregen ingevolge artikel 126, eerste en tweede lid, onderdelen a en c, van Boek 4’. Deze categorie van giften wordt ook wel aangeduid als ‘quasi-legaten’ en/of ‘giften ter zake des doods’.1 Voor de algehele wettelijke gemeenschap van goederen geldt dat giften op grond van artikel 1:94 lid 2 sub a oud BW alléén van de huwelijksgemeenschap zijn uitgezonderd wanneer aan die gift een uitsluitingsclausule is verbonden.
313. In deze paragraaf zal eerst worden ingegaan op de uitzondering van 1:94 lid 2 sub a BW. Daarbij zullen in paragraaf 3.5.2 eerst de begrippen ‘gift’ en ‘schenking’ aan de orde komen (zie paragraaf 3.5.2.1). Daarna zullen in diezelfde paragraaf verschillende gevallen van schenking en gift worden behandeld, telkens in relatie tot de omvang van de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen (zie de paragrafen 3.5.2.2-3.5.2.5). Het gaat daarbij telkens om de vraag wat het voorwerp van de gift is, en op welke manier die (voorwerp van) gift invloed heeft op de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen waarin de begiftigde is gehuwd. Vervolgens zal in paragraaf 3.5.3 een aantal opmerkingen worden gemaakt over de giften ter zake des doods in relatie tot de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen waarin de begiftigde is gehuwd.
314. Ook in deze paragraaf geldt dat de in- en uitsluitingsclausule nog grotendeels buiten beschouwing zullen blijven (net zoals dat het geval was bij de erfrechtelijke verkrijgingen). De in- en uitsluitingsclausule komen afzonderlijk in paragraaf 5 aan de orde. Daar zal ook (nader) aandacht worden besteed aan de vraag aan welke giften een in- en uitsluitingsclausule precies gekoppeld kunnen worden, en wat het effect daarvan dan is. Wel zal in paragraaf 3.5.4 een aantal (aanvullende) beschouwingen worden gewijd aan de verkrijging van giften in relatie tot de algehele wettelijke gemeenschap van goederen.