De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift
Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/6.3.5.4:3.5.4 Een aantal opmerkingen over verkrijgingen krachtens gift bij de algehele wettelijke gemeenschap van goederen
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/6.3.5.4
3.5.4 Een aantal opmerkingen over verkrijgingen krachtens gift bij de algehele wettelijke gemeenschap van goederen
Documentgegevens:
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948267:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
329. Hiervóór is al verschillende malen aan de orde gekomen dat bij de algehele wettelijke gemeenschap van goederen ook voor giften geldt dat zij alléén buiten de gemeenschap vallen wanneer aan die gift een uitsluitingsclausule is verbonden. Daarbij is ook al aangegeven dat in paragraaf 5 nog afzonderlijk op de uitsluitingsclausule zal worden ingegaan. Voor nu is echter al wel relevant om op te merken dat een uitsluitingsclausule óók kan worden verbonden aan een gift die besloten ligt in de kwijtschelding van een deel van de tegenprestatie voor de verkrijging van een goed (de ‘directe’ kwijtschelding), de kwijtschelding van een deel van een lening die in verband met de verwerving van een goed is aangegaan (de ‘indirecte’ kwijtschelding), of aan een gift die besloten ligt in de verkrijging van een goed tegen een te lage tegenprestatie (de ‘materiële bevoordeling’). Het gevolg daarvan kan echter nimmer zijn dat de uitsluitingsclausule aan het verkregen goed zélf gaat kleven. Aldus zal het verkregen goed uitsluitend via de weg van artikel 1:95 lid 1 BW van de huwelijksgemeenschap zijn uitgezonderd. Verwezen wordt naar hetgeen daar in paragraaf 5.2.4.2 nog over zal worden opgemerkt (en de literatuur en jurisprudentie waar in die paragraaf naar wordt verwezen).
330. Is aan een goed dat krachtens schenking is verkregen géén uitsluitingsclausule verbonden dan zal dit in de algehele wettelijke gemeenschap van goederen vallen. Voor erfrechtelijke verkrijgingen is in dat verband al op de regeling van artikel 1:97 lid 1 BW gewezen.1 Op grond van artikel 1:97 lid 1 BW vallen goederen die krachtens erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling zijn verkregen onder het exclusieve bestuur van de echtgenoot die deze goederen verkregen heeft. Doordat deze regeling absolute werking heeft, is de andere echtgenoot in absolute zin onbevoegd tot het verrichten van beheers- en beschikkingshandelingen ten aanzien van die goederen. Bovendien is hij in absolute zin onbevoegd tot het uitoefenen van het gebruik en genot ten aanzien van die goederen. Dit geldt volgens artikel 1:97 lid 1 BW ook voor goederen die ‘krachtens gift’ verkregen zijn. Aldus wordt ook bij goederen die krachtens gift verkregen zijn het ‘in de gemeenschap vallen’ in belangrijke mate door artikel 1:97 lid 1 BW gemitigeerd. In paragraaf 3.4.1 is reeds gebleken dat de grond voor deze regeling is gelegen in de ‘bijzondere persoonlijke band’ of ‘bijzondere verknochtheid’ die tussen de erflater en de erfgenaam, dan wel tussen de schenker en de begiftigde, bestaat. Deze bijzondere band, dan wel bijzondere verknochtheid, zorgt er vervolgens óók voor dat goederen die krachtens erfrechtelijke titel of gift zijn verkregen ná ontbinding van de wettelijke gemeenschap van goederen onder de exclusieve invloed blijven staan van de echtgenoot die deze goederen verkregen heeft. Aldus is ook ná ontbinding van de wettelijke gemeenschap van goederen uitsluitend de echtgenoot die de goederen krachtens erfrechtelijke titel of gift heeft verkregen bevoegd om over dat goed te beschikken, ten aanzien van dat goed beheers- en feitelijke handelingen te verrichten, en het gebruik en genot van dat goed uit te oefenen. Dit alles geldt dan in afwijking van de gebruikelijke regels van artikel 3:169 en 3:170 lid 1-3 BW.
331. Hierbij is het dan nog wel belangrijk goed voor ogen te houden dat ook hier de gever niet zelf kan bepalen wat het object van zijn gift is. Als de gift bestaat uit de kwijtschelding van (een deel van) de tegenprestatie voor de verkrijging van een goed, de kwijtschelding van een (deel van een) lening die in verband met de verwerving van een goed is aangegaan, of uit de verkrijging van een goed tegen een te lage tegenprestatie (de ‘materiële bevoordeling’), dan is het object van de gift gelegen in die kwijtschelding of het verkregen netto voordeel, en niet in de verkrijging van het betreffende goed zélf.2 Dat betekent dat wanneer aan de kwijtschelding of het netto voordeel géén uitsluitingsclausule is gekoppeld, het aldus verkregen goed tot de huwelijksgemeenschap gaat behoren, maar dat bovendien de exclusieve bestuursregeling van artikel 1:97 lid 1 BW niet geldt. Het betreffende goed zélf is immers niet ‘krachtens gift’ verkregen, zodat de exclusieve bestuursregeling van artikel 1:97 lid 1 BW ook niet op dit goed van toepassing is. Aldus geldt ten aanzien van dit goed ‘gewoon’ de cumulatieve bestuursregeling van artikel 1:97 lid 1 BW. Wil de gever dit voorkomen, dan zal hij het betreffende goed dus rechtstreeks moet schenken, en niet met een constructie van lening, kwijtschelding en/of materiële bevoordeling moeten werken.