De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift
Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/6.3.1:3.1 Inleidende opmerkingen
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/6.3.1
3.1 Inleidende opmerkingen
Documentgegevens:
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948140:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
283. In deze paragraaf zal nader worden ingegaan op de activa van de wettelijke gemeenschap van goederen, voor zover die activa zijn verkregen krachtens erfrechtelijke titel en gift. In dat verband is voor de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen artikel 1:94 lid 2 sub a en c BW van belang, en voor de algehele wettelijke gemeenschap van goederen artikel 1:94 lid 2 sub a en c oud BW. Artikel 1:94 lid 2 sub a BW bepaalt dat van de beperkte huwelijksgemeenschap zijn uitgezonderd ‘goederen die krachtens erfopvolging bij versterf, making lastbevoordeling of gift verkregen zijn’. Artikel 1:94 lid 2 sub c bepaalt dat van de beperkte huwelijksgemeenschap bovendien zijn uitgezonderd ‘rechten op het vestigen van vruchtgebruik als bedoeld in de artikelen 29 en 30 van Boek 4, vruchtgebruik dat op grond van die bepalingen is gevestigd, alsmede hetgeen wordt verkregen ingevolge de artikelen 34, 35, 36, 38 63 tot en met 92 en 126, eerste lid en tweede lid, onderdelen a en c, van Boek 4’. Voor de algehele wettelijke gemeenschap van goederen bepaalt artikel 1:94 lid 2 sub a oud BW dat van de algehele wettelijke gemeenschap van goederen zijn uitgezonderd ‘goederen ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking is bepaald dat zij buiten de huwelijksgemeenschap vallen’. In artikel 1:94 lid 2 sub c oud BW is vervolgens bepaald dat eveneens van de algehele wettelijke gemeenschap van goederen zijn uitgezonderd ‘rechten op het vestigen van vruchtgebruik als bedoeld in de artikelen 29 en 30 van Boek 4, vruchtgebruik dat op grond van die bepalingen is gevestigd, alsmede hetgeen wordt verkregen ingevolge artikel 34 van Boek 4’.
284. In deze paragraaf zullen eerst de verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel aan de orde komen. Daarbij zullen in paragraaf 3.2 de verschillende erfrechtelijke verkrijgingen die in artikel 1:94 lid 2 sub a BW worden genoemd centraal staan. Daarna zal in paragraaf 3.3 worden ingegaan op de erfrechtelijke verkrijgingen van artikel 1:94 lid 2 sub c BW. Beide paragrafen handelen dus over de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen. In paragraaf 3.4 zullen de erfrechtelijke verkrijgingen bij de algehele wettelijke gemeenschap van goederen aan bod komen. Daarbij staat dan met name de vraag centraal wat het betekent dat goederen die krachtens erfrechtelijke titel zijn verkregen in beginsel in de algehele wettelijke gemeenschap van goederen vallen. Er zal in deze paragraaf (dus) nog niet worden ingegaan op de (on)mogelijkheid om op grond van artikel 1:94 lid 2 sub a oud BW aan deze erfrechtelijke verkrijgingen een uitsluitingsclausule te verbinden. De uitsluitingsclausule komt in paragraaf 5 van dit hoofdstuk afzonderlijk aan bod. In die paragraaf zal ook de insluitingsclausule nader worden onderzocht. Na de bespreking van de erfrechtelijke verkrijgingen komen in paragraaf 3.5 de verkrijgingen krachtens gift aan bod. Daarbij is zowel aandacht voor de verkrijgingen krachtens gift bij de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen, als voor de verkrijgingen krachtens gift bij de algehele wettelijke gemeenschap van goederen. Ook hier geldt dat de mogelijkheid om aan deze verkrijgingen een in- of uitsluitingsclausule te verbinden nog (grotendeels) buiten beschouwing blijft. Ook aan deze mogelijkheid zal in paragraaf 5 afzonderlijk aandacht worden besteed.