Bewijsrechtelijke verhoudingen in het verzekeringsrecht
Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/4.2.1:4.2.1 Het kennisvereiste
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/4.2.1
4.2.1 Het kennisvereiste
Documentgegevens:
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS359384:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II1985/86, 19 529, nr. 3, p. 8
Aldus meergenoemde Memorie van Toelichting, Kamerstukken II1985/86, 19 529, nr. 3, p. 8. Zie voor een bespreking van de objectivering ook J.H. Wansink en A.S.J. van Garderen-Groeneveld, Verzwijging bij verzekeringsovereenkomsten, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1993, nr. 11.
Rechtbank Arnhem 18 januari 2008, LJN BC2750.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In art. 7:928 lid 1 staat voorop dat de verzekeringnemer verplicht is de verzekeraar vóór het sluiten van de overeenkomst in te lichten omtrent alle feiten die hij kent of behoort te kennen. Deze op de verzekeringnemer rustende mededelingsverplichting - het zgn. kennisvereiste - strekt zich niet uit tot alles wat voor de verzekeraar van belang is, of van belang kan zijn, maar is beperkt tot de feiten waarvan de verzekeringnemer weet, of waarvan hij behoort te weten dat zij voor de verzekeraar van belang zijn of kunnen zijn.1 Door in de wet te spreken over 'feiten die hij kent of behoort te kennen, en waarvan, naar hij weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar (... ) of, en zo ja, op welke voorwaarden, hij de verzekering zal willen sluiten, afhangt of kan afhangen... ' wordt een verband gelegd met het zgn. kenbaarheidsvereiste, maar ook met het relevantievereiste. Zie daarover hieronder meer.
In lijn met de op de verzekeraar rustende verplichting om de feiten of rechten te bewijzen, op de rechtsgevolgen waarvan hij zich beroept, dient de verzekeraar ook hier - bij voldoende tegenspraak - het bewijs te leveren. Doordat er sprake is van een zekere objectivering in het kennisvereiste ('feiten die de verzekeringnemer kent of behoort te kennen') dient het bewijs ingericht te worden naar de vraag wat een persoon als de verzekeringnemer in deze weet of behoort te begrijpen.2
Onder de 'oude' regeling heeft in een tweetal gevallen de mate van ontwikkeldheid van de persoon van de verzekeringnemer een rol gespeeld bij de invulling van het kennisvereiste, te weten in het arrest van de Hoge Raad van 3 november 1978, NJ 1980, 500 (Maarnse Broodbezorger), m.nt. BW en in het arrest van de Hoge Raad van 8 september 1989, VR 1990, 15. In het eerste arrest heeft de Hoge Raad op dit punt overwogen:
'... het hof (heeft) in verband met zijn feitelijk onderzoek (... ) mede van belang kunnen achten dat het door het hof bedoelde klachtenpatroon niet zodanig duidelijk was dat een leek van de ontwikkeling van Appeldoorn (verzekeringnemer, NvT) ten tijde van de keuring moest begrijpen dat deze aan het begin konden staan van een afwijking die tot arbeidsongeschiktheid zou leiden'.
In het arrest van 8 september 1989 heeft de Hoge Raad geoordeeld:
'dat het ook voor iemand als Jansen (verzekeringnemer, NvT) kenbaar was dat klachten als die waarvoor hij zich in 1963 onder behandeling had gesteld, 'rugklachten' als bedoeld in vraag 21d zijn en dat de gerichte vraag naar dergelijke klachten niet tot een bepaalde tijdsspanne beperkt was'.
In zijn annotatie onder het eerste arrest stelt Wachter dat hem niet duidelijk is geworden in welk opzicht de mate van ontwikkeldheid van de onderhavige verzekeringnemer een rol gespeeld heeft, waar hij stelt: 'Persoonlijk vermoed ik, dat ieder verzekeringnemer - kansarm of kansrijk, jurist of broodbezorger - eenzelfde gedragslijn bij de keuring gevolgd zou hebben als de verweerder in cassatie (Appeldoorn, NvT) deed. Zij zijn - medici uitgezonderd - allen leken, ongeacht hun ontwikkeling.' Hoewel hij daarin, juist in de medische zaak waar zijn annotatie op ziet, gelijk heeft, dient het werken met een zekere objectivering (een 'maatman') wel toegejuicht te worden. Het kennisvereiste speelt immers in meer zaken dan alleen medische een rol en de verruiming van het kennis-begrip tot de kennis die de verzekeringnemer behoort te hebben biedt de mogelijkheid om aansluiting te zoeken bij de mate van algemene ontwikkeling en de daarmee samenhangende kennis en wetenschap die bij die persoon past. Het is de vraag op welke manier deze verruiming in de jurisprudentie ingevuld zal worden, maar hoe dan ook lijkt de verwachting gerechtvaardigd dat zij handvatten zal bieden om te kunnen komen tot het bewijs van het kennisvereiste en het ontkomen aan de voor de verzekeraar in beginsel niet of nauwelijks te weerleggen stelling van de verzekeringnemer: 'ik wist het niet'. Een verweer van deze strekking ('ik wist niet dat mij door mijn vorige verzekeraar de verzekering was opgezegd wegens wanbetaling') speelt in de zaak die heeft geleid tot het vonnis van de Rechtbank Arnhem van 16 januari 2008. De rechter werkt hier (mijns inziens: navolgenswaardig) met het voorshands bewijsoordeel:
'4.11. De rechtbank vermoedt op grond van het voorgaande, in het bijzonder de onduidelijkheden in [verzekeringnemers verklaringen, het feit dat het hem moet zijn opgevallen dat hij geen rekeningafschriften meer ontving, hoewel hij een adreswijziging had doorgegeven aan Fortis, en het feit dat hij een aansprakelijkheidsverzekering sluit terwijl hij, naar hij verklaart, ervan uitging dat een zelfde verzekering bij Fortis liep, dat [verzekeringnemer] op de hoogte behoorde te zijn van de opzegging wegens wanbetaling. Dit vermoeden is voor tegenbewijs vatbaar. Daartoe zal [verzekeringnemer] dus worden toegelaten.'3