Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/
Verhandeling
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS355874:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Colinvaux 1997, nr. 5-18, Ivamy 1993, p. 176, MacGillivray 1997, nr. 16-40 en 17-24 (Engeland), Schuermans 2001, nr. 325 en Fontaine 1999, p. 112 (België), Lambert-Fauivre/Leveneur 2005, p. 268 e.v. en Civ. I, 10 mei 1989, RGAT 1989-819 (Frankrijk) en Prölls/Martin 2004, p. 313 e.v. (Duitsland). Het is goed erop te wijzen dat de buitenlandse wettelijke regelingen ter zake van de mededelingsplicht voor de aspirant-verzekeringnemer bij het sluiten van een verzekeringsovereenkomst materieelrechtelijk veelal (substantieel) afwijken van de regeling in titel 7.17 BW. Dat heeft ook bewijsrechtelijk betekenis en noopt mitsdien tot terughoudendheid in het geven van verwijzingen op bewijsrechtelijke aspecten.
Clausing 1998, nr. 2.3.1, Scheltema/Mijnssen 1998, nr. 3.70. Zie ook HR 11 april 1986, NJ 1987, 433(Ennia/Bodde) m.nt. WHH en in HR 20 januari 2006, NJ 2006, 78(B/Interpolis), r.o. 3.5.4: 'het hof heeft (...), terecht uitgaande van de in beginsel op Interpolis rustende bewijslast, (...)'.
Inleidend
Evenals in het buitenland,1 is algemeen uitgangspunt bij de stelplicht en bewijslast ter zake van feiten die grond opleveren voor een beroep op de niet-nakoming van de mededelingsplicht (in de zin van art. 7:928 BW), is dat deze rust op de verzekeraar.2 De verzekeraar immers is de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van door hem gestelde feiten of rechten in de zin van art. 150 Rv. De onderscheiden vereisten waaraan een geslaagd beroep op verzwijging dient te voldoen, zijn het kennisvereiste, het ken-baarheidvereiste, de relevantie van de verzwijging en de eis van verschoonbaarheid.