Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/7.1.1
7.1.1 De inhoud van de polis
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS359378:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 10 lid Wet op de Landverzekeringsovereenkomst kent voor België nog een regeling in de zin van art. 258 K (oud), zij het dat de eis van schriftelijk bewijs voor beide partijen geldt en is voorzien in een uitzondering in de vorm van een bekentenis of eed. Zie voor Frankrijk art. L112-2C. ass. en daarover Lambert-Faivre/Leveneur 2005, p. 199: 'D'après l'article L 122-2 c.ass., c'est la police ou la note de couverture qui constatent l'engagement réciproque de l'assureur et de l'assuré. Cependant le contrat étant parfait des l'échange des consentements, l'écrit n'est nécessaire que pour la preuve du contrat (ad probatio-nem) et non pour sa formation (ad solemnitatem)'. Ook in het Engelse recht geldt bij wijze van hoofdregel dat 'parole evidence (any evidence extrinsic to the document in question) is not admissible to contradict or vary the meaning of the policy, since, after the contract is reduced into writing, the parties are not at liberty to show, by giving evidence of what passed between them at the time of effecting the policy, that they contracted otherwise than in accordance with the words in which they have chosen to express the terms of their agreement'. Uitzonderingen op deze hoofdregel zijn evenwel erkend: 'The parole evidence rule is no bar to evidence that the policy does not accurately reflect the agreement of the parties. The proof may take any form, including oral evidence, but must be convincing.' Vgl. Clarke 1997, p. 329 e.v. en Ivamy 1993, p. 245 e.v. Meer vrijheid van bewijs biedt voor Duitsland par. 5VVG 2008 : ,(1) Weicht der Inhalt des Versicherungsscheins von dem Antrag des Versicherungsnehmers oder den getroffenen Vereinbarungen ab, gilt die Abweichung als genehmigt, wenn die Voraussetzungen des Absatzes 2 erfüllt sind und der Versicherungsnehmer nicht innerhalb eines Monats nach Zugang des Versicherungsscheins in Textform widerspricht. (2) Der Versicherer hat den Versicherungsnehmer bei Übermittlung des Versicherungsscheins darauf hinzuweisen, dass Abweichungen als genehmigt gelten, wenn der Versicherungsnehmer nicht innerhalb eines Monats nach Zugang des Versicherungsscheins in Textform widerspricht. Auf jede Abweichung und die hiermit verbundenen Rechtsfolgen ist der Versicherungsnehmer durch einen auffälligen Hinweis im Versicherungsschein aufmerksam zu machen. (3) Hat der Versicherer die Verpflichtungen nach Absatz 2 nicht erfüllt, gilt der Vertrag als mit dem Inhalt des Antrags des Versicherungsnehmers geschlossen.'
Kamerstukken II 1999/2000, 19 529, nr. 5, p. 23.
Dwingend bewijs houdt in dat de rechter verplicht is de inhoud van bepaalde bewijsmiddelen als waar aan te nemen dan wel verplicht is de bewijskracht te erkennen die de wet aan bepaalde gegevens verbindt. Ook tegen dit dwingend bewijs staat tegenbewijs (waaraan geen bijzonder eisen worden gesteld, zulks in de lijn van art. 152 Rv) vrij, aldus art. 151 lid 2 Rv.
Zie HR 24 maart 2000, NJ 2000, 342 (door de verzekeraar ondertekende en afgegeven polis levert tegenover de verzekeraar dwingend bewijs op, behoudens door hem te leveren tegenbewijs) en Hof Den Haag 17 februari 1998, S&S 1999, 56 (tegenbewijs niet geleverd). Zie verder Asser/Clausing & Wansink 2007, nr. 142 en - eveneens onder vermelding van uitspraken - Scheltema/Mijnssen 1998, nr. 3.17. Vergelijk - in meer algemene zin - Spier in zijn conclusie voor HR 24 maart 2000, NJ 2000, 342 (over tegenbewijs door een verzekeraar tegen de inhoud van de verzekeringspolis).
Dit is in het Wetsvoorstel onderhandse elektronische akten niet anders: de ondertekening die dan nodig is, aldus het voorstel tot wijziging van art. 7:932 BW, is de elektronische handtekening die voldoet aan de eisen, bedoeld in art. 3:15a lid 2 BW. In de toelichting stelt de minister dat de keuze voor die vorm van de elektronische handtekening is ingegeven doordat daarbij het rechtsvermoeden bestaat dat deze elektronische handtekening voldoende betrouwbaar is en derhalve dezelfde rechtsgevolgen heeft als een handgeschreven handtekening. Het gaat daarbij om een vermoeden dat een elektronische handtekening voldoende betrouwbaar is. Niet uitgesloten is dat - net als bij de schriftelijke akte - in een concreet geval tegenbewijs geleverd kan worden, aldus de minister op p. 3 van de Memorie van Toelichting, Kamerstukken II, 31 358, nr. 3.
Gegeven het belang van het door de verzekeraar afgegeven bewijsstuk, voorziet art. 7:932 lid 3 in een mogelijkheid om desverlangd tegen vergoeding van de kosten van verzekeraar een nieuw bewijsstuk te verkrijgen.
Een voorbeeld van een clausule die de dekking verruimt is de garantie tegen onderverzekering: In geval van een gedekte schadegebeurtenis zal de schade volledig worden vergoed, ongeacht of het verzekerde bedrag overeenstemt met de werkelijke waarde van het gebouw.)
De zaak was daarmee bewijsrechtelijk snel afgedaan: AGO is door getuigenverhoor in dit bewijs geslaagd. Desalniettemin heeft het arrest een vervolg gekregen, omdat het feit dat AGO er in geslaagd was te bewijzen dat de bij de mondelinge bespreking bereikte overeenstemming zich niet uitstrekte tot mededekking van het brandrisico, op zichzelf de mogelijkheid open liet dat door de afgifte daarna van een polis waarin het brandrisico wél was gedekt en de aanvaarding van die polis door de verzekerde alsmede de betaling van de in de polis voorziene premie, een verzekeringsovereenkomst met dekking van het brandrisico tot stand was gekomen. Dit onderdeel van de overwegingen ziet dus nadrukkelijk op de totstandkoming, waarvoor verwezen wordt naar hoofdstuk 3.
Rb. Rotterdam 6 november 1987, S&S 1988/75. Zie over de verplichting om opheldering te verkrijgen ook Wachter in zijn annotatie onder Guliker/AGO II, HR 8 juli 1982, NJ 1983,456.
Het is aan dit aspect dat de Rb. Rotterdam in de slotoverweging van het hiervoor weergegeven vonnis van 6 november 1987 refereerde, waar zij sprak over 'de wanprestatie van assuradeuren' (en die zij vervolgens afdeed door 'eigen verzuim' door/aan de zijde van verzekeringnemers). Zie in kritische zin over deze passage in het arrest B. Wachter in zijn noot als ook Asser/Clausing & Wansink 2007, nr. 141.
In Guliker/AGO II was dat niet gebeurd.
Een zaak waarbij de 'inhoud' van de polis in de hiervoor door mij aangegeven betekenis (volledigheid naar overeengekomen dekking) een rol speelt, is die van de Hoge Raad van 30 mei 1980.1 In deze zaak spitste het geschil zich toe op de vraag, of de tijdens een mondelinge bespreking bereikte overeenstemming tot het sluiten van een verzekering zich - naast de dekking voor stormschade, die vaststaat - al dan niet uitstrekte tot mededekking van het brandrisico. Het arrest is voor de bewijsrechtelijke verhoudingen van belang, omdat de Hoge Raad erin heeft aangegeven (samengevat) dat de verzekeraar overeenkomstig de gewone regels van het recht, vrij is in zijn mogelijkheden van bewijs tegenover de verzekeringnemer: de bepaling die onder het toenmalig recht zag op bewijs van de verzekeringsovereenkomst, art. 258 K (oud), bracht uitsluitend voor verzekeringnemer de beperking met zich, dat deze de inhoud van de overeenkomst slechts door geschrift kon bewijzen.
Dit verschil in bewijsrechtelijke 'vrijheid' is sinds het vervallen van deze bepaling en met de invoering van art. 7:932 BW opgeheven: ook de verzekeringnemer is in zijn mogelijkheden van bewijs over het sluiten en de inhoud van de overeenkomst niet langer beperkt. Bij de totstandkoming van art. 7:932 BW werd overigens in eerste aanleg nog aangesloten bij het oude recht met de bepaling dat de overeenkomst nadat de polis door de verzekeringnemer als bewijs is aanvaard tegenover de verzekeraar nog slechts door geschrift wordt bewezen. Achtergrond van (handhaving van) deze (de verzekeringnemer beperkende) bewijsregel was dat de verzekeraar ertegen moest worden beschermd, dat hij aansprakelijk kon worden gesteld voor wellicht zeer hoge bedragen, enkel op grond van getuigenbe-wijs, dat vooral door de kans op misverstand onvoldoende betrouwbaar was. Een gedachte die bij wijze van uitgangspunt nog steeds met name in België en Engeland doorklinkt.2 Bij Nota van Wijziging is de bepaling voortitel 7.17 BW geschrapt:
'Dit argument (van de onbetrouwbaarheid van getuigenbewijs, NvT) is bij nadere overweging weinig overtuigend. Enerzijds omdat ook in andere gevallen het sluiten en de inhoud van een overeenkomst door getuigen kunnen worden bewezen, maar een beperking van het getuigenbewijs daar niet aan de orde is. Anderzijds omdat de rechter goed in staat geacht moet worden om het bijgebrachte bewijs, en dus ook getuigenbewijs, te waarderen.'3
Daarmee staat verzekeringnemer op voet van gelijkheid met de verzekeraar en kan ook hij bewijs leveren met alle middelen rechtens. En dat is goed. Bij de beantwoording van de vraag of/in hoeverre een bepaalde dekking onder de polis meeverzekerd is, dan wel of een bepaalde clausule terecht niet is opgenomen in de overeenkomst, zal veel immers samenhangen met hetgeen partijen over en weer hebben medegedeeld en wat zij als hun wederzijdse bedoelingen daaruit mochten begrijpen. En niet valt in te zien, waarom de verzekeringnemer zich in de onderbouwing van zijn standpunt niet van alle middelen, daaronder begrepen het getuigenbewijs als middel bij uitstek in deze, zou mogen bedienen.
Het wegvallen van de bewijsbeperkingen verandert niet de onderlinge bewijsrechtelijke verhoudingen zoals deze gegeven zijn door de bewijskracht van de polis. De polis is, zoals uit art. 7:932 BW blijkt, een (onderhandse) akte en levert als zodanig tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van de in de akte opgenomen verklaring.4 Deze bewijskracht ('de polis als dwingend bewijs, behoudens') geldt naar algemeen wordt aangenomen uitsluitend tegen de verzekeraar; de polis levert ten behoeve van de verzekeraar géén dwingend bewijs op tegen de verzekeringnemer, nu deze als zodanig doorgaans de akte niet heeft ondertekend.56
Tot zover enige inleidende opmerkingen. Het is vervolgens goed om te bezien op welk van de partijen wanneer welke bewijsrechtelijke verplich-ting(en) rust(en). De discussie in rechte zal steeds heel feitelijk zijn en terug te voeren op de vraag of een bepaalde dekking of clausule al dan niet overeengekomen is en of deze dekking/clausule vervolgens al dan niet terecht wel of niet in de polis is terechtgekomen. De invulling van de vraag op wie welke bewijsverplichting rust, volgt de hoofdlijn van art. 150 Rv: 'de partij die zich op de rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten beroept, draagt de bewijslast van die feiten of rechten'.
De bewijsrechtelijke positie van de verzekeringnemer is onder omstandigheden eenvoudig(er) omdat voor hem (dus) geldt dat de verzekeringspolis dwingend bewijs oplevert van de waarheid van die verklaring. Indien de verzekeringnemer nakoming van de overeenkomst vordert voor een onder de polis gegeven dekking (denk aan Guliker/AGO I: 'ik wil dekking voor door mij geleden en onder de polis gedekte stormschade'), is het voor verzekeringnemer dus voldoende om die dekking te stellen. Het is dan aan verzekeraar om tegenbewijs te leveren ('de stormschadedekking was niet overeengekomen'). Of, in andere gevallen, om te stellen dat de polis anderszins niet overeenstemde met hetgeen was overeengekomen ('een overeengekomen uitsluiting of bijzondere clausule die de dekking beperkt, is niet opgenomen'). Ook in dit laatste geval is het aan verzekeraar om tegenbewijs bij te brengen tegen de polis en kan de verzekeringnemer volstaan met te stellen dät er dekking is en dat nakoming van de overeenkomst gevorderd wordt.7
Dat is anders indien verzekeringnemer stelt dat de polis 'te weinig' weergeeft, bijvoorbeeld omdat een bepaalde clausule, die de dekking verruimt, wel is overeengekomen, maar niet in de polis is terechtgekomen.8 Het is dan in lijn met de hoofdregel van art. 150 Rv aan hem als verzekeringnemer om in een procedure (verklaring voor recht of (als onderdeel van een) vordering tot nakoming) te stellen en bewijzen dat er meer of anders is overeengekomen, op grond waarvan verzekeraar tot nakoming gehouden is.
Een voorbeeld van een zaak waarin de polis 'teveel' bevatte, is de eerder genoemde casus Guliker/AGO I, waarin centraal stond de vraag of naast dekking voor stormschade en glasschade (Guliker exploiteerde een Tuincentrum in Bilthoven) ook dekking voor brandschade overeengekomen was. Deze dekking was in de polis opgenomen, maar naar het standpunt van AGO, de verzekeraar, was dat niet in overeenstemming met de tussen partijen gesloten overeenkomst. De Hoge Raad overwoog in deze conform genoemde hoofdlijn: tegenover de inhoud van de polis rust op AGO de last om te bewijzen dat dekking tegen brandrisico met was overeengekomen.9Een voorbeeld waarin een clausule juist niet in de polis is opgenomen, waar dat naar het oordeel van de verzekeraar wel had gemoeten, geeft het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 6 november 1987: in geschil is of de polis die is afgegeven naar aanleiding van het sluiten van een cascoverzekering op een motorkotter en waarin géén motordagwaardeclausule is opgenomen, in overeenstemming is met hetgeen door partijen is overeengekomen. Verzekeraar stelt dat het niet vermelden van bedoelde clausule in de polis op een vergissing berust en keert na schade 'slechts' de dagwaarde uit (in plaats van de hogere reparatiekosten). Ook hier gaat het om een feitelijke beoordeling, die ertoe leidt dat de vordering van verzekeringnemer wordt afgewezen. De beoordeling is het waard om hier weer te geven omdat zij het samenspel van de feiten en omstandigheden die een rol kunnen spelen bij (het bewijs van de inhoud van) een polis zo mooi toont:
'5.2 Thans is aan de orde de vraag of met inachtneming van de sub 2.3 genoemde mededelingen (zowel de sluitnota als een op 5 mei 1982 aan de tussenpersoon van [verzekeringnemers] gezonden brief vermeldde dat de verzekeringsvoor-waarden een motordagwaardeclausule bevatte, NvT) tegenover [verzekeringnemers] dan wel hun vertegenwoordigers, de schijn is gewekt door assuradeuren dat verzekerd was zonder motordagwaardeclausule. Uit de sub 2.3 genoemde stukken blijkt de bedoeling van assuradeuren om te verzekeren met motordag-waardeclausule. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen moet ervan worden uitgegaan, dat deze bedoeling zowel bij de makelaar als bij de tussenpersoon bekend was.
Wanneer deze bedoeling niet overeenstemde met de bedoeling van [verzekeringnemers], lag het op de weg van [verzekeringnemers] dan wel hun vertegenwoordigers om dit aan assuradeuren mee te delen. Vaststaat, dat dit niet is gebeurd. Derhalve mochten assuradeuren er op vertrouwen dat [verzekeringnemers] het eens waren met de voorwaarden. Denkbaar is, dat de polis zo snel na 5 mei 1982 is opgestuurd dat nog geen gelegenheid was geweest om bezwaar te maken tegen de motordagwaardeclausule. In dat geval lag het op de weg van [verzekeringnemers], dan wel hun vertegenwoordigers om op zijn minst opheldering te vragen over de tegenstrijdigheid tussen polis en sluitnota. Mede gelet op de hoogte van de premie, die exact gelijk was aan die van de oude verzekeringsovereenkomst, welke een motordagwaardeclausule bevatte, bestond er voor [verzekeringnemers] geen reden om aan te nemen dat de polis de wil van assuradeuren juist weergaf. Daar komt nog bij, dat niet is gesteld of gebleken dat de gestelde uitdrukkelijke opdracht om zonder motordagwaardeclausule te verzekeren ([verzekeringnemers] zouden aan de tussenpersoon de opdracht gegeven hebben een nieuwe cascoverzekering zonder de betreffende clausule te sluiten, NvT) assuradeuren ook heeft bereikt. Eiseres stelt dat niet duidelijk is of de tussenpersoon dit heeft doorgegeven terwijl getuige Muller (van de bij het sluiten van de overeenkomst ingeschakelde makelaarskantoor Luyks en Muller) gehoord in een voorlopig getuigenverhoor gehouden voor de rechtbank Alkmaar (... ) duidelijk heeft verklaard, dat hem slechts het verzoek heeft bereikt een nieuwe verzekering af te sluiten met dezelfde voorwaarden als de aflopende verzekeringsovereenkomst. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in de gegeven omstandigheden geen sprake is van aan assuradeuren toerekenbare schijn waar [verzekeringnemers] op mochten afgaan.
5.3 Nu, zoals hierboven is overwogen, de rechtbank van oordeel is dat [verzekeringnemers] in de gegeven omstandigheden niet mochten afgaan op juistheid van de polis, doch op zijn minst opheldering hadden moeten vragen, volgt daaruit dat - ervan uitgaande dat de onjuistheid in de polis wanprestatie oplevert van assuradeuren - de door eiseres gestelde schade niet kan worden aangemerkt als een gevolg van deze wanprestatie, doch veeleer als een gevolg van het niet om opheldering vragen door of namens [verzekeringnemers].'10
Vergelijkbaar, zij het dat het hierbij ging over de vraag of het niet in de polis opgenomen eigen risico tussen partijen wél overeengekomen was, is de uitspraak van de Raad van Toezicht van 23 februari 1982. Een rol speelde hierin dat het eigen risico bij de totstandkoming van de overeenkomst nadrukkelijk aan de orde was geweest, toen tussen de tussenpersoon en verzekeringnemer werd afgesproken dat niet een beveiligingseis (elektronische alarminstallatie) maar dit eigen risico van toepassing zou zijn. Onder deze omstandigheden en gelet op het feit dat het door de tussenpersoon afgegeven 'afsluitbewijs' dit eigen risico wel vermeldde, nam de Raad aan dat ook verzekeringnemer heeft moeten begrijpen dat deze afwijkingen berustten op een abuis. Onder deze omstandigheden, zo oordeelde de Raad, heeft de verzekeraar de goede naam van het verzekeringsbedrijf niet geschaad door het overeengekomen eigen risico in mindering te brengen.11
Bij de beantwoording van de vraag of dekking (on)terecht al dan niet in de polis(voorwaarden) is neergelegd, moet dus steeds worden teruggegaan naar de fase van de totstandkoming van de overeenkomst: wat is ten tijde van het sluiten van de overeenkomst meegedeeld en wat konden en mochten partijen begrijpen als hun wederzijdse bedoelingen. Ingeval er uiteindelijk 'teveel' in de polis blijkt te zijn terechtgekomen, kan nog een rol spelen de vraag of verzekeringnemer erop heeft mogen vertrouwen dat het opnemen van het 'teveel' onder de polis er nu toe heeft geleid dat een overeenkomst van die omvang is overeengekomen. De Hoge Raad heeft bij wege van obiter dictum in het Guliker/AGO II-arrest overwogen dat gezien het belang van de verzekeringspolis in het verkeer een vergissing in de polis als hier gemaakt (de verzekering tegen brandschade was wel opgenomen, waar deze niet overeengekomen was), aan de kant van de verzekeraar wanprestatie kan opleveren ten aanzien van zijn verplichting tot het afgeven van een juist geformuleerde polis, welke wanprestatie hem aansprakelijk zou kunnen doen zijn voor de daardoor veroorzaakte schade, met name wanneer op een later moment door de verzekerde of iemand die zijn verzekeringszaken behartigt, op grond van de polis zoals die luidt wordt aangenomen dat het in de polis als medegedekt vermelde risico een - nieuwe - verzekering overbodig maakt.12 Het is aan de verzekerde een zodanige aansprakelijkheid uit wanprestatie aan zijn vordering ten grondslag te leggen.13