Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/
Verhandeling
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS354675:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
MvA, Kamerstukken I 2004/05, 19 529, B, p. 8, waarin nog erover gesproken werd dat de verzekeringnemer 'steeds ten volle kan beschikken over schriftelijk (akte)bewijs. In het Wetsvoorstel onderhandse elektronische akten, Kamerstukken II 2007/08, 31 358, nr. 3, is de mogelijkheid gecreëerd om onder omstandigheden onderhandse akten, zoals de polis, (mede) langs elektronische weg af te geven. In de toelichting op bedoeld wetsvoorstel, p. 3, stelt de minister in meer algemene zin dat 'ingevolge art. 156 Rv een akte een ondertekend geschrift [is], bestemd om tot bewijs te dienen'. Zie over dit wetsontwerp nader hieronder in 7.1.3.
MvA, Kamerstukken I 2004/05, 19 529, B, p. 8. Gewezen zij wel op art. 72 Bgfo Wft dat de (onder) gevolmachtigd agent verplicht tot het vermelden in de polis dan wel een daaraan toegevoegd aanhangsel de naam van de verzekeraar voor wiens rekening hij de verzekering heeft gesloten en, in geval van co-assurantie, het aandeel dat hij namens de verzekeraar heeft geaccepteerd. Zie voor het oude recht art. 256K. Een overeenkomstige bepaling als art. 7:932 BW kent voor Duitsland par. 3VVG 2008. Daarentegen kennen de Franse en Belgische wetgeving nog een overeenkomstige regeling als in art. 256 K (oud) met een uitvoerige lijst van in de polis op te nemen gegevens in respectievelijk art. 112-4C. ass. en art. 10 lid 2 Wet op de Landverzekeringsovereenkomst.
MvA, Kamerstukken I 2004/05, 19 529, B, p. 8.
MvT, Kamerstukken II1985/86, 19 529, nr. 3, p. 13.
MvT, Kamerstukken II 1985/86, 19 529, nr. 3, p. 13, waarin met name wordt gewezen op kortlopende transportverzekeringen. Zie ook Asser/Clausing & Wansink 2007, nr. 139.
Wetsvoorstel Wijziging van enige bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het Burgerlijk Wetboek teneinde naast het in deze bepalingen gestelde vereiste van schriftelijkheid ook ruimte te bieden aan de ontwikkelingen op het gebied van het elektronisch verkeer van 29 februari 2008, 31 358, nr. 1-5.
Art. 7:932 BW verplicht de verzekeraar zo spoedig mogelijk een akte, genaamd polis, af te geven, waarin de overeenkomst is vastgelegd. Dit opdat de verzekeringnemer steeds ten volle kan beschikken over (schriftelijk) (akte)bewijs van het bestaan en de inhoud van de overeenkomst.1
Daarmee is, anders dan onder het oude recht, waarin nog een opsomming gegeven was van bedingen die in die akte dienden te worden opgenomen, gekozen voor een algemeen voorschrift.2 Omdat de polis van belang is als bewijsmiddel van de verzekeringsovereenkomst, is het goed om te bezien wat over dit 'algemeen voorschrift' door de wetgever nader is bepaald. De wetgever zegt het als volgt: 'De inhoud van de overeenkomst dient derhalve met voldoende precisie uit de polis te kunnen worden opgemaakt. Hiermee is intussen niet gezegd dat de overeenkomst geheel in de polis zelf moet zijn neergelegd. In de praktijk pleegt een deel van de toepasselijke bedingen immers te worden opgenomen in algemene (verzeke-rings)voorwaarden.'3 De wetgever refereerde reeds bij de totstandkoming aan deze praktijk, waar hij aangaf dat onder het begrip 'polis' ook is begrepen een akte waarin de overeenkomst niet volledig is omschreven, maar die naar een bijbehorend document verwijst: polis en algemene voorwaarden of de ponskaart en mantelpolis bij collectieve verzekeringen.'4 Overigens kent art. 7:932 BW in de tweede volzin van lid 1 een uitzondering op de verplichtingen een polis af te geven, 'indien de aard van de overeenkomst afwijkend gebruik rechtvaardigt en de verzekeringnemer bij afgifte van de polis geen belang heeft'.5
Uitgaande van deze bepalingen valt, bij het in kaart brengen van mogelijke problematiek van het bewijs van de overeenkomst op, dat een aantal onderwerpen in elkaar overloopt. Er is allereerst de vraag óf tussen partijen een overeenkomst gesloten is. Hierbij speelt voor het bestaan van de overeenkomst als zodanig/als geheel, het leerstuk van de totstandkoming - zoals dat in hoofdstuk 3 aan de orde is - een (doorslaggevende) rol. Daarnaast is er, uitgaande van het bestaan van de overeenkomst zelve, de vraag naar de inhoud van de verzekeringsovereenkomst. Veel zal zich daarbij afspelen op 'polisniveau': valt een bepaald voorval onder de verzekeringsovereenkomst zoals deze in de polis is weergegeven en als dat zo is, op wie rust dan welke (bewijs)verplichting? Op de behandeling van vragen van dekking ziet de onderhavige subparagraaf niet; de dekkingsproblema-tiek en de daarbij behorende uitleg van de overeenkomst wordt later in dit hoofdstuk behandeld (zie 7.2). De inhoud van de overeenkomst kan echter ook zien op de vraag of een bepaalde dekking al dan niet was overeengekomen, dan wel of een bepaalde clausule terecht wel of niet in de polis is opgenomen. Hieronder zullen over dit inhoudelijk aspect enkele bewijsrechtelijke uitgangspunten en bepalingen worden besproken (7.1.1), waarbij (in 7.1.2) in zal worden gegaan op de order- of toonderpolis en in 7.1.3 op de 'elektronische' polis, zoals die regeling vindt in het thans voorliggende Wetsvoorstel onderhandse elektronische akten.6