Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/3.3.2
3.3.2 Bewijslastverdeling bij terhandstelling ('de redelijke mogelijkheid')
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS358234:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie in die zin ook eerdergenoemde Asser/Hartkamp 4-II, nr. 353a en Loos 2001, nr. 65. Ook Hijma gaat hier als aanvangspunt voor de gedachtegang vanuit (Hijma 2003, nr. 43), maar komt uiteindelijk uit op een andere bewijslast. Zie ook hierna onder het kopje 'gebrek aan eenduidigheid verklaarbaar vanuit de verhouding 6:233 onder b - 6:234 BW?'. Vgl. ook Rb. Amsterdam 20 december 2006, VR 2008, nr. 17, waarin de rechtbank oordeelde dat het beroep op de nietigheid ex art. 6:233 aanhef en sub b in samenhang met art. 6:234 lid BW (waar door verzekeringnemer niet met zoveel woorden een beroep op was gedaan, maar welk beroep door de rechtbank wel als zodanig begrepen werd) dient te worden gepasseerd als onvoldoende feitelijk onderbouwd: 'Het had op de weg van [verzekerde] gelegen om zijn standpunt dat de polisvoorwaarden hem niet ter hand zijn gesteld, te onderbouwen met concrete feiten en omstandigheden - bijvoorbeeld door zich erover uit te laten of hij van [verzekeraar] dan wel andere documenten betreffende de verzekeringsovereenkomst, zoals het polisblad, heeft ontvangen - hetgeen hij echter heeft nagelaten. In dit verband is nog van belang dat [verzekerde] in verband met zijn eerder in deze procedure ingenomen standpunten zelf een beroep heeft gedaan op bepalingen uit de polisvoorwaarden en zijn in de eerste alinea genoemde verweer toen nog niet heeft gevoerd.'
Een uitzondering wordt gemaakt voor het geval de terhandstelling redelijkerwijs niet mogelijk is. Zie over de verhouding tussen 'het redelijkerwijs niet mogelijk' zijn en 'de redelijke mogelijkheid' om van de algemene voorwaarden kennis te nemen het arrest van de Hoge Raad 6 april 2001, NJ 2002, 385(VNP/Havrij): pas als ter hand stellen redelijkerwijs niet mogelijk is (en dat onderzocht is), komt de beoordelingsmaatstaf 'redelijke mogelijkheid tot kennisname van de voorwaarden' aan de orde.
Blijkens de Parl.Gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1594 is gekozen voor de terhandstelling 'voor of bij' het sluiten van de overeenkomst om praktische moeilijkheden bij de toepassing van de bepaling te voorkomen of verminderen.
Verbintenissenrecht (Hondius) art. 6:234, aant. 7 gaat - zonder echt inzicht te geven in zijn overwegingen - uit van een bewijslast op de gebruiker. Rinkes in Wessels Jongeneel & Hendrikse 2006, p. 159 doet dat ook, zij het dat hij in hetzelfde hoofdstuk op een andere plaats (p. 144) de bewijslast voor dezelfde vernietigingsgrond op de wederpartij legt. Hijma 2003, nr. 43 komt uiteindelijk eveneens tot een bewijslast voor de gebruiker; zie hierna in de hoofdtekst onder het kopje 'gebrek aan eenduidigheid verklaarbaar vanuit de verhouding 6:233 onder b 6:234 BW?'.
Rb. Arnhem 17 februari 2000, NJ kort 2000, 26.
Hof Arnhem 15 februari 2005, NJ F 2005, 362; Hof Leeuwarden 2 mei 2001, NJ 2002, 68; Hof Arnhem 3 februari 1998, NJ 2002, 246. Zie voor een nadere uitwerking ook noot 71. Vgl. ook Rb. Utrecht, NJ F 2006, 604: 'In beginsel ligt de bewijslast ter zake de terhandstelling van de algemene voorwaarden bij de gebruiker.'
Zie hiervoor onder 1.2.1.
Loos 2001, nr. 65, pleit eveneens voor een omkering.
Giesen 2001, p. 416 en 449 e.v. Vgl. Loos 2001, nr. 65. Loos zoekt in zijn betoog dat de bewijslast en dus ook het bewijsrisico op de gebruiker dienen te rusten, steun in de (toen nog: Ontwerp-) Richtlijn financiële diensten op afstand (richtlijn nr. 2002/65/EG). In het (huidige) art. 15 is bepaald dat een contractvoorwaarde die de bewijslast voor de naleving van verplichtingen die krachtens de richtlijn op de aanbieder rusten, bij de consument legt, geldt als een oneerlijk beding in de zin van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993. De betreffende bepaling is inmiddels geïmplementeerd in art. 7:46i, lid 7, BW. Een en ander is ook mijns inziens een (extra) argument om de bewijslast op de gebruiker te doen rusten.
Zie in die zin Hof Leeuwarden 19 december 2001, S&S 2002, 132 en NJ kort 2002, 9.
HR 20 april 2007 (LJN BA1093, JOL 2007, 279), RvdW 2007, 423 (de verplichting van het Slotervaartziekenhuis om aan oorspronkelijk eisers op wie de bewijslast rustte, voldoende feitelijke gegevens te verschaffen ter motivering van zijn betwisting van de stellingen van eisers teneinde deze aanknopingspunten te verschaffen voor eventuele bewijslevering, impliceert niet dat het ziekenhuis bewijs diende te leveren van de feiten die het heeft gesteld ter betwisting van de stellingen van eisers).
Zie Rb. Almelo 6 september 2006, NJ F 2006, 536: 'de bewijslast van de stelling dat de voorwaarden ter hand zijn gesteld, rust krachtens de hoofdregel op [gebruiker]'.
Hof Arnhem 15 februari 2005, NJ F 2005, 362; Hof Leeuwarden 2 mei 2001, NJ 2002, 68 (zonder dat overigens uiteindelijk - nu bewijs niet was aangeboden - tot bewijslastverdeling gekomen is); Hof Arnhem 3 februari 1998, NJ 2002, 246 (zij het hier indirect, te weten door te oordelen dat de onderaan de koopovereenkomst opgenomen tekst 'de voorwaarden te hebben ontvangen' als algemene voorwaarden onredelijk bezwarend is krachtens art. 6:236 sub k BW. Dit oordeel kan niet anders dan gebaseerd zijn op de gedachte dat de bewijslastverdeling in beginsel op gebruiker lag (omdat er anders van een 'wijziging van de bewijslastverdeling ten nadele van de wederpartij' als bedoeld in 236 sub k geen sprake is). Zie hierover ook nader in de hoofdtekst onder het kopje 'Tot slot: de betekenis van opgenomen (standaard)bepalingen'. Vgl. ook Rb. Rotterdam (onder verwijzing naar Hof Leeuwarden van 2 mei 2001) 16 april 2003, NJ kort 2003, 50.
Wanneer er vanuit gegaan wordt dat 'ter hand stellen' ieder feitelijk aanleveren van de tekst der algemene voorwaarden is (Zoals Hijma 2002, nr. 37, dat omschrijft), zou naast de twee in de hoofdtekst te bespreken vormen van uitleg ook nog de stelling ingenomen kunnen worden dat een onderscheid bestaat in het bewijs van de 'fysieke' terhandstelling (bijvoorbeeld bij een bezoek door een vertegenwoordiger en het bij het uitbrengen van een offerte al dan niet ter hand stellen van de voorwaarden) en het bewijs van de terhandstelling door toezending. In dat laatste geval geldt als moment van terhandstelling immers het moment waarop de verzonden voorwaarden de ander hebben bereikt en spelen ook de eerder in hoofdstuk 2 aan de orde gestelde spelregels zoals deze voortvloeien uit art. 3:37 lid 3 een rol. Dit onderscheid heb ik evenwel niet aangetroffen.
Van deze uitleg ga ik, zoals uit mijn inleiding onder 2.1.2.1 moge blijken, uit. In de Parl. Gesch. (Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1615) wordt ook er vanuit gegaan dat art. 234 BW 'natuurlijk een uitwerking van art. 6:233 onder b' is. Asser/Hartkamp 4-II, nr. 353a, geeft ook aan dat 'de wijze waarop deze redelijke mogelijkheid kan worden geboden is uitgewerkt in art. 234'. Loos laat het in enige mate in het midden door te stellen dat 'indien de gebruiker de algemene voorwaarden ter hand heeft gesteld, hij voldaan heeft aan de informatieplicht van art. 6:233 sub b BW', maar ook deze omschrijving lijkt de nadere invulling/uitwerking tot uitgangspunt te nemen.
Van een dergelijke verdeling gaat uit Hijma 2002, nr. 43 waar hij stelt dat het op de weg van de gebruiker zal liggen om te bewijzen dat hij, zoals hij stelt, de voorwaarden inderdaad heeft aangereikt. Zie over het door Hijma gebruikte voorbeeld nader, onder de volgende alinea's in de hoofdtekst.
Hijma 2002, nr. 43, die uitgaat van uitleg B, signaleert dit ook. In een zaak waarin - gelet op de manier waarop de Hoge Raad de rechtsklachten echter vervolgens samenvat -hoop op een uitspraak over de betreffende materie wel aan de horizon gloorde, heeft de Hoge Raad het middel aldus verstaan dat een oordeel over de vraag op wiens weg het lag te bewijzen dat die voorwaarden wél waren bijgesloten, niet aan de orde kwam. Zie HR21 september 2007, RvdW 2007, 788.
Zie ook hiervoor noot 46.
Hijma 2003, nr. 43.
HR 23 oktober 1992, NJ 1992, 813(Stichting Centraal Ziekenfonds en Van der Pasch tegen Van der Velden). Zie ook hiervoor onder 1.1.
De vraag 'of gebruiker inderdaad kon volstaan met een verwijzing naar ter inzage gelegde voorwaarden en de toezegging om deze op verzoek toe te zullen zenden, is eerst 'subsidiair' aan de orde: eerst dient beoordeeld te worden of die terhandstelling inderdaad niet mogelijk was. Zie Hijma 2003, nr. 39 en HR 6 april 2001, NJ 2002, 385(VNP/Havrij): pas als ter hand stellen redelijkerwijs niet mogelijk is (en dat onderzocht is), komt de beoordelingsmaatstaf 'redelijke mogelijkheid tot kennisname van de voorwaarden' aan de orde. Hijma gaat er overigens eveneens vanuit dat het aan de gebruiker is om te stellen en zo nodig bewijzen dat die bijzondere situatie, waarin terhandstelling niet mogelijk is, zich voordoet (Hijma 2003, nr. 41), zij het dat hij deze verplichting niet koppelt aan enig zelfstandig verweer (maar volstaat met te stellen dat het zo is).
Hetzelfde geldt overigens voor de in art. 6:234 lid 1 onder c opgenomen 'uitzondering', die naar bewijsrechtelijke verhoudingen eveneens leidt tot een zelfstandig verweer waarvan de bewijslast op de gebruiker rust.
Loos 2001, nr. 65.
Loos 2001, nr. 66.
Hof Leeuwarden 19 december 2001, NJ kort 2002, 9 en S&S 2002, 132. Tot het anderszins tegemoetkomen van de wederpartij is overgegaan de Rb. Arnhem, waar zij in haar vonnis van 17 februari 2000, NJ kort 2000, 26, stelt:'Mede in aanmerking genomen het bepaalde in art. 6:232 BW brengen in een geval als het onderhavige waarin het gaat om professionele contractanten de eisen van het rechtsverkeer met zich dat [wederpartij] in beginsel moet bewijzen dat haar geen redelijke mogelijkheid is geboden, met dien verstande dat van [gebruiker] verlangd mag worden dat zij met gegevens aannemelijk maakt dat -zoals in casus aan de orde - zij de algemene voorwaarden ter hand stelt.' De rechtbank komt uiteindelijk op grond van de door getuigen afgelegde verklaringen tot het oordeel dat gebruiker voldoende met gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat de algemene voorwaarden aan de wederpartij ter hand zijn gesteld en verwerpt daarop het beroep op vernietigbaarheid van de voorwaarden.
Zie over een gebrek aan eenduidigheid ook hiervoor onder het kopje 'de bewijsrechtelijke invulling van de 'redelijke mogelijkheid kennis te nemen' in de praktijk'.
Rb. Almelo 6 september 2006, NJ F 2006, 536, Rb. Utrecht 16 augustus 2006, NJ F 2006, 604 en Rb. Middelburg 25 februari 1998, JOR 1999, 44.
Hof Arnhem 15 februari 2005, NJ F 2005, 362 en (enigszins anders geformuleerd) Hof Leeuwarden 19 december 2001, S&S 2002, 132.
Hof Arnhem 15 februari 2005, NJ F 2005, 362 (als steunend argument bij de verklaringsfictie, zie vorige noot), Hof Arnhem 3 februari 1998, NJ 2002, 246 en Rb. Amsterdam 12 november 2003, LJN : AN7990. Vergelijk, zij het vanuit de beantwoording van de vraag of een bepaling als de onderhavige (of een daarop lijkende) een kernbeding is, Rb. Arnhem5 oktober 2005, LJN : AN7390 en Rb. Arnhem 3 september 2003, NJ F 2004, 8.
Hof Arnhem 19 september 2006, NJ F 2007, 49.
Dwingend bewijs wil blijkens art. 151 Rv zeggen, dat in een rechtsgeding de rechter vooralsnog als ten processe vaststaand moet aannemen wat in die akte is vermeld. De partij die zich op de onjuistheid van (de waarheid van) de verklaring beroept, moet evenwel worden toegelaten tot tegenbewijs, aldus Asser/Hartkamp 4-II, nr. 120. Dit tegenbewijs mag volgens art. 152 lid 1 Rv door alle middelen geleverd worden, tenzij de wet anders bepaalt. Zie ook hiervoor onder 1.2.2.1. Het komt daarbij erop neer dat het de rechter ook bij het gebruik van een standaardbepaling als hiervoor bedoeld, vrijstaat om het tegenbewijs geleverd te achten indien hij op grond van de in het geding gebleken feiten bewezen acht dat de in de akte opgenomen verklaring onjuist is (HR 16 maart 2007, RvdW 2007, 305 en 5 januari 2001, NJ 2001, 612 m.nt. DA). Voor de vraag of het te leveren tegenbewijs geslaagd mag worden geacht, is voldoende dat op grond van dat tegenbewijs, het door de akte geleverde bewijs is ontzenuwd (laatstelijk HR 16 maart 2007, RvdW 2007, 305).
Binnen het verzekeringsrecht heeft het inzenden van het aanvraagformulier (doorgaans) als het doen van een aanbod te gelden. Zie ook de inleidende woorden aan het begin van dit hoofdstuk. Voor de toepasbaarheid van de algemene voorwaarden maakt dat in zoverre geen verschil dat ook hier sprake is van een terhandstelling van de algemene voorwaarden 'voor of bij het sluiten van de overeenkomst'. De overeenkomst komt eerst tot stand door aanvaarding van dat aanbod.
E. du Perron, 'Nieuw recht der werkelijkheid', NJB 2002, p. 406 stelt dat de strekking van art. 6:233 en 234 meebrengt dat de meerbedoelde verklaring geen bewijswaarde heeft, tenzij duidelijk is dat de wederpartij de verklaring voor haar rekening heeft genomen (bijvoorbeeld doordat deze in vette rode letters is afgedrukt of afzonderlijk is ondertekend). Spier, conclusie voor HR 21 september 2007, RvdW 2007, 788, volgt Du Perron en vult aan waar hij denkt aan een duidelijke, door de opmaak of anderszins opvallende en niet voor misverstand vatbare kennisgeving in de volgende trant: 'bijgesloten zijn onze algemene voorwaarden. Wilt u ons laten weten wanneer deze onverhoopt niet mochten zijn bijgesloten? We zenden ze u dan onverwijld alsnog toe.' Andere bijkomende omstandigheden die kunnen leiden tot het oordeel dat de voorwaarden ook daadwerkelijk zijn bijgesloten zijn, volgens Spier: het op de achterzijde van briefpapier, offertes en dergelijke meer afdrukken van de algemene voorwaarden, onder verwijzing daarnaar in -ten minste - de offerte en het specifiek laten ondertekenen van een duidelijke en niet voor misverstand vatbare mededeling dat de wederpartij de algemene voorwaarden heeft ontvangen.
Overigens gaat de Hoge Raad niet in op de vraag op wiens weg het ligt om te bewijzen dat de voorwaarden zouden zijn bijgesloten. Zie ook noot 75.
In die zin ook (in een andere zaak) Rb. Rotterdam 1 juni 2005, NJ F 2005, 343.
HR 21 september 2007, RvdW 2007, 788.
Du Perron, t.a.p., p. 406. Zie ook, instemmend, J.G.J. Rinkes in Wessels Jongeneel & Hendrikse 2006, p. 161.
De door Du Perron bij wijze van voorbeeld genoemde opties dat de verklaring in vette rode letters dient te worden afgedrukt of afzonderlijk dient te worden ondertekend, volgt de Hoge Raad in de onderhavige casus en naar de hier gegeven feiten en omstandigheden evenwel niet, net zo min als hij de conclusie tot vernietiging (op onder meer de grond dat de door het hof genoemde oordeel onjuist is) van A-G Spier in deze volgt.
Asser/Hartkamp 4-II, nr. 120.
De wederpartij hoeft het aanbod van tegenbewijs niet te specificeren. Zie over het leveren van tegenbewijs in meer algemene zin hiervoor onder 1.2.2.1. Wanneer door de wederpartij in het geheel geen aanbod tot bewijslevering wordt gedaan, kan het uitgangspunt van art. 157 Rv gevolgd worden en kan het ervoor gehouden worden dat hem de voorwaarden ter hand zijn gesteld, aldus Rb. Utrecht 16 augustus 2006, NJ F 2006, 604.
Hof Arnhem 15 februari 2005, NJ F 2005, 362 en (enigszins anders geformuleerd) Hof Leeuwarden 19 december 2001, S&S 2002, 132.
Indien steeds en zonder meer ervan uitgegaan dient te worden dat de bepaling, dat de voorwaarden van de overeenkomst deel uitmaken en bijgevoegd zijn, gezien dient te worden als een fictieve verklaring, wordt de positie van de gebruiker tegenover de wederpartij ook wel erg 'dubbel': aan de overeenkomst als zodanig kan/moet de wederpartij wel gehouden worden, maar dat heeft kennelijk niet te gelden voor de bepaling die iets bedoelt te zeggen over de naleving van de informatieplicht.
NJ F 2007, 49
Evenmin voldoende is - mijns inziens met recht - geoordeeld de enkele verwijzing naar bijgevoegde voorwaarden op een opdrachtbevestiging: Rb. Arnhem 6 april 20005, NJ F 2005, 378.
Bij het in kaart brengen van de rol en invulling van de hiervoor geschetste algemene-voorwaardenregeling binnen het verzekeringsrecht speelt vanzelfsprekend - in de fase van de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst - de 'reguliere' (snelle) gebondenheid aan de voorwaarden, met daaraan gekoppeld de twee in art. 6:233 BW geboden mogelijkheden van (inhoudelijke) vernietigbaarheid van bedingen, een belangrijke rol. In de opzet van mijn proefschrift zal ik (ook hier) niet ingaan op de inhoudelijke beoordeling van een en ander, maar mij beperken tot de beantwoording van de vraag of een invulling als door Asser-Hartkamp bepleit (zie hiervoor), waarbij de rechter de wederpartij op het punt van de informatieplicht als tweede vernietigingsgrond in zijn bewijslast tegemoet komt, in de praktijk ook gegeven wordt. Waar mogelijk (er is binnen deze materie maar een zeer gering aantal zuiver verzekeringsrechtelijke uitspraken voorhanden) zal ik bezien of en zo ja, op welke punten, de gegeven invulling bij het eigen karakter van de verzekeringsovereenkomst aansluit.
De bewijsrechtelijke invulling van de 'redelijke mogelijkheid kennis te nemen' in de praktijk
Zoals ik hiervoor onder 3.3.1 aangaf, lijkt het bewijsrechtelijk uitgangspunt bij de informatieplicht voort te vloeien uit de redactie van art. 6:233 sub b BW, gezien in samenhang met art. 150 Rv: de bewijslast rust in beginsel op degene die zich beroept op de vernietigbaarheid van het beding ('jij verzekeraar, hebt mij niet een redelijke mogelijkheid geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen en dat maakt (een) beding(en) vernietigbaar'). Naar mijn mening is het daardoor in beginsel de wederpartij bij de overeenkomst (in verzekeringszaken: de verzekeringnemer) die zal hebben te stellen en zo nodig bewijzen, dat de gebruiker van de algemene voorwaarden niet een redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen.1 Dat die redelijke mogelijkheid vervolgens in art. 6:234 BW nader uitgewerkt wordt in die zin dat deze mogelijkheid met name2 is geboden indien de gebruiker van de algemene voorwaarden deze voor of bij het sluiten van de overeenkomst aan de wederpartij ter hand stelt,3 doet daaraan niet af: ook dan dient de wederpartij de 'last' te dragen, zij het van het bewijs van de niet-terhandstelling als nadere adstructie van de 'niet geboden mogelijkheid'. Ondanks die in mijn ogen in beginsel bestaande duidelijkheid, bestaat er in de literatuur verdeeldheid onder auteurs.4 Daarop wijst ook de rechtbank Arnhem, getuige de navolgende overweging:
'Volgens art. 6:233 aanhef en onder b BW zijn bedingen in Algemene Voorwaarden vernietigbaar indien de gebruiker aan de wederpartij niet een redelijke mogelijkheid heeft geboden om van die voorwaarden kennis te nemen. Art. 6:234 lid 1 BW bepaalt in welke gevallen die mogelijkheid wel is geboden. De wijze waarop beide bepalingen in elkaar grijpen doet vragen rijzen in het bijzonder over de bewijslastverdeling waaromtrent geen duidelijke communis opinio bestaat. (...)'.5
Illustratief voor die verdeeldheid is ook dat in de rechtspraak in een (groot) aantal uitspraken zonder meer, dus zonder dat sprake was van een omkering van de bewijslast, tot uitgangspunt genomen wordt dat 'krachtens de hoofdregel de bewijslast op gebruiker rust'.6
Alvorens in te gaan op de vraag of de verdeeldheid verklaarbaar is, lijkt het goed hier uit te spreken dat ik met de 'uitkomst', dus een bewijslast die op de gebruiker rust, in veel gevallen graag kan instemmen. Het bewijs, immers, dat de wederpartij (anders) dient te leveren ('de gebruiker heeft niet aan zijn informatieplicht voldaan, want hij heeft niet ter hand gesteld') kan hem snel in bewijsnood brengen. Hoewel dat op zichzelf onvoldoende is om tot omkering van de bewijslast over te gaan,7 kan er voor de rechter niettemin in de overige omstandigheden van het geval voldoende aanleiding zijn om de bewijslast toch om te keren.8 Een rol speelt daarbij, zoals Loos het in navolging van Giesen zo fraai uitdrukt, dat anders ook de verwezenlijking van de materiële norm in gevaar zou komen.9 Het steeds en onverkort toedelen van de bewijslast aan de wederpartij zou redelijkerwijs te zeer strijden met de beschermingsgedachte die uit art. 6:233 BW voort-vloeit.10 De bewijslast zal ook naar mijn mening (dus) op de gebruiker dienen te rusten, maar dogmatisch gebeurt dat dan langs de weg van de omkering als bedoeld in art. 150 Rv (slot) en niet 'krachtens de hoofdregel'. Voorstelbaar is overigens evenzeer, zoals Asser-Hartkamp aangeeft (zie hiervoor onder 3.3.1), dat de wederpartij anderszins tegemoetgekomen wordt, te weten door op de gebruiker die de stelling van de wederpartij betwist een verzwaarde motiveringsplicht ten aanzien van zijn betwisting te leggen. Die verplichting impliceert niet dat de gebruiker bewijs dient te leveren van de feiten die hij heeft gesteld ter betwisting van de stellingen van de wederpartij. Evenmin houdt zij in dat de zuivere bewijslast omgekeerd wordt; slechts is die verzwaring bedoeld om aanknopingspunten te verschaffen voor eventuele bewijslevering.11 Ik kom hierop later terug.
Gebrek aan eenduidigheid verklaarbaar vanuit de verhouding 6:233 onder b - 6:234 BW?
Wat opvalt aan de uitspraken waarin de bewijslast op de gebruiker gelegd wordt, is dat deze niet steeds heel uitgebreid zijn in de motivering. Een enkele keer wordt (zelfs) volstaan met de overweging 'krachtens de hoofdregel', zonder nadere duiding;12 in de overige gevallen wordt nadrukkelijk verwezen naar 'de hoofdregel van art. 150 Rv (of de voorganger, art. 177), maar ook dan met als 'uitkomst' - anders dan door mij hierboven bepleit een bewijslast die rust op de gebruiker.13
De verwarring laat zich mijns inziens verklaren door de onderlinge samenhang tussen de artikelen 6:233 onder b en 6:234 BW, die ruimte biedt voor ten minste twee uitgangspunten.14 Allereerst kan het laatstgenoemde artikel gezien worden als een uitwerking van art. 6:233 onder b BW (uitleg A). Het 'ter hand stellen' als praktische invulling van het 'bieden van een redelijke mogelijkheid om kennis te nemen' in de zin van art. 6:233 onder b BW wordt dan in feite een onderdeel van de stelling van de wederpartij: 'gebruiker heeft mij niet de redelijke mogelijkheid geboden, want hij heeft de voorwaarden niet voor of bij het sluiten ter hand gesteld'.15 In die visie op de samenhang tussen de beide artikelen rust de bewijslast van het niet ter hand stellen op de wederpartij. Ten tweede (uitleg B) kan het bepaalde in art. 6:234 BW gezien worden als een stelling van de gebruiker. Het verwordt daarmee tot een verweermiddel: 'Anders dan jij, wederpartij, stelt, heb ik wel een redelijke mogelijkheid geboden omdat ik de voorwaarden tijdig ter hand heb gesteld'. In die situatie bestaat snel - maar mijns inziens ten onrechte, zie hieronder - de neiging de bewijslast van het ter hand stellen wél op de gebruiker te laten rusten.16
Wat lastig is in de bepaling van het (meest) 'juiste' uitgangspunt in deze is dat de parlementaire geschiedenis geen richting geeft en de Hoge Raad zich op dit punt nog niet heeft uitgesproken.17 Wat eveneens lastig is (voor mij, althans, omdat ik deze uitleg in beginsel niet volgen wil), is dat de uitkomst van uitleg B strikt genomen meer rechtszekerheid biedt: zonder dat de rechter daaraan te pas hoeft te komen, immers, zou het uitgangspunt bij de bewijslastverdeling zijn dat deze (steeds) rust op de gebruiker. Gelet op het voor afd. 6.5.3 BW geldende uitgangspunt (duidelijkheid voor de consument en ontlasting van het rechterlijk apparaat)18 ben ik daar in beginsel om meerdere redenen wel voor: wanneer een wederpartij, zoals dat aan het systeem van afdeling 6.5.3 eigen is, snel 'vastzit' aan de algemene voorwaarden, is het goed dat hij daar ook weer betrekkelijk eenvoudig 'vanaf' kan. Een eventueel risico in bewijs, dat de niet-toepasselijkheid van (een) algemene voorwaarde(n) tot gevolg kan hebben, zou om die reden in mijn beleving in beginsel bij de gebruiker dienen te rusten. De door mij aangehangen uitleg A biedt die zekerheid niet, omdat eerst door een rechterlijk 'tegemoetkomen' al dan niet door omkering of door een verzwaarde motiveringsplicht (zie hierboven) de bewijslast op de gebruiker zal komen te rusten.
Desondanks lijkt uitleg B mij niet de juiste weg te zijn. Dat is allereerst niet het geval vanwege de opbouw van de materiële bepalingen. Mijns inziens kan art. 6:234 BW niet anders gezien worden dan als een nadere invulling van de verplichting 'een redelijke mogelijkheid' te bieden, waardoor zij binnengehaald kan worden in het beroep op vernietiging als door mij hiervoor onder uitleg A aangegeven. Het 'ter hand stellen' geeft handen en voeten aan het begrip 'redelijke mogelijkheid' en met de positieve omschrijving heeft de minister gemeend een duidelijke en afgewogen redactie te hebben gegeven over de vraag wanneer de gebruiker wel geacht wordt die mogelijkheid te hebben geboden.19 Wanneer de wederpartij van oordeel is dat die mogelijkheid niet geboden is, kan dit standpunt worden onderbouwd door te stellen dat de voorwaarden niet ter hand zijn gesteld. Daarnaast - mijns inziens doorslaggevend - is uitleg B (indirect) gestoeld op het onjuiste uitgangspunt dat hetgeen de gebruiker aan zijn verweer ten grondslag legt, door hem bewezen dient te worden. Ik ga in op het (eerste) door Hijma gegeven voorbeeld:
'De gebruiker die tegen een vernietiging ex art. 6:233 sub b verweer voert, kan, al naar gelang de aard van het geval (... ) betogen dat hij de algemene voorwaarden tijdig aan de wederpartij ter hand heeft gesteld in de zin van art. 6:234 lid 1 sub a en haar zodoende een redelijke mogelijkheid tot kennisneming heeft geboden. Als de wederpartij de terhandstelling ontkent, zal het op de weg van de gebruiker liggen om te bewijzen dat hij, zoals hij stelt, de voorwaarden inderdaad heeft aangereikt. (...).'20
De gebruiker doet in dit voorbeeld mijns inziens in de kern niet anders dan betwisten dat hij geen redelijke mogelijkheid zou hebben geboden. Dat Hijma de gebruiker zich daarbij op art. 6:234 lid 1 sub a BW laat beroepen doet daaraan in die zin niets af, dat gewoon de hoofdregel van art. 150 Rv gevolgd dient te blijven worden: de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten (i.c.: vernietigbaarheid op grond van het feit dat hem door de gebruiker niet de redelijke mogelijkheid tot kennisneming is geboden c.q. de voorwaarden niet ter hand zijn gesteld) is belast met het bewijs van die feiten. Uit de hoofdregel kan evenwel niet worden afgeleid dat de verwerende partij de feiten moet bewijzen die zij stelt ter motivering van haar betwisting van de eerder bedoelde feiten.21Van een verdeling als door Hijma bepleit kan naar mijn oordeel mitsdien geen sprake zijn.
Een ander, derde punt dat zijdelings bijdraagt aan de overtuiging dat het niet ter hand stellen - als nadere invulling van de 'redelijke mogelijkheid' -deel uitmaakt van de stellingen van de wederpartij, is dat deze uitleg (A) aansluit bij de (verdere) redactie van art. 6:234 BW en de wederzijdse stel-plichten die deze met zich brengt. Ik werk het uit ter verduidelijking: indien de wederpartij zich beroept op de vernietigbaarheid van (een) bedingen(en) op de grond dat hij niet de redelijke mogelijkheid heeft gehad om daarvan kennis te nemen omdat de voorwaarden hem niet ter hand zijn gesteld (art. 6:233 onder b jo. 6:234 BW als hier bedoeld), kan de gebruiker twee posities innemen. Hij kan het weerspreken en wanneer hij dat voldoende gemotiveerd doet, leidt dit - als door mij hiervoor steeds betoogd in uitleg A - in beginsel tot een bewijsverplichting voor de wederpartij. Het kan echter ook zo zijn, dat de gebruiker het door de wederpartij gestelde op zich niet betwist ('de voorwaarden zijn inderdaad niet ter hand gesteld'), maar dat hij zich op het standpunt stelt dat de terhandstelling redelijkerwijs niet mogelijk was. Van dit zelfstandig verweer draagt naar de hoofdregel juist de gebruiker (zie hiervoor onder 1.1) de bewijslast (welke verdeling dus eveneens in lijn is met mijn gedachte dat uitleg A de juiste is).2223
De meest geëigende richting
Ik zou er dan ook, in navolging van Loos en Asser-Hartkamp, voor willen pleiten dat vastgehouden wordt aan de hoofdregel van art. 150 Rv, en dat deze gelezen wordt in samenhang met art. 6:233b BW, zodat het in beginsel de wederpartij is, die met het bewijs van de ter hand stelling belast wordt. Eveneens in navolging van bedoelde auteurs zou ik ervoor willen pleiten dat de rechter gelet op de aard van het te leveren bewijs en - zeker indien de wederpartij consument is - op de positie van partijen aan de in beginsel met het bewijs belaste partij (gelet op het systeem van algemene voorwaarden) snel tegemoet komt door de bewijslast om te keren of door op de gebruiker die de stelling van de wederpartij betwist een verzwaarde motiveringsplicht ten aanzien van zijn betwisting te leggen.
Loos lijkt overigens 'verder' te gaan dan Asser-Hartkamp, omdat hij de verzwaarde motiveringsplicht als mogelijkheid om de wederpartij tegemoet te komen niet bespreekt, maar uitsluitend uitgaat van een zuivere omkering van de bewijslast.24 Op de gebruiker komt daardoor vol het bewijsrisico te rusten. Loos pleit ervoor dat de gebruiker vervolgens weer tegemoetgekomen wordt door aan te nemen dat de gebruiker - behoudens tegenbewijs - het bewijs van naleving van de informatieplicht reeds geleverd heeft indien een door de wederpartij ondertekend of geparafeerd geschrift de verklaring bevat dat aan haar de algemene voorwaarden ter hand zijn gesteld. Hij acht het noodzakelijk dat de bewijskracht van een dergelijke verklaring wordt aanvaard, omdat de gebruiker anders in dezelfde bewijsnood zou raken als de wederpartij.25 Op 'riedels' van deze strekking en de kracht die zij tussen partijen bewijsrechtelijk mogelijk heeft, zal ik hieronder nader ingaan.
Alvorens dat te doen, lijkt het goed om als afsluiting van deze subparagraaf een passage over te nemen uit een (mijns inziens fraai) arrest van het Hof Leeuwarden nu het hof daarin inzicht geeft in de overwegingen die een rechterlijk tegemoetkomen door omkering van de bewijslast rechtvaardigen:
'18. De thans bedoelde terhandstelling kan in het wettelijk stelsel (... ) niet worden gezien als een (afdwingbare) voorwaarde die moet zijn vervuld om te komen tot het oordeel dat de algemene voorwaarden deel uitmaken van de overeenkomst. Wel kan van de gebruiker van algemene voorwaarden worden geëist dat hij, bij betwisting van de stelling dat hij de voorwaarden aan de adherent ter hand heeft gesteld, aangeeft door wie en op welk tijdstip of op welke wijze bedoelde terhandstelling heeft plaatsgevonden. Aan deze stelplicht heeft [gebruiker] voldaan.
Uitgangspunt is op basis van art. 177 Rv (als voorloper van 150 Rv, NvT) vervolgens dat degene die, gelijk in casu [gebruiker], zich beroept op de rechtsgevolgen van hetgeen hij stelt, te weten het bestaan van een vernietigingsgrond, bij betwisting daarvan met het bewijs dient te worden belast. Op genoemd uitgangspunt zijn evenwel uitzonderingen mogelijk, en het hof acht in het onderhavige geval plaats voor een zodanige uitzondering.
In het wettelijk systeem met betrekking tot de toepasselijkheid van algemene voorwaarden ligt besloten dat de adherent, die uit kracht van art. 6:232 BW snel is gebonden aan algemene voorwaarden, zich van die gebondenheid op relatief eenvoudige wijze dient te kunnen bevrijden met een beroep op de gronden als vervat in art. 6:233 BW. Het zou redelijkerwijs te zeer strijden met de beschermingsgedachte die uit laatstgenoemd artikel ten behoeve van de adherent voortvloeit, als hij zou moeten worden belast met het bewijs van het aan hem niet ter hand gesteld zijn van de algemene voorwaarden door de gebruiker daarvan. Dientengevolge acht het hof de voorwaarden vervuld voor het toepasselijk achten van een uitzonderingsgrond op de in art. 177 Rv gegeven hoofdregel. Mitsdien dient [gebruiker] op de wijze als hierna te melden te worden belast met het bewijs van het door haar gestelde feit dat zij de algemene voorwaarden voor of bij de contractsluiting aan [wederpartij] ter hand heeft gesteld.'26
Deze door het Hof Leeuwarden gekozen weg van de zuivere omkering verdient mijns inziens de voorkeur, omdat deze het risico als zodanig ook echt bij de gebruiker legt en daarmee het meest recht wordt gedaan aan het hiervoor door mij geformuleerde uitgangspunt dat het bewijsrisico - vanwege de snelle gebondenheid aan algemene voorwaarden - voor rekening van de gebruiker dient te komen.
Tot slot: de betekenis van opgenomen (standaard)bepalingen
Een veel voorkomend fenomeen binnen de regeling van de algemene voorwaarden is, zo blijkt uit de jurisprudentie, het in de voorwaarden opnemen van een bepaling van de navolgende strekking:
'Op deze overeenkomst zijn de Algemene Voorwaarden (... ) van toepassing. Door ondertekening van deze overeenkomst verklaart cliënt een exemplaar daarvan ontvangen te hebben en daarmee in te stemmen.'
Inmiddels is in de bij de invoering van titel 7.17 BW door het Verbond van Verzekeraars aan de markt geadviseerde modelteksten ervoor gekozen om - eveneens in het kader van de problematiek van de toepasselijkheid van algemene voorwaarden - in het aanvraagformulier een bepaling op te nemen die sterk doet denken aan de voornoemde. Zij luidt:
'Door ondertekening van dit aanvraagformulier verklaart de aanvrager/kandidaat-verzekeringnemer dat hij een verzekering wil sluiten tegen de in de bijgevoegde voorwaarden van verzekering omschreven dekking, en dat hij akkoord gaat met de toepasselijkheid van de daarbij behorende, en daarmee een geheel vormende, voorwaarden van verzekering'.
Daarmee wordt de jurisprudentie over deze clausules buiten het veld van verzekeringen relevant voor de beoordeling van de juridische betekenis van een zodanige clausule in het aanvraagformulier bij het sluiten van de verzekeringsovereenkomst. Wat allereerst opvalt, is dat uit het feit dat de gebruiker een bepaling als hiervoor bedoeld, hanteert, afgeleid kan worden dat gebruiker er kennelijk zelf vanuit gaat dat hij met het bewijs van de terhandstelling belast is. Eerst dan, immers, is het (vanzelfsprekend) pas in zijn belang om de bepaling op te nemen. Wat daarnaast opvalt, is dat de uitspraken, die zonder uitzondering - net als de gebruiker zelf dat kennelijk doet - uitgaan van een op gebruiker rustende bewijslast, ook op dit punt27in de beoordeling van de 'status' van deze bepaling geen eenduidig beeld geven. Kort weergegeven leren zij dat de volgende benaderingen zijn te onderscheiden: (a) de bepaling heeft dwingende bewijskracht in de zin van art. 157 lid 2 Rv,28 (b) de bepaling wordt gezien als een verklaringsfictie waaraan juist niet de betekenis van een partijverklaring in de zin van art. 157 Rv mag worden gehecht,29 (c) de verklaring is onredelijk bezwarend in de zin van art. 6:236 sub k BW,30 en (d) het opnemen van de bepaling en het daartegen niet protesteren wordt als een onvoldoende aanwijzing geoordeeld om van terhandstelling uit te gaan.31 Hieronder zal ik onderbouwen waarom naar mijn oordeel het spoor van de dwingende bewijskracht ex art. 157 lid 2 Rv (benadering a) het juiste is, alsook waarom de andere benaderingen dat niet, of in mindere mate zijn.
Wat bij de beoordeling van een overeenkomst, waarin een bepaling als hier bedoeld is opgenomen, voorop dient te staan, is dat de ondertekende overeenkomst in beginsel krachtens art. 157 lid 2 Rv tussen partijen dwingend bewijs levert van de juistheid van de inhoud daarvan.32 Binnen het verzekeringsrecht en uitgaande van de hiervoor weergegeven clausuletekst, is dat in zoverre anders dat deze tekst niet 'in een ondertekende overeenkomst' is opgenomen, maar in het aanvraagformulier. De vraag die daarmee opkomt, is of dit formulier eveneens als een onderhandse akte gezien kan worden. Mijns inziens luidt het antwoord op deze vraag bevestigend. Mede vanwege de opneming van meerbedoelde clausuletekst is het aan-vraagformulier33 immers bestemd om tot bewijs te dienen in de zin van art. 156 lid 1 en 3 Rv, waardoor tussen partijen - gelet op art. 157 lid 2 Rv - in beginsel uitgegaan kan worden van de in de clausuletekst genoemde ontvangst van en instemming met de algemene voorwaarden. De vraag die rijst, is of voor dit 'uitgaan van' voldoende is dat in enig stuk is opgenomen dat de algemene voorwaarden zijn bijgesloten, of dat daar - in lijn met gedachten van Du Perron en Spier34 - steeds bijkomende omstandigheden voor nodig zijn.
Inmiddels heeft de Hoge Raad zich over de betreffende materie uitgelaten in zijn arrest van 21 september 2007.35 Wat de zaak (des te) interessant(er) maakt, is dat de Hoge Raad niet alleen oordeelt over (de juistheid van de rechtsopvatting van het hof over) art. 157 lid 2 Rv zelf, maar dat hij dit artikel - daartoe vanzelfsprekend uitgelokt door de aangevoerde middelen -eveneens plaatst in zijn verhouding tot de terhandstelling ex art. 6:234 lid 1 aanhef en onder a BW.36
De procedure speelt tussen een 'kopende' paprikakweker enerzijds en de verkoper van een substraatunit anderzijds (hierna: de wederpartij resp. de gebruiker). In de procedure speelt een rol (1) dat in de aan de wederpartij toegezonden offertebevestiging vermeld was 'Meegezonden is tevens een exemplaar van onze leveringsvoorwaarden' en (2) dat de wederpartij (desondanks) heeft betwist dat de ALIB-voorwaarden haar voor of bij het sluiten van de overeenkomst ter hand zijn gesteld in de zin van art. 6:234 lid 1, onder a BW. Het hof oordeelde hierop - in lijn met benadering (a), dwingende bewijskracht, als hiervoor omschreven - dat nu niet is gesteld of gebleken dat de wederpartij op deze offertebevestiging heeft gereageerd, dit betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat de wederpartij de ALIB-voorwaarden heeft ontvangen.37 De Hoge Raad omschrijft en beoordeelt een en ander als volgt:
'Het hof heeft zijn oordeel dat het in de ALIB-voorwaarden opgenomen exone-ratiebeding niet vernietigbaar is, gebaseerd op de volgende feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien:
- reeds in haar offerte heeft [gebruiker] uitdrukkelijk melding gemaakt van de toepasselijkheid van haar algemene voorwaarden op al haar aanbiedingen;
- [gebruiker] heeft aan het slot van haar offertebevestiging - dus niet (alleen) op het postpapier waarop deze offertebevestiging was afgedrukt - vermeld: 'Meegezonden is tevens een exemplaar van onze leveringsvoorwaarden';
- deze offertebevestiging is door [wederpartij] voor akkoord ondertekend;
- niet is gesteld of gebleken dat [wederpartij] op andere wijze op deze offertebevestiging heeft gereageerd.
Door onder deze omstandigheden te oordelen dat het in de ALIB-voorwaarden opgenomen exoneratiebeding niet vernietigbaar is omdat ervan moet worden uitgegaan dat deze voorwaarden samen met de offertebevestiging, dus nog voor het sluiten van de overeenkomst, aan [wederpartij] ter hand zijn gesteld, heeft het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven. Het hof heeft kennelijk met toepassing van art. 157 lid 2 Rv geoordeeld dat de terhandstelling van de ALIB-voorwaarden aan [wederpartij] in de zin van art. 6:234 lid 1, aanhef en onder a, tussen partijen vaststaat. [Wederpartij] heeft immers zonder voorbehoud of protest de offertebevestiging van [gebruiker] ondertekend, waarin is vermeld dat een exemplaar van deze algemene voorwaarden werd meegezonden, aldus nog steeds het hof. Anders dan het middel aanvoert, staan art. 6:233 en 6:234 niet aan dit oordeel in de weg. Zij regelen immers wat de gevolgen zijn indien de algemene voorwaarden niet tijdig aan de wederpartij ter hand zijn gesteld. Zij hebben niet betrekking op de daaraan voorafgaande vraag of moet worden aangenomen dat die voorwaarden tijdig aan de wederpartij ter hand zijn gesteld. (...)'.38
De Hoge Raad lijkt met name door aan de opsomming van feiten en omstandigheden (onder het tweede liggende streepje) toe te voegen 'dus niet (alleen) op het postpapier waarop deze offertebevestiging was afgedrukt' aan te willen geven dat hij onvoldoende acht dat onbenadrukt (dus: bijvoorbeeld uitsluitend op het postpapier) is vermeld dat de algemene voorwaarden zijn bijgesloten en dat door de wederpartij daarop niet is gereageerd. De Hoge Raad lijkt daarmee de zekerheid te zoeken dat 'de wederpartij de verklaring voor haar rekening heeft genomen' als door Du Perron bedoeld,39 maar gaat evenwel niet zo ver dat een geschrift een separaat ondertekende of geparafeerde verklaring bevat dat aan haar de algemene voorwaarden zijn ter hand gesteld.40
Door het oordeel dat de terhandstelling - met toepassing van art. 157 lid 2 Rv, dus langs benadering (a) - vaststaat, wordt een mooi evenwicht geboden. Indien en voorzover de wederpartij zich vervolgens op de onjuistheid van (de waarheid van) de verklaring beroept, moet hij worden toegelaten tot tegenbewijs.41 Voor hem blijft daardoor de mogelijkheid bestaan om aan te voeren dat en waarom hetgeen in de verklaring is opgenomen niet juist is.42
Dit mooie evenwicht biedt mijns inziens niet de benadering die ik hiervoor heb aangeduid onder (b) en waarbij de bepaling zonder meer gezien wordt als een fictieve verklaring (verklaringsfictie), waaraan niet de betekenis van een 'verklaring van een partij' in de zin van art. 157 lid 2 Rv zou kunnen worden gegeven.43 Die benadering, immers, zou miskennen dat het niet onder alle omstandigheden gerechtvaardigd is de bepaling betekenis te ontzeggen. Richtinggevend voor de beantwoording van de vraag wanneer de terhandstelling (wel) vaststaat, is hetgeen hiervoor bij de behandeling van benadering (a) aan de orde is gekomen. Als uitgangspunt heeft daarbij te gelden de 'zekerheid' dat de wederpartij de verklaring voor haar rekening heeft genomen'.44
Aan onredelijk bezwarendheid in de zin van art. 6:236 onder k BW - benadering (c) - wordt mijns inziens niet toegekomen omdat de meerbedoelde bepaling waarin de wederpartij 'voor ontvangst tekent' en waarmee dwingend bewijs van de naleving van de informatieplicht bedoeld wordt te verkrijgen, niet valt onder de bewijsafspraken die in de 'zwarte' lijst als 'steeds onredelijk' worden aangemerkt. Uit de parlementaire geschiedenis valt op te maken dat met de opneming van bewijsafspraken op deze lijst nadrukkelijk niet bedoeld is om elke afwijking van de wettelijke bewijslast ten nadele van consumenten te verbieden (of zelfs maar tot 'verdacht' te bestempelen in de zin van de 'grijze' lijst). De bepaling onder k bevat dan ook nadrukkelijk (slechts) een verbod voor twee typen afwijkingen van de wettelijke bewijslast, die in de praktijk veel voorkomen en voor de consument buitengewoon bezwaarlijk zijn, te weten (1) het beding dat een verklaring van de wederpartij inhoudt omtrent de deugdelijkheid van de (aan) haar verschuldigde prestatie en (2) het beding dat de wederpartij belast met het bewijs dat een tekortkoming van de gebruiker aan hem kan worden toe-gerekend.45 Nu de hier aan de orde zijnde bepaling daar niet onder valt, kan het beding nog alleen getoetst worden aan de open norm van art. 6:233 aanhef en onder a BW. Daarbij is dan weer een volledige inhoudstoetsing aan de orde, waarbij mijns inziens een belangrijke rol kan spelen dat de 'wijziging' van de bewijslast als in de bepaling vervat niet snel onredelijk bezwarend mag worden geacht, nu hiertegen steeds en volledig de mogelijkheid open blijft om tegenbewijs te leveren.
De benadering onder (d), waarbij het Hof Arnhem geoordeeld heeft dat de meerbedoelde bepaling en het ontbreken van protest daartegen onvoldoende aanwijzingen vormen dat de gebruiker de algemene voorwaarden aan de wederpartij ter hand heeft gesteld, heb ik apart genoemd omdat zij afwijkend lijkt te zijn. Ondanks dat het hof in de hier bedoelde uitspraak van 19 september 200646 dus tot een ander eindoordeel komt, kan ik me daarin wel vinden. Dat is met name het geval omdat de bedoelde bepaling die iets over de naleving van de informatieplicht bedoelt te zeggen in de aan het hof voorgelegde casus was opgenomen in een eerst na het sluiten van de overeenkomst toegezonden factuur. In dat geval kan niet worden geoordeeld dat recht wordt gedaan aan enig vermoeden van terhandstelling.47