Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/3.3.3
3.3.3 (Nog) meer specifiek: algemene voorwaarden en de verzekeringsovereenkomst
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS357055:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 17 december 1999, NJ 2000, 140: heeft de gebruiker aan de wederpartij niet een redelijke mogelijkheid geboden om van de toepasselijke algemene voorwaarden kennis te nemen, dan staat het de wederpartij vrij zich te beroepen op de vernietigbaarheid van die voorwaarden in hun geheel.
Asser/Clausing & Wansink 2007, nr. 122.
Voor levensverzekering is de grondslag een andere (art. 60 lid 2 Bgfo) en geldt een termijn voor ontbinding van 60 dagen ex tunc. Voor de volledigheid wijs ik op art. 4:28 e.v. Wft waarin een vergelijkbare regeling voor het aangaan van een overeenkomst op afstand is neergelegd.
Vgl. Asser/Clausing & Wansink 2007, nr. 122.
Kernbedingen zijn die bedingen, die de kern van de prestaties aangeven (art. 6:231 BW). Omdat de algemeen geldende vuistregel dat kernbedingen veelal zullen samenvallen met de essentialia zonder welke een overeenkomst bij gebreke van voldoende bepaaldheid niet tot stand komt zich niet leent voor strikte toepassing bij verzekering, geeft Asser/Clausing & Wansink 2007, nr. 129 een leidraad voor de verzekeringsrechtelijke afbakening van het begrip kernbeding. Zij gaan er vanuit dat een beding dat premiestelling bepalend is, een kernbeding is. Zie voor een overzicht en een voor het verzekeringsrecht geldende afbakening Van Tiggele-van der Velde, t.a.p., p. 31 e.v.
MvT, Kamerstukken II1985/86, 19 529, nr. 3, p. 13.
Vgl. ook Richtlijn 93/13/EEG inzake oneerlijke bedingen, PbEG L 95/21 april 1993 op grond waarvan in art. 4 lid 2 de beoordeling van het oneerlijke karakter van bedingen geen betrekking heeft op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, noch op de gelijkwaardigheid van enerzijds de prijs of vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten, voor zover die bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd. Zie voor België in overeenkomstige zin art. 31par. 3 Handelspraktijkenwet, voor Frankrijk art. L132 Code de la Consommation en voor Duitsland - enigszins cryptisch - art. 307 Abs. 3 BGB.
Zie in die zin Bijzondere overeenkomsten 2006, nr. 318 en - toegepast - Hof Arnhem 28 augustus 2007, NJ F 2007, 547: 'Naar het oordeel van het hof dient (...) de vraag of art. 6 (een uitsluiting voor rijden zonder rijbewijs, NvT) van de polisvoorwaarden deel uitmaakt van de tussen [verzekeraar] en [verzekeringnemer] gesloten verzekeringsovereenkomst niet te worden beantwoord aan de hand van art. 6:232 BW omdat (...) deze polisbepaling voorshands als een kernbeding kan worden aangemerkt waarop de algemene-voorwaarden-regeling niet van toepassing is. Of deze polisbepaling deel uitmaakt van de verzekeringsovereenkomst dient te worden bepaald aan de hand van de algemene regeling van art. 3:33, 3:35 BW (wil en vertrouwen) en 6:217 BW (aanbod en aanvaarding).'
Ook Hondius, (losbl.) Verbintenissenrecht (2004), nr. 12, gaat er vanuit dat de bewijslast van het feit dat een bepaald beding de kern van de prestaties betreft, rust op degene die de algemene voorwaarden heeft gebezigd of het gebruik daarvan heeft bevorderd.
Vooralsnog ga ik er vanuit dat hier sprake is van een uitsluiting. Dat neemt niet weg dat de bedoelde clausule de discussie over het onderscheid tussen een uitsluiting en een warranty oproept, zulks mede in het licht van het arrest van de Hoge Raad van 9 juni 2006, NJ 2006, 326(Valschermzweeftoestel). Zie voor een bespreking van het arrest met daarin een mooie weergave van de bedoelde discussie, onder verwijzing naar eerdere uitspraken op dit terrein en een bespreking van de bewijsrechtelijke gevolgen van het onderscheid Blom, 'Arrest Valschermzweeftoestel' AV&S 2007, nr. 20.
Zie in die zin ook meergenoemd arrest van het Hof Arnhem van 28 augustus 2007, NJ F 2007, 547, waarin het hof ook de hoofdregel van art. 150 Rv volgt in de zin als in de hoofdtekst aangegeven. Het hof wijst uiteindelijk een tussenvonnis teneinde zich nader te laten informeren over de vraag op welke wijze de verzekeringsovereenkomst tot stand is gekomen en met name welke informatie en bescheiden daarbij tussen partijen zijn uitgewisseld.
Zie over deze materie ook - minder vergaand - M.J. Tolman, 'Oneerlijke bedingen in contractsvoorwaarden', AV&S 2001, p. 167 e.v.
Zie anders Hof Amsterdam 11 januari 2007, NJ F 2007, 336: 'De stellingen van verzekeringnemer zijn ontoereikend voor de gevolgtrekking dat de onderhavige uitsluiting geen deel uitmaakt van de tussen partijen gesloten verzekeringsovereenkomst. Verzekeringnemer heeft het door [verzekeraar] opgestelde verzekeringsformulier (... ) ondertekend. Op de achterkant daarvan zijn de verzekeringsvoorwaarden, waaronder de onderhavige uitsluiting weergegeven. Verzekeringnemer heeft aldus tijdig van die uitsluiting kennis kunnen nemen. Aangenomen moet worden dat verzekeringnemer, zoals van hem mag worden verlangd, de desbetreffende bepaling heeft gelezen. Het hof is van oordeel dat verzekeringnemer die bepaling, ook als zijn jeugdige leeftijd (16 jaar) en onervarenheid voor het overige in aanmerking wordt genomen, heeft kunnen begrijpen. De bepaling is in duidelijke bewoordingen gesteld. Bovendien wist verzekeringnemer dat het rijden op de bromfiets zonder bromfietscertificaat verboden was, zoals hij ter comparitie in eerste aanleg heeft verklaard. Met die wetenschap kon hij zonder onredelijke inspanning uit de bepaling opmaken dat de schade, veroorzaakt rijdend zonder bromfietscertificaat, niet was verzekerd'. De uitspraak zou inhouden dat het enkele, tijdig ter hand stellen voldoende zou zijn om wilsovereenstemming aan te nemen op de 'verscholen' kernbedingen; die opvatting volg ik, zoals uit de hoofdtekst blijkt, niet.
NJ 1994, 284. Zie hierover nader A.S.J. van Garderen-Groeneveld, Vrb 1994, p. 57.
NJ 1995, 285(Trouwborst/Tollenaar&Wegener) m.nt. MMM.
Bij dit arrest past wel de kritische kanttekening dat het hof in de hieraan voorafgaande rechtsoverweging 4.6 mijns inziens te kort door de bocht gaat door te snel - als ware de enkele terhandstelling van het totale set van voorwaarden voldoende om wilsovereenstemming op het punt van de 'verscholen' kernbedingen aan te nemen - te oordelen dat de in het geding zijnde uitsluiting ook deel uitmaakt van de tussen partijen gesloten verzekeringsovereenkomst. Zie ook hiervoor onder noot 118.
NJ F 2007, 336
Vgl. Rb. Alkmaar 8 februari 2006, NJ F 2006, 297, waarin is geoordeeld dat verzekerde op eenvoudige wijze kennis had kunnen en behoren te nemen van hetgeen op het polisblad vermeld stond, waaronder de te nemen anti-diefstal maatregelen, doch heeft het polisblad ongelezen terzijde gelegd en aldus niet binnen bekwame tijd bij de tussenpersoon geprotesteerd. Dit komt voor rekening van verzekerde.
Bij de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst loopt, zoals we eerder zagen, een aantal aspecten door elkaar heen. Aan de ene kant is er de 'gewone' regel van aanbod en aanvaarding, die de 'gewone' spelregels volgt van het bereiken van mededelingen: op het moment dat de aanvaarding de aspirant-verzekeringnemer bereikt heeft, is de overeenkomst pas tot stand gekomen (zie ook hiervoor, inleidend bij dit hoofdstuk). Aan de andere kant is er de 'eigen' invulling die de verzekeraar niet zelden aan het aanvaarden geeft: op het moment dat een bepaalde post feitelijk geaccepteerd is, wordt deze acceptatie niet zonder meer naar de aspirant-verzekeringnemer gecommuniceerd. Veelal doorloopt die aanvaarding immers eerst het voor de verzekeraar geëigende standaard vervolgtraject: er wordt een polis opgemaakt, er wordt (gelijktijdig) geadministreerd en pas daarna wordt de polis - ingeval er een tussenpersoon betrokken is bij de totstandkoming: naar de tussenpersoon - verstuurd. De verzekering zal dan tot stand komen op het moment dat de polis met de hierin vervatte aanvaarding de verzekeringnemer bereikt heeft.
Tussen dit een en ander door zou verder nog de terhandstelling van de algemene voorwaarden een rol kunnen spelen. In de ideale situatie waarin in de fase van aanbod en aanvaarding alles 'goed verlopen' is en er een overeenkomst tot stand is gekomen, kan zich immers nog de situatie voordoen dat de verzekeraar in de fase waarin dat op grond van afd. 6.5.3 wél van hem verwacht werd (zie onder 3.3.2), de verzekeringnemer niet de gelegenheid heeft geboden om voor of bij het sluiten van de verzekering van de toepasselijke algemene voorwaarden kennis te nemen. Zoals hiervoor aan de orde gesteld, leidt dit op zichzelf ertoe dat de verzekeringnemer zich op de vernietigbaarheid van die voorwaarden (in hun geheel1) kan beroepen. Met de invoering van de Wft, echter, lijkt de verwachting gerechtvaardigd dat een beroep op art. 6:233 aanhef en onder b BW binnen het verzekeringsrecht op de achtergrond raakt. De Wft en het daarop gebaseerde Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen (Bgfo) kennen immers een voor de verzekeraar als financiële dienstverlener geldende eigen regeling op dit punt: ongeacht of zulks ook voor of bij het sluiten van de overeenkomst mogelijk was,2 kan de verzekeraar ingevolge art. 4:20 lid 2 Wft en de uitwerking die in art. 61 lid 2 Bgfo gegeven wordt, de voor de totstandkoming van de verzekering te verschaffen informatie nog uiterlijk tegelijk met het afgeven van de polis verstrekken. Voorwaarde daarbij is evenwel dat de verzekeringnemer nog binnen een in de Bgfo gegeven termijn van 14 dagen na ontvangst van de stukken het recht heeft om zonder opgave van redenen - voor schadeverzekering ex nunc - de overeenkomst te ontbinden.3 Verdedigbaar lijkt dat door die ontbindingsmogelijkheid aan de strekking van art. 6:233 aanhef en onder b BW ('het niet laten kleven') eveneens voldaan is.4 Daarmee resteert voor de praktijk naar verwachting nog steeds wel de situatie waarin tussen verzekeraar en verzekeringnemer discussie bestaat over de vraag of een bepaald beding al dan niet een kernbeding is.5
Voor een goed begrip van de context waarin deze discussie speelt, is het goed om erop te wijzen dat in de verzekeringsrechtelijke praktijk doorgaans gewerkt wordt met een set van voorwaarden die 'breder' is dan de algemene voorwaarden als bedoeld in afdeling 6.5.3 BW. Dat is omdat veelal een polisblad afgegeven wordt, waarin de overeenkomst niet volledig is omschreven, maar waarin naar (een) bijbehorend(e) document(en) verwezen wordt. Onder 'de polis' als bedoeld in art. 7:932 BW is daardoor begrepen het polisblad, de polismantel/algemene verzekeringsvoorwaarden en/of één of meerdere clausulebladen.6 Mede daardoor is niet altijd zonder meer duidelijk welk van de bedingen nu 'echte' algemene voorwaarden zijn (in de zin van afdeling 6.5.3 BW) en welk van de bedingen 'kernbedingen' zijn.7 Het belang van het onderscheid is wezenlijk: voor de kernbedingen geldt dat deze niet vatbaar zijn voor een beroep op een onredelijk bezwarend karakter in de zin van art. 6:233 aanhef en sub a BW, althans voorzover deze duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd. Iets anders is dat voor deze bedingen die de kern van de prestaties aangeven, wel geldt het vereiste dat ook over de inhoud daarvan tussen partijen wilsovereenstemming in de zin van art. 3:33 en 3:35 BW (wil en vertrouwen) bestaat.8
Bewijsrechtelijk is relevant de vraag in welke situatie dit verschil zich nu laat voelen. Oftewel: wanneer zal welk van de bij de verzekeringsovereenkomst betrokken partijen zich nu erop beroepen dat een bepaald beding een kernbeding is? Ook hier een voorbeeld ter illustratie. Stel, verzekeringnemer heeft een fietsverzekering afgesloten en in de aan hem (tijdig) toegezonden voorwaarden staat een beding waarin - op straffe van verval van uitkering - is bepaald dat verzekeringnemer zijn fiets, wanneer hij deze achterlaat, steeds met een ART-goedgekeurd beugel- of kettingslot aan een aard- of nagelvast voorwerp dient te bevestigen. Op een namiddag komt verzekeringnemer thuis en hij zet zijn fiets omwille van de snelheid even tegen het huis aan op slot. Het slot hangt daarbij gewoon tussen de spaken en het frame en is nergens aan bevestigd. Wanneer verzekeringnemer na het eten weg wil gaan, merkt hij dat zijn fiets gestolen is. Verzekeringnemer meldt de diefstal bij zijn verzekeraar van wie hij hoort dat hij een schadeaangifteformulier dient in te vullen en op te sturen, vergezeld van de fiets-sleuteltjes. Verzekeringnemer handelt daarnaar en binnen een week laat de verzekeraar aan hem weten dat 'conform de van toepassing zijnde voorwaarden' de schade niet vergoed zal worden omdat verzekeringnemer -naar hij zelf in het schadeaangifteformulier heeft verklaard - aan de genoemde eis voor het achterlaten van de fiets niet heeft voldaan.
Onder deze omstandigheden ligt het in de rede dat verzekeringnemer zal aanvoeren dat de uitsluiting waar verzekeringnemer thans een beroep op doet, onredelijk bezwarend is in de zin van art. 6:233 aanhef en onder a BW of - wanneer de feitelijke gang van zaken die ruimte biedt - dat aan hem niet een redelijke mogelijkheid is geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen. Het ligt vervolgens evenzeer in de rede dat de verzekeraar hierop zal antwoorden dat sprake is van een kernbeding. Welke bewijsrechtelijke verplichtingen brengt nu dit een en ander met zich mee? Het is onder deze omstandigheden gerechtvaardigd en in lijn met de hoofdregel van art. 150 Rv dat de verzekeringnemer er - in een mogelijk door hem aanhangig te maken procedure tot nakoming van de verzekeringsovereenkomst - mee zal kunnen volstaan te stellen dat het bedoeld beding in de door verzekeraar gehanteerde set van algemene voorwaarden (dus: de polis met bijlagen) is opgenomen. Het is daarop mijns inziens aan de verzekeraar om bewijs bij te brengen van zijn stelling dat sprake is van een kernbeding.9 Dat betekent in de regel dat hij - al dan niet door inschakeling van een deskundige - overeenkomstig de heersende opvattingen zal moeten stellen en bewijzen dat het betreffende beding premiestelling bepalend is. Daarmee wordt tevens bereikt dat de verzekeringnemer niet (bewijsrechtelijk) belast wordt door het feit dat de overeenkomst van verzekering, zoals hiervoor al aan de orde kwam, bestaat uit een pakket van algemene voorwaarden, dat breder is dan de 'algemene voorwaarden' in de zin van afdeling 6.5.3 BW.
Wat resteert dan de verzekeringnemer? Voorstelbaar is dat - zo er van een kernbeding sprake mocht zijn - hij zich op het standpunt stelt dat de verzekeraar toch geen beroep op de uitsluiting toekomt omdat de voor gelding van de uitsluiting vereiste wilsovereenstemming ontbreekt. Goed beschouwd komt dit verweer erop neer dat de verzekeringnemer gemotiveerd betwist dat de uitsluiting10 heeft te gelden (waarmee van een zelfstandig verweer geen sprake is). Het is daarop dan ook de verzekeraar die - op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv - de bewijslast draagt dat het in het geding zijnd beding deel uitmaakt van de verzekeringsovereenkomst (en dat er wilsovereenstemming is in de zin van art. 3:33 en 3:35 BW).11
In toenemende mate vermeldt het aanvraagformulier expliciet en duidelijk de kernbedingen die de omvang van de dekking, inclusief de beperkingen daarop, aangeven. Ondertekent de verzekeringnemer dit formulier dan mag hij geacht worden van deze voorwaarden bij het sluiten van de verzekering te hebben kennis genomen en door zich niet in andere zin te uiten, daarmee te hebben ingestemd.12 Zwijgt het aanvraagformulier over de kernbedingen en wordt ook anderszins daarover bij het sluiten van de verzekering geen expliciete informatie gegeven (de 'verscholen' kernbedingen), dan is alleszins verdedigbaar de stelling dat de hierbedoelde wilsovereenstemming ontbreekt.13 Alleen dan lijkt op dit uitgangspunt een uitzondering gerechtvaardigd indien de verzekeraar er gelet op de essentiële betekenis van het beding voor de dekking in redelijkheid zonder meer op mocht vertrouwen dat de tussenpersoon door wiens bemiddeling de overeenkomst mogelijk tot stand is gekomen, de verzekeringnemer bedoelde informatie heeft gegeven. Illustratief is het arrest van het Hof Den Haag van 16 maart 1993 ten aanzien van het basisbegrip arbeidsongeschiktheid in een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering:
'Dit begrip is, zoals vastgesteld, een kernbegrip voor de onderhavige verzekering, nu het aangeeft tegen welk risico dekking wordt verleend. Er mag dan ook verondersteld worden, dat de tussenpersoon, die [verzekeringnemer] bij het aangaan van de verzekering heeft begeleid, op het onderscheid tussen de bepalingen van de A-rubriek en de B-rubriek (met elk een andere begripsomschrijving van het begrip arbeidsongeschiktheid, NvT) zal hebben gewezen en ook op de - het zij toegegeven - beperkte betekenis die in de praktijk aan het begrip arbeidsongeschiktheid in art. 7 met name bij partiële arbeidsongeschiktheid wordt gegeven. In ieder geval mocht [verzekeraar] verwachten dat dit is gebeurd. Voor zover het niet zou zijn gebeurd, dient dit voor risico van [verzekeringnemer] te blijven.'14
Wat nu, indien de polis overeenkomstig de eerder besproken regeling in de Wft aan de verzekerde het recht geeft om de overeenkomst binnen een periode van 14 dagen na toezending van de voorwaarden alsnog te ontbinden? Kan de verzekeraar zich er in dat geval nog op beroepen dat sprake is van een stilzwijgend instemmen van de verzekeringnemer met de in die voorwaarden 'verscholen' kernbedingen? Mijns inziens kan dat ook dan alleen indien de verzekeraar de verzekeringnemer uitdrukkelijk op die kernbedingen wijst, bijvoorbeeld in de zin dat hij aangeeft in welke artikelen in de polis de basisdekking van de verzekering is te vinden. Dat ook hier ruimte is voor de (strikte) uitzondering als hierboven bedoeld op grond van de bemiddeling door een onafhankelijke tussenpersoon, ligt in de rede.
Niettegenstaande het voorgaande zal toch veelal het gevoel opkomen dat bij het sluiten van de verzekering van de verzekeraar meer mag worden verwacht ter bescherming van de verzekeringnemer; dit met name wanneer het gaat om bedingen die ter zake van bepaalde risico's bij zeer wel voorzienbaar gedrag van de verzekerde de dekking uitsluiten of deze afhankelijk stellen van het vervuld zijn van bepaalde voorwaarden (de zgn. 'warrranties'). Rust hier dan geen waarschuwingsplicht op de verzekeraar dan wel mag van hem niet verlangd worden dat hij over de reikwijdte van een dergelijk beding en de door hem daaraan gegeven interpretatie nadere informatie aan de verzekeringnemer geeft? Mijns inziens behoort de beantwoording van die vraag niet zo zeer in de sleutel van al dan niet wilsovereenstemming als wel in die van een toetsing aan maatstaven van redelijkheid en billijkheid te staan.
Die keuze maakt ook het cassatiemiddel in het arrest van de Hoge Raad van 9 september 1994 ten aanzien van een aanvullende informatieplicht:
'3. Het Hof heeft miskend, dat de eisen van de redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen, althans kunnen brengen, dat van de redelijk handelende verzekeraar gevergd mag en kan worden, dat hij bij het toepasselijk verklaren van een garantieklausule, die voor de verzekerde de sanktie van verlies van het recht op uitkering heeft, geen enkel misverstand over die klausule laat bestaan en dan ook zijn interpretatie daarvan aan de verzekerde en/of de assurantietussenpersoon te kennen geeft op niet voor misverstand vatbare wijze, terwijl [verzekeraar] geen enkele uitleg aan de tussenpersoon heeft gegeven en de inspekteur ook niet bij zijn inspektie op de noodzaak van een keuringsrapport, dat niet ouder dan drie jaar was, heeft gewezen, zodat het ook des temeer niet - zondermeer - te begrijpen is, dat de verzekerde en de assurantietussenpersoon redelijkerwijs aan de klausule de zin moesten toekennen, dat een keuring naar de norm niet ouder mocht zijn dan drie jaar op het moment van gelding van die klausule.'15
De Hoge Raad betoont zich zeer terughoudend:
'Dit betoog kan in zijn algemeenheid niet als juist worden aanvaard. In hoeverre een verzekeraar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid gehouden is tot het doen van mededelingen omtrent de door hem aan een voor de verzekerde bezwarende bepaling van de verzekeringsovereenkomst toegekende betekenis, hangt af van de omstandigheden van het geval.'
Een beroep op de hierbedoelde waarschuwingsplicht is eveneens aan de orde in het arrest van het Hof Amsterdam van 11 januari 2007 en ook hier is het Hof op dit punt - met recht - terughoudend om een aanvullende waarschuwingsplicht aan te nemen:16
'4.7. Dat [verzekeraar] bij het aangaan van de verzekering niet naar het bezit van dat certificaat heeft gevraagd, maakt dat niet anders. Niet kan worden aanvaard dat [verzekeraar] door het niet stellen van gerichte vragen naar het bromfietscertificaat de schijn heeft gewekt een verzekering aan te bieden zonder de omstreden uitsluiting, hoewel het aanbod dat zij deed met zoveel woorden in andere richting wees. Hierbij past niet om aan de zijde van [verzekeraar] een verderstrekkende waarschuwingsplicht te aanvaarden. Voor een onderzoek naar de vraag of verzekeringnemer over een bromfietscertificaat beschikte, bestond voor [verzekeraar] ook verder onvoldoende aanleiding. Het bezit van een bromfietscertificaat is immers geen vereiste voor het sluiten van een WAM-verzekering. De eigenaar van een motorrijtuig is krachtens de WAM ook verplicht zich tegen wettelijke aansprakelijkheid te verzekeren als hij het motorrijtuig niet zelf bestuurt, maar het door een ander laat besturen of het slechts op de weg laat staan.
Ook overigens bestaat onvoldoende grond om te oordelen dat verzekeringnemer gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat hij ook verzekerd zou rijden als hij niet over een bromfietscertificaat beschikte. Zo'n certificaat is bedoeld om ervoor te zorgen dat verzekeringnemer pas zou gaan rijden op zijn bromfiets wanneer hij over voldoende kennis beschikte. Verzekeringnemer had, ook zijn leeftijd in aanmerking genomen, er ernstig rekening mee te houden dat het voor de verzekeraar belangrijk was dat hij pas zou gaan rijden nadat hij die kennis had verworven. De kans op ongelukken zou dan immers kleiner zijn.'17
Overigens zij bij dit alles bedacht dat het alleszins verdedigbaar lijkt te stellen dat bij verzekeringen die door bemiddeling van een onafhankelijke tussenpersoon tot stand komen, het ook hier toch tot de primaire taak van de tussenpersoon mag worden gerekend de verzekeringnemer de hierboven bedoelde aanvullende informatie te verschaffen en/of de laatste in bovenbedoelde zin te waarschuwen. De (schaarse) jurisprudentie betoont zich ook hier terughoudend om een extra waarschuwingsplicht aan te nemen.18