Stille getuigen
Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/7.2.8.7:7.2.8.7 Minder compensatie bij bepaalde typen delicten?
Stille getuigen 2015/7.2.8.7
7.2.8.7 Minder compensatie bij bepaalde typen delicten?
Documentgegevens:
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de zaak Al-Khawaja overwoog het ehrm:
‘In a case of indecent assault by a doctor on his patient, which took place during a private consultation where only he and the victim were present, it would be difficult to conceive of stronger corroborative evidence, especially when each of the other witnesses was called to give evidence at trial and their reliability was tested by cross-examination.’1
De nadruk hierin ligt sterk op het type delict waarvoor Al-Khawaja was veroordeeld: een zedendelict. Dit type delicten speelt zich dikwijls af in de beslotenheid, terwijl fysiek bewijs vaak ontbreekt. Daardoor is de getuigenverklaring dikwijls van doorslaggevende betekenis. Het is mogelijk dat het ehrm bij dit soort moeilijk bewijsbare delicten in het kader van compensatie met minder steunbewijs genoegen zal nemen. Mijns inziens zou dat niet terecht zijn. Juist bij dit type delicten komt het relatief vaak voor dat valse aangiften worden gedaan.2 Het doel van de compensatie is bovendien het behoorlijk en effectief kunnen onderzoeken van de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring. Bij een moeilijker te bewijzen delict kan de betrouwbaarheid niet even goed worden beoordeeld aan de hand van minder compenserende factoren. Bij minder bewijs zal juist eerder een omvangrijke compensatie vereist zijn. Wanneer de betrouwbaarheid van een getuigenverklaring niet voldoende is kunnen worden onderzocht, is het doel dat het ondervragingsrecht beoogt, niet gerealiseerd. Het gevolg daarvan zal soms moeten zijn dat de verdachte wordt vrijgesproken. Het belang van de waarheidsvinding moet het mijns inziens winnen van de behoefte om een schuldige van een strafbaar feit aan te wijzen.