Einde inhoudsopgave
RvdW 2023/1135
Het oordeel dat sprake is van ‘wederrechtelijk’ gebruik van identificerende persoonsgegevens ex art. 231b Sr is niet onjuist.
HR 21-11-2023, ECLI:NL:HR:2023:1608
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
21 november 2023
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, A.L.J. van Strien, F. Posthumus
- Zaaknummer
21/04084
- Conclusie
A-G mr. D.J.C. Aben
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
Materieel strafrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2023:1608, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 21‑11‑2023
ECLI:NL:PHR:2023:864, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 03‑10‑2023
Beroepschrift, Hoge Raad, 08‑07‑2022
- Wetingang
Art. 231b Sr
Essentie
Het oordeel dat sprake is van ‘wederrechtelijk’ gebruik van identificerende persoonsgegevens als bedoeld in art. 231b Sr is, gelet op de bewijsvoering van het hof, niet onjuist en ook niet onbegrijpelijk.
Samenvatting
De bewijsvoering van het hof houdt het volgende in. De verdachte heeft zich samen met één of meer anderen schuldig gemaakt aan (pogingen tot) oplichting via WhatsApp. In dat kader heeft een medeverdachte aan de aangeefster gevraagd haar bankrekeninggegevens ter beschikking te stellen voor het mogelijk maken van het storten van geld op deze rekening ten behoeve van de medeverdachte. De aangeefster heeft haar ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.