Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/9.2.4
9.2.4 Schuld van de verzekerde zelf
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS359373:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dat was anders onder het oude recht: eerst bij wijze van algemene regel dat opzet of eigen schuld van een der verzekerden de verzekeraar ook jegens de andere verzekerde(n) bevrijdt (HR 19 juni 1992 (Maduro&Curiel/Fatum II), NJ 1993, 555, m.nt. MMM) en vervolgens nog slechts voor het geval dat tussen verzekerden een rechtsband bestaat als gevolg waarvan het verzekerd belang als een gemeenschappelijk belang moet worden aangemerkt. Zie HR 19 oktober 2001 (Vitesse/UAP), NJ 2002, 224. Zie voor een bespreking van de vraag wanneer zich de bedoelde uitzonderingssituatie voordoet Wansink, AV&S 2004, p. 71.
Asser/Clausing & Wansink 2007, nr. 365 en Scheltema/Mijnssen 1998, nr. 5.38 en de daar vermelde verwijzingen.
Scheltema/Mijnssen 1998, nr. 5.38.
Hier zij benadrukt dat de hier bedoelde 'indirecte' veroorzaking moet worden onderscheiden van een beroep op merkelijke schuld van een verzekerde rechtspersoon. Nu de laatste uitsluitend door natuurlijke personen aan het rechtsverkeer kan deelnemen, rijst de vraag wiens handelen of nalaten overeenkomstig de orgaan-theorie dan wel de toerekening overeenkomstig het door HR 6 april 1979, NJ 1980, 34, m.nt. B (Kleuterschool Babbel) gegeven criterium heeft te gelden als een handelen of nalaten van de rechtspersoon en of dat handelen of nalaten van die persoon de schade heeft veroorzaakt en als opzet dan wel roekeloosheid/merkelijke schuld kan worden aangemerkt. Bewijsrechtelijk spelen hier geen bijzondere aspecten, anders dan dat het aan de verzekeraar is deze laatste twee feiten te stellen en zo nodig te bewijzen. Zie over de 'eigen schuld' van de rechtspersoon Asser/Clausing & Wansink 2007, nr. 370 e.v.
Zie voor een indeling in twee categorieën hiervoor aan het einde van 9.1 (en de aanloop van 9.2).
Tweede tussenarrest, te kennen uit S&S 1996, 21. Zie ook hiervoor onder 9.2.1.
Door het tegenbewijs in dit rechterlijk vermoeden uit te laten strekken tot het bewijs van het tegendeel, komt het hof wel heel dicht aan tegen een omkering van de bewijslast, zij het dat het bewijsrisico niet mee overgaat vanwege dat rechterlijk vermoeden. Zie over de (on)wenselijkheid van deze invulling en over de inhoud van de opdracht tot het leveren van tegenbewijs eveneens onder 9.2.1, onder het kopje 'de door de rechter gegeven invulling aan de opdracht tot het leveren van tegenbewijs'.
Zie ook (de korte schets van het verloop van de procedure van A-G Spier voorafgaand aan) HR 12 december 2003, JOL 2003, 658, waaruit blijkt dat het hof 'voorshands, behoudens tegenbewijs bewezen heeft geacht dat de brand in de videotheek is gesticht door verzekerde'.
Scheltema/Mijnssen 1998, nr. 5.38.
Voorbeeld geïnspireerd door hof Den Haag 1 februari 1996, S&S 1997, 79, in welk arrest dit gedrag, in combinatie met het op bed gaan liggen roken, werd aangemerkt als merkelijke schuld in de zin van 294 K (oud).
Scheltema/Mijnssen 1998, nr. 5.40.
Stelling is in lijn met het arrest van de Hoge Raad van 4 april 2003, NJ 2004, 536.
Zoals hiervoor al is aangegeven, gaat het bij de wettelijke uitsluiting op grond van eigen (merkelijke) schuld om de schuld van de belanghebbende verzekerde zelf. De schuld van een andere verzekerde, wiens verzekerd belang niet in het geding is, blijft daarmee buiten spel. Dat geldt evenzeer voor de situatie waarin door één verzekering wél de belangen zijn gedekt van een aantal verzekerden, zoals bij een onverdeelde boedel. In die situatie geldt - in lijn met art. 7:952 BW - dat de verzekeraar alleen geen schade vergoedt aan die verzekerde die de schade met opzet of door roekeloosheid heeft veroorzaakt.1 Ook de handelingen van personen voor wie de verzekerde bij de uitvoering van overeenkomsten en bij onrechtmatige daad het risico draagt, kunnen niet als eigen schuld worden toegerekend.2 Van dit zuiver formeel (in civielrechtelijke zin) 'risico dragen voor' dient onderscheiden te worden de situatie waarin de verzekerde een derde (verwijtbaar) aanzet of ruimte geeft om schade toe te brengen en aldus anders handelde dan de verzekeraar onder gegeven omstandigheden van hem mocht verwachten. In die situatie zal de verzekeraar wel een beroep op eigen schuld kunnen doen. Scheltema/Mijnssen noemt het voorbeeld van schade door verduistering, die naar hun oordeel zal zijn uitgesloten wanneer deze is ontstaan doordat de verzekerde juwelen ter bewaring gaf aan een familielid met wiens kleptomane neigingen de verzekerde bekend was.3 Ook de 'op verzoek van' verzekerde gestichte brand zou - ondanks dat deze niet door verzekerde zelf is gesticht - onder die categorie te brengen zijn.
De verzekeraar die zich ontslagen acht van zijn verplichting tot betaling op grond van eigen (merkelijke) schuld dient mitsdien te stellen en waar nodig te bewijzen dat de schade door de verzekerde zelf (direct) veroorzaakt is, dan wel dat er sprake is van 'indirecte' veroorzaking in de hierboven bedoelde zin; de zo-even genoemde gevallen van de kleptomane neef of de in opdracht van verzekerde aangestoken brand.4
Het bewijs van (merkelijke) schuld van de verzekerde zelf
Ten aanzien van de beantwoording van de vraag of sprake is van merkelijke schuld van de verzekerde zelf, laat de categorie van vormen van onvoorzichtig gedrag5 zich bewijsrechtelijk andermaal kort wegzetten. Bewijsrechtelijk immers zal, zoals hiervoor al gesteld, op grond van de afgelegde verklaringen en vaststaande feiten in de procedure het gedrag van de verzekerde - en daarmee beantwoording van de vraag naar diens betrokkenheid - doorgaans wel vaststaan.
In de zogenaamde brandstichtingszaken loopt het bewijs van de door de verzekeraar ingenomen stelling dat de brand door de verzekerde is gesticht, goeddeels langs de lijnen van (de constructie van) het bewijs als hiervoor onder 9.2.1 aangegeven: er is wel of geen sprake van direct - door de verzekeraar te leveren - bewijs dat de verzekerde zelf merkelijk schuldig (of nalatig) is geweest aan de brand, ofwel de rechter komt de verzekeraar tegemoet door 'uit te gaan van de juistheid, behoudens tegenbewijs.' Een zaak waarin de bewijslast op het punt van de betrokkenheid van de verzekerde zelf een rol speelt, is die van het Hof Den Haag van 22 november 1994.6 Vermeldenswaard in deze zaak is dat het hof eerst concludeert dat er sprake is van brandstichting, dus zonder in te gaan op de vraag door wie, en pas daarna de vraag van de betrokkenheid van verzekerde aan de orde stelt. Het hof overweegt op dit laatste punt:
'13. (... ) Aldus komt nu aan de orde de vraag of de rechtbank er terecht van is uitgegaan dat de brand met medeweten en instemming van Van Gils (verzekerde, NvT) is gesticht.
(... )
19. Met de rechtbank acht het hof in de stukken zovele aanwijzingen gegeven voor de deplorabele situatie van het bedrijf, zoals deze ten tijde van de brand door de naaste betrokkenen werd gevoeld, dat daarvan in dit stadium van het geding uitgegaan moet worden. (... )
27. (...) voor het hof geeft de doorslag dat de omstandigheden voor de BV en voor Van Gils zelf op het moment van de brand financieel gezien zo ongunstig waren dat alleen een verzekeringsuitkering nog een oplossing voor zijn problemen kon betekenen. Daarvan uitgaande wordt teveel van het voorstellingsvermogen gevergd aan te nemen dat de brand juist op dat moment, geheel onafhankelijk van Van Gils, buiten diens medeweten en betrokkenheid, door een derde werd gesticht. De theoretische kans is aanwezig, maar deze acht het hof, afgezet tegen het grote privé en zakelijke belang van Van Gils, zo gering dat uitgegaan moet worden van zijn merkelijke schuld, tenzij de curatrice (van verzekerde Van Gils, NvT) het tegendeel aantoont.'
Het hof belast op grond van deze overwegingen vervolgens (de curatrice van) verzekerde met het tegenbewijs door op te leggen het bewijs van 'feiten en/of omstandigheden, waaruit valt af te leiden van Van Gils geen merkelijke schuld draagt aan de litigieuze brand'.7
Een zaak waarin eveneens wordt 'uitgegaan van de juistheid, behoudens tegenbewijs' is die van het Hof Den Haag van 20 november 1990.8 Aan het rechterlijk vermoeden lag in dat geval ten grondslag het feit dat de brand opzettelijk was gesticht met behulp van een zeer licht ontvlambare stof en dat de verzekerde, wiens brandwonden wijzen op het morsen van een zodanige stof bij het verspreiden ervan, met instemming van de andere verzekerde bij de brandstichting betrokken is geweest.9
Resteren de hierboven al aangegeven gevallen van 'indirecte veroorzaking' door de verzekerde. Te denken valt daarbij allereerst aan het hiervoor in de inleiding gegeven voorbeeld van de bewaargeving van juwelen aan een kleptomaan.10
Een andere vorm van 'indirecte veroorzaking' doet zich voor in de situatie waarin de verzekerde, ook wanneer zijn gedrag niet direct aanleiding vormde tot de schade, in de positie verkeerde waarin hij maatregelen had kunnen nemen om dreigende schade door een derde te voorkomen, maar dat niet heeft gedaan. Of dat zo is, zal de verzekeraar moeten stellen en zo nodig bewijzen. Denk aan de situatie waarin verzekerde ziet dat een bij hem logerende huisgenoot bij het - samen met hem - verlaten van het pand een nog niet geheel gedoofde sigarettenpeuk in een plastic keukenafvalbak gooit.11Het ligt daarbij allereerst op de weg van verzekeraar om feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit kan komen vast te staan dat er sprake is van een ernstige mate van schuld aan de brand, maar daarnaast zal hij eveneens de gronden dienen aan te voeren die rechtvaardigen dat het eigen gedrag van de verzekerde als eigen schuld mag worden beschouwd. Te denken valt aan de stelling dat de verzekerde onvoldoende (in dit geval: geen) maatregelen nam om de schade te voorkomen, terwijl hij in staat was zodanige invloed uit te oefenen dat hij kon voorkomen dat de derde schade zou toebrengen en de verzekeraar, de omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, mocht verwachten dat de verzekerde zulks ook daadwerkelijk zou doen.12 Verdedigbaar lijkt eveneens de stelling van verzekeraar dat de verzekerde door het niet nemen van maatregelen in een situatie waarin een aanmerkelijke kans op schade bestaat, waarvan hij zich bewust had horen te zijn, maar waarin hij de ander daarvan niet heeft weerhouden, zelf in ernstige mate tekortschiet in zorg te voorkoming van schade.13