Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/9.2.2
9.2.2 De betekenis van het strafvonnis voor de civiele procedure
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS359375:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Bedoeld arrest (NJ 1987, 658) gaat over de vraag of van merkelijke schuld ook sprake kan zijn indien de brand is gesticht onder invloed van een stoornis van zijn geestvermogens. Die vraag is door de Hoge Raad ontkennend beantwoord: wanneer verzekerde geen verwijt treft, is van merkelijke schuld geen sprake.
Zie zijn conclusie voor HR 21 december 2007, RvdW 2008, 51, onder 2.12.
HR 12 december 2003, JOL 2003, 658, waarin verzekerde door de strafrechter in eerste aanleg is vrijgesproken en de Officier van Justitie het aanvankelijk door hem ingestelde beroep heeft ingetrokken. Zie ook A-G Spier in zijn conclusie onder 4.3. Zie over de rol van het strafvonnis ook Asser 2004, nr. 2 en HR van 23 oktober 1992, NJ 1992, 814, waarin ondanks vrijspraak van brandstichting in de strafprocedure de verzekerde veroordeeld werd ter zake van merkelijke schuld: slechts aan een veroordelend, in kracht van gewijsde gegaan strafvonnis op tegenspraak gewezen komt bewijskracht toe. Een vrijspraak heeft geen bewijskracht. Zie ook Hof Amsterdam 5 augustus 1999, S&S 2001, 94.
Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.) bij art. 161, p. 161-1 (suppl. 279, dec. 2001).
Zie hiervoor onder 1.3.
Een in kracht van gewijsde gegaan vonnis is volgens Hugenholtz/Heemskerk 2006, p. 128, een vonnis waartegen geen gewone rechtsmiddelen meer openstaan en dat derhalve niet meer kan worden aangetast door één van deze rechtsmiddelen (verzet, hoger beroep, cassatie).
Tot het leveren van tegenbewijs tegen een veroordelend strafvonnis is wel toegelaten het slachtoffer (aan wie de vordering is gecedeerd) van een poging tot doodslag. Het hof ging in deze zaak, te kennen uit HR 21 december 2007, RvdW 2008, 51, tot op tegenbewijs uit van opzet in de zin van de 'oude' opzetuitsluiting (zie hiervoor nader onder 9.4). De zaak leende zich in die zin voor 'vertaling' van het in de strafzaak bewezen verklaarde naar de civiele zaak, omdat het feitelijk gebeuren (de hamer als geëigend middel om letsel mee toe te brengen) zich daartoe leende. In de strafzaak was immers sprake van een poging tot doodslag doordat de dader 'opzettelijk [het slachtoffer] (...) met een (zware) hamer ('vuistje') op haar hoofd heeft geslagen'. In dat bewezen, op het doden van [het slachtoffer] gerichte opzet ligt, zoals A-G Wuisman het in zijn conclusie voor het arrest uitdrukt, volgens het hof ook besloten het opzet om [het slachtoffer] het letsel toe te brengen dat haar in concreto is toegebracht. Dit letsel is immers als het zekere gevolg van het handelen van [de dader] te beschouwen. De bewezenverklaring levert, aldus het hof, krachtens art. 161 Rv dwingend bewijs op in de onderhavige procedure.'
Bewijsrechtelijk kan - zoals hierboven al aangestipt - een veroordelend, op tegenspraak gewezen en in kracht van gewijsde gegaan strafvonnis doorslaggevende betekenis hebben in een zaak waarin de verzekeraar stelt dat sprake is van brandstichting. Illustratief is het arrest van het Hof Leeuwarden van 8 september 1999, waarin het hof, voor zover thans van belang, overwoog:
'2. Rechtsoverweging 5 van het beroepen vonnis houdt het volgende in: Naar het oordeel van de rechtbank zal, in het licht van de Hoge Raad van 27 maart 1987, NJ 1987, 658 moeten worden aanvaard enerzijds dat indien de verzekerde brand sticht onder invloed van een stoornis van zijn geestvermogens, van dien aard dat hem geen verwijt kan worden gemaakt, van merkelijke schuld in de zin van art. 294K. geen sprake is, anderzijds dat als er sprake is van brandstichting door de verzekerde er in beginsel van kan worden uitgegaan dat sprake is van merkelijke schuld en het aan de verzekerde is te stellen en bij tegenspraak te bewijzen dat hem geen verwijt treft ten gevolge van een stoornis van zijn geestvermogens.
(... )
3. De grieven richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat X (één van de verzekerden, NvT) een - zij het beperkt - verwijt kan worden gemaakt met betrekking tot de brandstichting. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
4. De grieven zien voorbij aan het bepaalde in art. 188 Rv (oud, thans: 161 Rv, NvT), inhoudende dat een in kracht van gewijsde gegaan op tegenspraak gewezen strafvonnis, waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, dwingend bewijs oplevert van dat feit. Dat betekent dat er - behoudens door X en Y te leveren tegenbewijs - van moet worden uitgegaan dat X de onderhavige branden opzettelijk heeft gesticht. Mede in het licht van hetgeen in het hiervoor onder rechtsoverweging 2 bedoelde arrest is overwogen met betrekking tot de bewijslast, lag het op de weg van X en Y om met betrekking tot dit tegenbewijs een duidelijk en gespecificeerd bewijsaanbod te doen. Het hof moet constateren dat een dergelijk bewijsaanbod niet is gedaan, zodat het hof zal hebben uit te gaan van de juistheid van het tegen X als verdachte gewezen strafvonnis van de arrondissementsrechtbank Roermond d.d. 18 maart 1993 (productie bij conclusie van eis in eerste aanleg).
5. De rechtbank is in het beroepen vonnis derhalve op goede gronden tot het oordeel gekomen dat X een verwijt, zij het een beperkt verwijt valt te maken.'1
Het arrest van het hof, maar ook het vonnis in eerste aanleg, geeft duidelijk aan wie - in geval er een strafrechtelijke veroordeling voorligt - bewijsrechtelijk aan zet is: dat is de verzekerde, ook ingeval hij wil aanvoeren dat hem op grond van een stoornis van zijn geestvermogens geen verwijt kan worden gemaakt (en van merkelijke schuld - in lijn met het genoemd arrest van de Hoge Raad van 27 maart 19872 - geen sprake zou zijn).
Het strafvonnis kan dus een rol van betekenis spelen in de civiele procedure. Art. 161 Rv slaat daarmee, zoals A-G Wuisman het zo fraai uitdrukt, een brug tussen het strafrecht en het civielrechtelijke geding.3 Dat is alleen het geval bij een in kracht van gewijsde gegaan, op tegenspraak gewezen vonnis waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan. Een dergelijk vonnis, immers, levert - op grond van het bepaalde in art. 161 Rv - dwingend bewijs van dat feit. Dwingend bewijs houdt in dat de rechter niet vrij is in de waardering van het bewijsmiddel en de inhoud daarvan als waar dient aan te nemen. Het is goed er op deze plaats op te wijzen dat aan een vrijspraak dus géén bewijskracht toekomt; de bewijskracht geldt uitsluitend bij een vonnis waarbij een feit bewezen is verklaard.4
Het staat een partij echter vrij om tegen dat dwingend bewijs tegenbewijs te leveren, aldus art. 151, lid 1, Rv. Toegespitst op het strafvonnis dient het tegenbewijs zich daarmee te richten op het strafbaar feit dat de verdachte volgens dat vonnis heeft begaan.5 De vraag die rijst, is welke eisen de rechter, specifiek in gevallen waarin het strafvonnis dwingend als bewijs wordt aangenomen, mag stellen aan het aanbod tot het leveren van tegenbewijs. De algemene regel voor het bewijsaanbod ter zake van tegenbewijs, is dat daaraan niet de eis mag worden gesteld dat het voldoende gespecificeerd is.6 Verdedigbaar lijkt evenwel dat aan het aanbod tot het leveren van tegenbewijs bij een voorhanden strafvonnis wel hoge(re) eisen mogen worden gesteld. Het strafvonnis, immers, is het sluitstuk van een met rechtswaarborgen omklede procedure, waarin de rechter op basis van een (in de regel: uitgebreid en volledig) dossier, wettig en overtuigend bewezen heeft geacht dät en op welke gronden de verdachte het stafbare feit heeft begaan. Bovendien geldt de dwingende bewijskracht bij uitsluiting voor op tegenspraak gewezen vonnissen, zodat de verdachte in voldoende mate in de gelegenheid is geweest zijn standpunt (het latere tegenbewijs?) naar voren te (doen) brengen. In dit licht bezien lijkt het redelijk dat aan de verzekerde wel degelijk de eis gesteld kan worden dat hij duidelijk en gespecificeerd aangeeft waarin zijn tegenbewijs bestaat. Natuurlijk kan het zo zijn dat verdachte uit de strafzaak zich in het veroordelend vonnis niet kan vinden, maar daartoe bestaan nu eenmaal rechtsmiddelen. Het is ook om deze reden dat een veroordelend vonnis eerst dwingend bijdraagt aan het bewijs, indien het in kracht van gewijsde gegaan is.7
Hoewel het strafvonnis in een aantal 'brandstichtingszaken' aan de orde komt, zijn mij geen zaken bekend waarin de verzekerde tot het leveren van dat tegenbewijs werd toegelaten, laat staan dat dat tegenbewijs geacht werd te zijn geleverd.8 Een zaak waar aandacht besteed werd aan de vraag of verzekerde mocht worden toegelaten tot het tegenbewijs, is het hier hiervoor besproken arrest van 8 september 1999, waarin het Hof Leeuwarden heeft geoordeeld dat een duidelijk en gespecificeerd bewijsaanbod niet gedaan is en waarin het mitsdien uitgaat van de juistheid van het strafvonnis. Om redenen hiervoor genoemd verdient die uitspraak mijns inziens steun.
Tenslotte nog een kanttekening bij het dwingend bewijs van een strafrechtelijk feit waarvan de Nederlandse strafrechter in een in kracht van gewijsde gegaan, op tegenspraak gewezen vonnis bewezen heeft verklaard dat iemand dat feit heeft begaan, als het gaat een beroep van de aansprakelijkheidsverzekeraar op de opzet-(uitsluitings)clausule in de polis. A-G Wuis-man gaat in zijn conclusie voor het arrest van 21 december 2007 onder 2.122.13 en 3.4 uitvoerig op de betreffende problematiek in.9 Hij concludeert dat op het oordeel van de strafrechter dat opzet bij een (poging tot) doodslag bewezen is, niet zonder meer kan worden voortgebouwd in een civielrechtelijke procedure, waarin gestreden wordt over de inroepbaarheid van de opzetclausule. De teneur van zijn conclusie is er (in mijn eigen bewoordingen) een van terughoudendheid in het (te snel) overnemen van het bewezen verklaard opzet. Hij benadrukt daartoe onder 3.4 met recht dat:
'het begrip opzet in het strafrecht niet een zelfde geladenheid als in het verzekeringsrecht en in de opzetclausule [heeft]. In 2.9 is er op gewezen dat de bepaling van de aanwezigheid van opzet in het strafrecht geschiedt met als vertrekpunt de gemiddeld normale mens, terwijl tot afwezigheid van opzet alleen kan worden geconcludeerd indien de dader van elk inzicht in de draagwijdte van zijn gedraging en de mogelijke gevolgen daarvan is verstoken. Dat is duidelijk een andere benadering van de vraag naar de aan-/afwezigheid van opzet dan die in verze-keringsrechtelijk verband wordt gevolgd. Daar is sprake van een veel subjectievere invalshoek en een grotere terughoudendheid in het aanvaarden van opzet. Een en ander houdt verband met het verschil in de doeleinden die in beide gebieden worden nagestreefd. Het oordeel dat er geen aanleiding zou bestaan om het begrip opzet in het polisbeding anders uit te leggen dan in het strafrecht gehanteerde begrip, wordt dan ook terecht bestreden.'
Een tweede belangrijk verschilpunt is mijns inziens dat anders dan in de omschrijving van strafrechtelijke delicten in de opzetclausule als hier in het geding het opzet gericht moet zijn op het toebrengen van in het in concreto geleden letsel. Gewaakt moet worden tegen de verleiding om in algemene zin met behulp van 'de ontsnappingsclausule' uit het Aegon/Van der Linde-arrest dit verschilpunt weg te nemen en aldus een bewezenverklaring in een strafvonnis beslissend te doen zijn voor een beroep op de opzet-clausule. Dat kon in het in casu aan de Hoge Raad voorgelegde geval (de hamer als geëigend middel om letsel mee toe te brengen). Maar bijvoorbeeld bij een strafrechtelijk bewezen verklaarde verkrachting met als feitelijk gevolg geestelijk letsel gaat dat niet zonder meer op. In de kern lijkt dat daarin te liggen dat het zogenaamd 'geëigend middel' uit de ontsnappingsclausule daartoe ontbreekt, waardoor de door de Hoge Raad in het Aegon/Van der Linden-arrest gekozen uitleg (het in feite toegebracht letsel moet het gevolg zijn van het opzet) onvoldoende is om de gedraging onder de opzetuitsluiting te laten vallen (wat van die uitleg overigens ook zouzijn).