Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/III.5.3.2
III.5.3.2 Bestanddelen van de delictsomschrijving
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS599789:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Ook in landen waarin de tirannie van de tenlastelegging beduidend minder strikt is dan in Nederland, staat in het strafproces nooit de algemene rechtstrouw van de verdachte centraal. Op zijn minst bestaat binding aan een bepaalde materiële gebeurtenis. Zie op die manier over het Duitse en Franse recht Boksem 1996, p. 53-94 resp. p. 95-132 en over het Engelse recht Harteveld 2001, p. 189-190. Vgl. voor nog meer landen Stevens e.a. 2017, i.h.b. § 8.5.1: “Alle onderzochte landen kennen een grondslagleer, in de zin dat het gerecht dat beslist over de schuld van de verdachte, uitsluitend een feit bewezen mag verklaren dat ten laste is gelegd en het dus niet is toegestaan een ander feit bewezen te verklaren.”
Dat belang van correspondentie tussen kwalificatie enerzijds en feitelijke toedracht en bewezenverklaarde anderzijds is ook voor het materiële strafrecht een belangrijk gezichtspunt. In de Engelse literatuur wordt dat met de term fair labelling aangeduid. Het speelde bijvoorbeeld expliciet een rol bij de beslissing een opgedrongen tongzoen (toch) niet steeds als verkrachting te kwalificeren (HR 12 maart 2013, NJ 2013, 437 m.nt. Keijzer). Zie over inhoud, belang en potentiële gevolgen van die idee voor het Nederlandse strafrecht, Duker 2013.
De bescherming van onschuldigen gebiedt in elk geval niemand te bestraffen indien twijfel bestaat of hij wel enige strafbare gedraging heeft begaan. Het zijn dus bij uitstek de constitutieve onderdelen van een delict welke positieve vaststelling behoeven, die zonder twijfel onder het bereik van de bewijsdimensie vallen. Daar valt in een restrictieve benadering tegenin te brengen dat de onschuldpresumptie niet beschermt tegen onterechte veroordeling aan het tenlastegelegde feit, maar alleen tegen onterechte veroordeling aan enig strafbaar feit. Dit zou betekenen dat bijkomende bestanddelen niet onder de reikwijdte van de onschuldpresumptie vallen, wanneer zij voor de strafbaarheid van de gedraging niet noodzakelijk zijn, maar wel de kwalificatie en/of het strafmaximum beïnvloeden. Een Nederlands voorbeeld van zo’n bestanddeel is voorbedachte raad. Overtuigender is evenwel de extensievere opvatting dat het onschuldvermoeden in beginsel alle bestanddelen van een delict bestrijkt. In het strafrecht draait het immers niet om het onderscheid tussen schuldigen en niet-schuldigen aan overtreding van het materiële strafrecht in zijn totaliteit, maar het gaat daarin steeds om schuld aan een min of meer specifieke beschuldiging van een min of meer specifiek delict.1 Het materiële strafrecht beoogt met het onderscheiden van verschillende delicten de – naar aard én ernst – uiteenlopende strafwaardigheid van gedragingen tot uitdrukking te brengen. Niet alleen veroordeling van iemand die zich niet in strijd met het materiële strafrecht gedroeg, moet worden voorkomen. Ook veroordeling voor een ander (en vooral: ernstiger) feit dan is begaan, communiceert een onjuiste boodschap, leidt tot onheuse stigmatisering en veroorzaakt onverdiende bestraffing. Het bewezenverklaarde en de daaraan gegeven kwalificatie behoren aldus op de feitelijke toedracht aan te sluiten.2 Dat opzettelijke levensberoving ook zonder bewijs van voorbedachte raad een ernstig delict blijft, beperkt bovendien de maatschappelijke schade die door het aan de verdachte geven van het voordeel van de twijfel ten aanzien van een dergelijk bestanddeel wordt veroorzaakt.